Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Besluit:

Paragraaf

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

Paragraaf

2

Afwijkingen van de artikelen 17, tweede lid, en 32, eerste lid, van de wet en van artikel D4, eerste lid, van bijlage D bij de wet

Artikel

2

Artikel

2a

Artikel

2b

Indien een bedrijf waarop artikel 22 van de wet van toepassing is gier met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5% afkomstig van konijnen aanvoert of afvoert, kan in afwijking van artikel D4, eerste lid, van bijlage D bij de wet, de hoeveelheid van deze aangevoerde of afgevoerde dierlijke meststoffen worden vastgesteld op basis van het gewicht en de forfaitaire omrekennormen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat en stikstof per 1000 kilogram dierlijke meststof, die zijn opgenomen in onderdeel X, onder 29, van bijlage C bij de wet en is artikel 5, eerste lid, niet van toepassing.

Artikel

2c

Artikel

2d

Artikel

2e

Paragraaf

3

Regels ten aanzien van de bepaling van het gewicht, de bemonstering en de analyse van dierlijke meststoffen op basis van de artikelen 52 en 53, onderdeel d, van de wet

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

7a

Vervallen

Artikel

8

Artikel

9

Paragraaf

4

Regels ten aanzien van de bepaling van het gewicht van andere meststoffen, voer, dieren en dierlijke producten op basis van de artikelen 52 en 53, onderdeel d, van de wet

Artikel

10

Paragraaf

4a

Regels ten aanzien van de bepaling van het gewicht van andere meststoffen, voer, dieren en dierlijke producten op basis van de artikelen 52 en 53, onderdeel d, van de wet

Artikel

10a

Paragraaf

5

Regels ter uitvoering van het Besluit opslagcapaciteit dierlijke meststoffen Meststoffenwet

Artikel

10c

Paragraaf

6

Slotbepalingen

Artikel

11

Vervallen

Artikel

12

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J.J. vanAartsen

Bijlage

1

Vervallen

Bijlage

2

behorende bij de Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen

A

Bemonstering van vloeibare dierlijke meststoffen

B

Bemonstering van vaste dierlijke meststoffen

C

Verpakking, bewaring en verzending van de inzendmonsters

Bijlage

3

behorende bij de Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen Technische specificaties bemonsteringsapparatuur

Technische specificaties bemonsteringsapparatuur

1

Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur vloeibare dierlijke meststoffen

De apparatuur die wordt gebruikt en de methodiek die wordt toegepast voor de bemonstering van vloeibare dierlijke meststoffen, moeten in ieder geval voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a.

    per vracht wordt een monster verzameld van ten minste 650 milliliter;

  • b.

    de samenstelling van het tapmonster ten aanzien van fosfor en stikstof wijkt niet systematisch af van de gemiddelde samenstelling van de vracht;

  • c.

    de toevallige afwijking tussen de samenstelling van het tapmonster en de gemiddelde samenstelling van de vracht vloeibare dierlijke meststoffen bedraagt minder dan 15% (2s-interval);

  • d.

    zowel bij het laden als tijdens het lossen kan een tapmonster worden genomen.

2

Zijbuisapparaat (figuur)

Schematische weergave van het zijbuisapparaat, hier uitgevoerd als koppelstuk.

  • a.

    Door een draaiende beweging neemt een holle, gedeeltelijk opengewerkte buis een portie mest uit de meststroom van of naar de transporttank. Na het openen van de afsluiter onder aan de buis drukt de uitdrukstaaf de mest in de monsterverpakking.

    Bij de geautomatiseerde monsterneming wordt het zijbuisapparaat aangestuurd door een microprocessor. Het laadproces wordt door een sensor in de tank of in de directe omgeving daarvan gevolgd en doorgegeven aan de microprocessor. Bij een vullingsgraad van 20, 35, 50, 65 en 80 % van de tank wordt een tapmonster genomen.

  • b.

    Het zijbuisapparaat wordt gevormd door twee nauw in elkaar passende en deels opengewerkte buizen. De technische specificaties van voornoemde onderdelen zijn opgenomen in tabel 2.

    De monsterkamer wordt aan de bovenzijde begrensd door de uitdrukstaaf en aan de onderzijde door een afsluiter. De afstand tussen beide onderdelen is zodanig dat een monsterkamervolume van ca. 150 ml ontstaat.

  • c.

    Wijze van inbouw

    De zijbuisapparatuur is bestendig bevestigd op het transportmiddel en de inbouw van de apparatuur geschiedt zodanig dat alle te bemonsteren dierlijke meststoffen via het bemonsteringsapparaat de transporttank verlaten, danwel de transporttank ingaan, al naargelang het tapmonster wordt genomen bij lossen of het laden van dierlijke meststoffen. Het inbouwen van geautomatiseerde zijbuisapparatuur vindt plaats in horizontale mestleidingen, waarbij het apparaat verticaal wordt geplaatst.

