Wet van 21 december 1995, houdende privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds

Wet privatisering ABP

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor de pensioenen van het overheidspersoneel in handen te leggen van de betrokken sociale partners en met het oog daarop het Algemeen burgerlijk pensioenfonds om te vormen tot een privaatrechtelijk pensioenfonds waarop de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing is, alsmede dat in verband daarmee een voorziening dient te worden getroffen inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering van dat personeel;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§

1

Algemeen

Artikel

1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    AAW: de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet;

  • b.

    ABP: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, bedoeld in artikel L 1 van de Abp-wet;

  • c.

    Abp-wet: de Algemene burgerlijke pensioenwet;

  • d.

    ambtelijk inkomen: het ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C 1 van de Abp-wet;

  • e.

    ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in de artikelen B 1, B 2 en B 3 van de Abp-wet, alsmede degene die ambtenaar is ingevolge de krachtens artikel B 7, onderdeel b, van de Abp-wet gestelde regels, zoals deze luidden op 31 december 1995;

  • f.

    Amp-wet: de Algemene militaire pensioenwet;

  • g.

    B 3-lichaam: een privaatrechtelijk lichaam dat op 31 december 1995, op grond van artikel B 3 van de Abp-wet, was aangewezen of op grond van artikel U 2 van de Abp-wet geacht werd te zijn aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de zin van de Abp-wet is;

  • h.

    Centrale Commissie: de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

  • i.

    deeltijdfactor: de breuk, bedoeld in artikel A 1a, tweede lid, van de Abp-wet, zoals die bepaling luidde op 31 december 1995;

  • j.

    nettopensioen: het nettopensioen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

  • k.

    Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • l.

    overheidspersoneel: de overheidswerknemers en de militairen, bedoeld in artikel A 1, eerste lid, van de Amp-wet, alsmede degenen die ingevolge het tweede lid van dat artikel daaronder worden begrepen, met inachtneming van artikel A 4 van die wet;

  • m.

    overheidswerkgever: ieder gezag of bestuur dat bevoegd is tot aanstelling of indienstneming en ontslag van een overheidswerknemer en voor de toepassing van de paragrafen 4, 9 en 10 de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau;

  • n.

    overheidswerknemer: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2;

  • o.

    vervallen;

  • p.

    de ROP: de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid;

  • q.

    sectorwerkgever:

    • 1°.

      van het personeel dat werkzaam is in de sector Rijk: Onze Minister;

    • 2°.

      van het personeel dat werkzaam is in de sector Defensie: Onze Minister van Defensie;

    • 3°.

      van het personeel dat werkzaam is in de sector Politie: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

    • 4°.

      van het personeel dat werkzaam is in de sector Rechterlijke Macht: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

    • 5°.

      van het personeel dat werkzaam is in de sector Gemeenten: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

    • 6°.

      van het personeel dat werkzaam is in de sector Provincies: het Interprovinciaal Overleg;

    • 7°.

      van het personeel dat werkzaam is in de sector Waterschappen: de Unie van Waterschappen;

    • 8°.

      van personeel dat niet werkzaam is in een van de onder 1° tot en met 7° genoemde sectoren: (a). de sectorwerkgever van de sector waartoe de instelling waarbij het desbetreffende personeel werkzaam is, wordt gerekend, gelet op de aard van de werkzaamheid van die instelling, de arbeidsvoorwaarden of de financiële verhouding met een of meer overheids- of onderwijsinstellingen, of (b). de sectorwerkgever van de door Onze Minister aangewezen sector, of (c). een door Onze Minister aangewezen, met de onder 1° tot en met 7° genoemde sectorwerkgevers gelijk te stellen, ander gezag of andere instantie;

  • r.

    vervallen;

  • s.

    WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

  • t.

    WAO-conforme uitkering: de met overeenkomstige toepassing van de WAO toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 32;

  • u.

    Wet FVP/ABP: de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP.

Artikel

2

Artikel

3

§

2

De pensioenen van het overheidspersoneel en de Stichting Pensioenfonds ABP

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Vervallen

§

3

Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken (algemeen)

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan worden bepaald dat het pensioen over diensttijd voor 1 januari 1996 van degene die na 31 december 1995 overheidswerknemer is in de zin van deze wet, wordt berekend op basis van het tot een jaarbedrag herleide inkomen dat de belanghebbende ontving in de maand januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar van ontslag en van de vaste toeslagen die behoren tot het ambtelijk inkomen in de zin van artikel C 1 van de Abp-wet, zoals dat luidde op 31 december 1995, welke belanghebbende ontving in het kalenderjaar voorafgaande aan vorenbedoelde maand januari.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan worden bepaald dat de aanspraken op bijzonder nabestaandenpensioen van de gewezen echtgenoot van degene die op 31 december 1995 ambtenaar is en na die datum overheidswerknemer in de zin van deze wet, wiens echtscheiding voor of uiterlijk op de genoemde datum tot stand is gekomen, worden vastgesteld met inachtneming van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 4 van de Abp-wet, voor het jaar 1995.

