Wet van 21 december 1995, tot wijziging van de Wet Infrastructuurfonds en de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (herziening van de voeding van het Infrastructuurfonds)

Wijzigingswet Wet Infrastructuurfonds, enz. (herziening voeding Infrastructuurfonds)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het begrotingsbeleid wenselijk is de voeding van het Infrastructuurfonds te herzien en daartoe de Wet Infrastructuurfonds en de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

II

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

III

Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de gevolgen van het in artikel 31 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 bedoelde nihiltarief voor motorrijtuigen die zijn ingericht en bestemd om hoofdzakelijk te worden aangedreven door een elektromotor.

Artikel

IV

Voor een motorrijtuig waarvoor vóór 1 januari 1996 infrastructuurtoeslag is voldaan over een tijdvak dat geheel of gedeeltelijk valt na 31 december 1995, wordt de infrastructuurtoeslag die kan worden toegerekend aan een tijdvak of gedeelte daarvan dat valt na 31 december 1995, geacht motorrijtuigenbelasting te zijn.

Artikel

V

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

VI

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Financiën, G. Zalm
De Minister van Verkeer en Waterstaat, A. Jorritsma-Lebbink
De Staatssecretaris van Financiën, W. A. F. G. Vermeend
De Minister van Justitie, W. Sorgdrager