Technische specificaties onderdelen zijbuisapparaat

Benaming

toegepaste

onderdeel

passing

materiaal

Opmerkingen

(richtlijn)

netto maat

(richtlijn)

Draaibuis

178

aan buiten

brons

ø50g6

ø50/44 lg

onderrand

kant

afschuinen =0.5

buitenbuis

RVS 304

ø62/50 lg

181

ø50H7

uitdrukstaaf

-0.5

HMPE

ø44 lg 503

3

Steeklans (figuur)

Schematische weergave en dwarsdoorsnede van de te gebruiken steeklans. Met A wordt bedoeld de monstergoot, met B wordt bedoeld het monsterdeksel

Technische uitvoering

De steeklans is vervaardigd van roestvrij staal en bestaat uit een monstergoot en een monsterdeksel. De effectieve lengte van de steeklans bedraagt ongeveer 2 meter. De steeklans is uitgevoerd met een harde aangescherpte punt.

Ter indicatie wordt vermeld dat de goot een diepte heeft van circa 3 centimeter en een breedte van circa 4 centimeter. De daadwerkelijke afmetingen mogen maximaal 50% afwijken van deze indicatieve afmetingen.

4

Vijzelboor (figuur)

Technische uitvoering

De handbediende vijzelboor bestaat uit een vijzel, die over nagenoeg de gehele lengte wordt omhuld door een buis. Voor de aandrijving wordt een links- en rechtsdraaiende boormachine van circa 750 Watt gebruikt. Voor de starre verbinding tussen de buis en de boormachine wordt gebruik gemaakt van een koppelstuk, passend over de boorkop. In tabel 3 zijn technische details van de desbetreffende onderdelen opgenomen.

In geval van een (half)automatische uitvoering van de vijzelboor geschiedt het inbrengen en het uittrekken van de vijzelboor met behulp van motoren.

Bij een volledig geautomatiseerde opstelling bepaalt de aansturende microprocessor de plaats(en) waar bemonsterd moet worden. De lengte van de vijzel en de buis moet minimaal overeenkomen met de lengte opgenomen in Tabel 3. De lengte van de vijzel en de buis moet voorts dusdanig zijn dat de bodem van de gebruikte container kan worden bereikt.

Technische details van onderdelen van de vijzelboor

Onderdeel

Afmetingen

Materiaal (richtlijn)

Opmerkingen

vijzel

Lengte 1,5 m

Diameter 24 mm

Kern 10 mm

Spoed 14 mm

Plaatdikte 1,5 mm

Brons

Buis

Lengte 1,4 m

Inw. diameter

25 mm

Wanddikte

RVS 304

1,5 mm

RVS 304

Koppelstuk

Bepaald door

afmetingen

boorkop

Boormachine

Vermogen ca

750 Watt, links-

en rechtsdraaiend

5

Bemonsteringsapparaat gebaseerd op het zuigerprincipe (figuur)

Schematische weergave van het bemonsteringsapparaat in verschillende werkingstoestanden

Bijlage

5

behorende bij de Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen

Technische specificaties verpakkingsapparatuur en monsterverpakking

1

Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur vloeibare dierlijke meststoffen

De apparatuur die wordt gebruikt voor de verpakking van door een automatisch monsterapparaat genomen monster voldoet in elk geval aan de volgende prestatiekenmerken:

  • a.

    Een technische voorziening waarborgt dat het verpakkingsapparaat tijdens de bemonstering verbonden is met een automatisch bemonsteringsapparaat van het zijbuistype, bedoeld in punt 3, onder 2, of met het automatisch bemonsteringsapparaat gebaseerd op het zuigerprincipe, genoemd in punt 5.

  • b.

    Een voorziening waarborgt dat de monsterverpakking schoon is voordat het tapmonster kan worden genomen.

  • c.

    Het proces van bemonstering door middel van het monsterapparaat en de opslag door middel van het verpakkingsapparaat is geheel geautomatiseerd en technische voorzieningen waarborgen dat beïnvloeding van buitenaf niet mogelijk is en dat uitsluitend meststoffen afkomstig van het bemonsteringsapparaat in de verpakking worden opgenomen.

  • d.

    De met mest gevulde monsterverpakking die door het apparaat wordt afgeleverd is zodanig gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging kan worden geopend en aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kan worden.

