ARTIKEL
I
Wijzigt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
artikel 6 van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) en
Hebben goedgevonden en verstaan:
Wijzigt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Voor zover de onderdelen C en D van artikel I aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 die ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te geven richtlijn.
Voor zover de onderdelen A, C en D van artikel I aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
De bij de onderdelen A, C en D van artikel I aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.
De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen worden vervangen door onderscheidenlijk f 17 566,00 en f 16 471,00.
De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) worden vervangen door f 17 566,00, f 16 471,00 en f 15 444,00;
De bedragen, genoemd in artikel 4, eerste lid, van voornoemde wet van 11 september 1964 worden vervangen door onderscheidenlijk f 17 566,00 en f 15 444,00.
De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman worden vervangen door onderscheidenlijk f 17 566,00 en f 15 444,00.
In afwijking van artikel 20a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bedraagt de eindejaarsuitkering in 1997 en in 1998 0,8% van het salaris dat de ambtenaar geniet in het jaar 1997 respectievelijk in het jaar 1998.
Het Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel wordt ingetrokken.
Hoofdstuk I van dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt gepubliceerd en werkt terug
voor wat betreft paragraaf 1 tot en met 1 mei 1997;
voor wat betreft paragraaf 2 tot en met 1 januari 1997.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.