Artikel

16

Vervallen

§

4

Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande aanspraken inzake invaliditeitspensioen

Artikel

17

Artikel

18

In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan worden bepaald dat het invaliditeitspensioen of de herplaatsingstoelage, bedoeld in artikel 17, eerste lid, waarop belanghebbende met ingang van 1 januari 1996 aanspraak heeft, wordt aangepast overeenkomstig wijzigingen in het recht op de WAO-conforme uitkering, bedoeld in artikel 32, eerste lid, juncto artikel 37.

Artikel

19

§

5

Verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

§

6

Overgang van het vermogen van het ABP

Artikel

24

Artikel

25

§

7

Het personeel van het ABP

Artikel

26

Artikel

27

Vervallen

§

8

Artikel

28

Vervallen

Artikel

29

Vervallen

Artikel

30

Vervallen

Artikel

31

Vervallen

§

9

Artikel

32

Vervallen

Artikel

32a

Vervallen

Artikel

33

Vervallen

Artikel

34

Vervallen

Artikel

35

Vervallen

Artikel

36

Vervallen

Artikel

37

Vervallen

Artikel

38

Vervallen

Artikel

39

Vervallen

Artikel

40

Vervallen

Artikel

41

Vervallen

Artikel

42

Vervallen

Artikel

43

Vervallen

Artikel

44

Vervallen

Artikel

44a

Vervallen

Artikel

45

Vervallen

§

10

Artikel

46

Vervallen

Artikel

47

Vervallen

Artikel

48

Vervallen

Artikel

49

Vervallen

Artikel

50

Vervallen

Artikel

51

Vervallen

Artikel

52

Vervallen

Artikel

53

Vervallen

§

11

Overige en slotbepalingen

Artikel

54

Vervallen

Artikel

55

Artikel

56

Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de Stichting Verbond Sectorwerkgevers Overheid aangemerkt als werkgeversvereniging.

Artikel

57

Vervallen

Artikel

58

Artikel

59

Vervallen

Artikel

60

Vervallen

Artikel

61

Artikel

63

Vervallen

Artikel

64

Vervallen

Artikel

65

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

66

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

66a

Artikel

67

Vervallen

Artikel

68

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

69

Wijzigt deze wet.

Artikel

70

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

71

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

72

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

73

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

74

Artikel

75

Artikel

76

Vervallen

Artikel

77

Ingetrokken worden:

  • a.

    de Abp-wet;

  • b.

    de Hoofdstukken G en H van de Amp-wet;

  • c.

    de Militaire Weduwenwet 1922;

  • d.

    het tweede hoofdstuk van de Pensioenwet voor de landmacht 1922, alsmede artikel 76 van die wet, voor zover dat betrekking heeft op het pensioen voor nagelaten betrekkingen;

  • e.

    het tweede hoofdstuk van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922, alsmede artikel 77 van die wet, voor zover dat betrekking heeft op het pensioen voor nagelaten betrekkingen;

  • f.

    het tweede hoofdstuk van de Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923, alsmede artikel 55 van die wet, voor zover dat betrekking heeft op het pensioen voor nagelaten betrekkingen;

  • g.

    het tweede hoofdstuk van de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve 1923, alsmede artikel 55 van die wet, voor zover dat betrekking heeft op het pensioen voor nagelaten betrekkingen;

  • h.

    artikel 8 van de Bijzondere pensioenwet reserve-personeel landmacht (Stb. 1949, J 344);

  • i.

    artikel 4 van de Pensioenwet voor de vrijwilligers bij de landstorm 1925;

  • j.

    artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen 1914-1918 (Stb. 1948, I 496);

  • k.

    het tweede lid van artikel 2 van de Wet van 4 november 1950 tot nadere vaststelling van de regelingen op het gebied van militaire pensioenen, welke gedurende de vijandelijke bezetting zijn uitgevaardigd, zomede nadere wijziging van verschillende wetten, welke regelen geven inzake militair pensioen (Stb. 1950, K 479);

  • l.

    de artikelen 7 en 8 van de Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956;

  • m.

    artikel 5 van de wet van 22 december 1938, tot wijziging en aanvulling van de Pensioenwet voor officieren der Koninklijke marine-reserve, die zich - ter aanvulling van een bij de Koninklijke Marine bestaand tekort aan beroepsofficieren - krachtens een daartoe door hen gesloten vrijwillige verbintenis voor onbepaalde tijd in actieven dienst bevinden, alsmede voor hunne weduwen en weezen (Stb. 1938, 504).

Artikel

79

Deze wet wordt aangehaald als: Wet privatisering ABP.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken, H. F. Dijkstal
De Staatssecretaris van Defensie, J. C. Gmelich Meijling
De Minister van Financiën, G. Zalm
De Minister van Justitie, W. Sorgdrager