2

Werkingsprincipe verpakkingsapparaat van het kabinettype

Door middel van een mechanische zwaaiarm wordt de monsterpot, bedoeld in bijlage 2, onderdeel C, onder punt 1, onder de vulopening van het bemonsteringsapparaat geklemd. Nadat de bij de monsterpot behorende deksel in het apparaat is ingebracht wordt de deur van het kabinet gesloten. De tapmonsters worden genomen nadat een camera-inspectiesysteem heeft vastgesteld dat de monsterpot en de deksel schoon en droog zijn en is vastgesteld dat de deur van het kabinet is gesloten. Nadat de bemonstering heeft plaatsgevonden, wordt de monsterpot verplaatst naar de inspectiepositie alwaar de zwaaiarm de deksel op de monsterpot drukt, zodat de verpakking wordt gesloten. Vervolgens wordt de deur van het kabinet vrijgegeven, zodat de gevulde en gesloten monsterpot kan worden uitgenomen.

3

Werkingsprincipe verpakkingsapparaat van het sealtype

Het verpakkingsapparaat maakt van twee vellen doorzichtige folie door middel van verhitting van twee U-vormige sealbalken een zak die aan drie zijden gesloten is. Deze zak wordt via de open zijde van boven gevuld met de tapmonsters. Vervolgens wordt de gevulde sealzak naar beneden getrokken, waarna de resterende opening wordt gesloten (geseald). Hierna wordt de folie wederom met de hand naar beneden getransporteerd en wordt de volgende zak gevormd. De afstand waarover de zak naar beneden getrokken wordt, wordt door het verpakkingsapparaat zelf begrensd met behulp van een sensor in het verpakkingsapparaat en door markeringsblokjes op de folie. De gevulde en gesloten monsterzak wordt met behulp van een mes losgesneden.

Bijlage

6

behorende bij de Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen

Bos Taurus (Rund)

Melkproductie in kg per koe per kalenderjaar

– Melk- en kalfkoeien (alle koeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden; ook koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken)

tot 6.000 kg

11,6

4,4

6.001 kg tot 7.000 kg

12,6

4,8

7.001 kg tot 8.000 kg

13,5

5,1

8.001 kg tot 9.000 kg

14,4

5,5

9.001 kg tot 10.000 kg

15,4

5,8

meer dan 10.000 kg

16,5

6,2

– Jongvee jonger dan 1 jaar (alle runderen jonger dan 1 jaar met uitzondering van startkalveren, witvleeskalveren, rosevleeskalveren en vleesstieren)

3,6

1,8

– Jongvee van 1 jaar en ouder (alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren)

7,7

3,8

– Witvleeskalveren van ca. 14 dagen tot ca. 6 maanden (kalveren van ca. 14 dagen en ouder die gehouden worden op een rantsoen van hoofdzakelijk melk en op een leeftijd van ca. 6 maanden worden geslacht)

1,6

a

– Rosevleeskalveren van ca. 14 dagen tot ca. 8 maanden (kalveren van ca. 14 dagen en ouder die gehouden worden op een rantsoen van melk en andere voeders en op een leeftijd van ca. 8 maanden worden geslacht)

2,2

a Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen vaste mest wordt geproduceerd. In het geval er wel vaste mest wordt geproduceerd, geldt het forfait van drijfmest ook voor de vaste mest.

– Startkalveren voor rosevlees (kalveren van ca. 14 dagen tot ca. 3 maanden die op gespecialiseerde bedrijven worden gehouden en vervolgens op een ander bedrijf als rosevleeskalf worden gehouden)

1,1

a Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen vaste mest wordt geproduceerd. In het geval er wel vaste mest wordt geproduceerd, geldt het forfait van drijfmest ook voor de vaste mest.

– Rosevleeskalveren van ca. 3 maanden tot ca. 8 maanden (kalveren van ca. 3 maanden en ouder die hiervoor zijn gehouden als startkalf, gehouden worden op een rantsoen van melk en andere voeders en op een leeftijd van ca. 8 maanden worden geslacht)

2,4

a Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen vaste mest wordt geproduceerd. In het geval er wel vaste mest wordt geproduceerd, geldt het forfait van drijfmest ook voor de vaste mest.

– Startkalveren voor roodvlees (kalveren van ca. 14 dagen tot ca. 3 maanden die op gespecialiseerde bedrijven worden gehouden en vervolgens op een ander bedrijf als roodvleesstier gehouden worden)

1,1

– Roodvleesstieren van ca. 3 maanden tot ca. 18 maanden (stieren en ossen van 3 maanden en ouder die hiervoor zijn gehouden als startkalf en op een leeftijd van ca. 18 maanden worden geslacht)

3,4

1,8

– Weide- en zoogkoeien (koeien die tenminste éénmaal hebben gekalfd niet zijnde melk- en kalfkoeien)

9,1

4,3

– Fokstieren (stieren van 2 jaar en ouder)

5,9

a Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen vaste mest wordt geproduceerd. In het geval er wel vaste mest wordt geproduceerd, geldt het forfait van drijfmest ook voor de vaste mest.

Ovis Aries (Schaap)

Fokschapen (alle vrouwelijke schapen die ten minste éénmaal hebben gelammerd, inclusief alle schapen tot een gewicht van ca. 25 kg voor zover gehouden op het bedrijf waar deze schapen geboren zijn)

0,41

a Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen vaste mest wordt geproduceerd. In het geval er wel vaste mest wordt geproduceerd, geldt het forfait van drijfmest ook voor de vaste mest.

Capra hircus (Geit)

– Melkgeiten (alle vrouwelijke geiten die ten minste éénmaal hebben gelammerd, inclusief alle bokken van 7 maanden en ouder)

0,62

a Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen vaste mest wordt geproduceerd. In het geval er wel vaste mest wordt geproduceerd, geldt het forfait van drijfmest ook voor de vaste mest.

– Vleesgeiten (geiten die gehouden worden om te worden geslacht op een gewicht van ca. 25 kg)

0,05

a Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen vaste mest wordt geproduceerd. In het geval er wel vaste mest wordt geproduceerd, geldt het forfait van drijfmest ook voor de vaste mest.

– Overige geiten

0,34

a Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen vaste mest wordt geproduceerd. In het geval er wel vaste mest wordt geproduceerd, geldt het forfait van drijfmest ook voor de vaste mest.

Equus caballus (Paard)

– Paarden en pony’s van 6 maanden en ouder en een gewicht tot ca. 250 kg

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

2,3

– Paarden en pony’s van 6 maanden en ouder en een gewicht van ca. 250 kg tot ca. 450 kg

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

3,5

– Paarden en pony’s van 6 maanden en ouder een gewicht zwaarder dan ca. 450 kg

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

6,7

Equus asinus (Ezel)

Alle ezels van 6 maanden en ouder

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

2,3

Cervus elaphus (Middeneuropees edelhert)

– Hinden gehouden voor de fokkerij inclusief kalveren jonger dan 3 maanden en bijbehorende bokken

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

1,2

– Dieren van 3 maanden en ouder die worden gehouden om te worden geslacht

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,79

Cervus dama dama (Damhert)

– Hinden gehouden voor de fokkerij inclusief kalveren jonger dan 3 maanden en bijbehorende bokken

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,63

– Dieren van 3 maanden en ouder die worden gehouden om te worden geslacht

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,39

Bubalis bubalis (Waterbuffel)

– Waterbuffelkoeien (alle waterbuffelkoeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden; ook waterbuffelkoeien die drooggezet zijn of worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

9,4

– Waterbuffeljongvee (alle jongvee van waterbuffels tot een leeftijd van 2 jaar)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

3,5

Sus scrofa (Varken)

– Fokzeugen inclusief biggen jonger dan 6 weken (ten minste éénmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen, guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, zeugen waarvan de biggen gespeend zijn en waarvan de biggen ca. 6 weken na hun geboorte aan een ander bedrijf worden geleverd)

1,2

0,88

– Fokzeugen inclusief biggen tot een gewicht van 25 kg (ten minste éénmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen, guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, waarvan de biggen worden gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg; ook fokzeugen waarvan de biggen op het eigen bedrijf worden gehouden)

2,1

1,7

– Opfokzeugen jonger dan 7 maanden (jonge zeugen, nooit gedekt of geïnsemineerd, gehouden voor de fokkerij van ca. 25 kg tot ca. 7 maanden; ook aangeleverde opfokzeugen van ca. 25 kg die worden afgeleverd op ca. 7 maanden of iets ouder; ook opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van exact 25 kg, die worden afgeleverd op ca. 7 maanden)

0,85

0,65

– Opfokzeugen van 7 maanden en ouder (jonge zeugen, nooit gedekt of geïnsemineerd, gehouden voor de fokkerij van ca. 7 maanden tot de eerste dekking; ook opfokzeugen die zijn aangeleverd op ca. 7 maanden of iets jonger, tot de eerste dekking)

1,1

0,87

– Opfokzeugen vanaf een gewicht van 25 kg tot eerste dekking (jonge zeugen, nooit gedekt of geïnsemineerd, gehouden voor de fokkerij van ca. 25 kg tot de eerste dekking; opfokzeugen die zijn aangeleverd op ca. 25 kg, die niet op 7 maanden worden afgeleverd, maar worden aangehouden tot de eerste dekking; ook opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf die worden aangehouden van exact 25 kg tot de eerste dekking)

0,78

0,69

– Opfokberen (jonge nog niet dekrijpe beren, die worden aangehouden voor de fokkerij, van ca. 25 kg tot ca. 7 maanden of iets ouder; ook beren afkomstig van het eigen bedrijf vanaf exact 25 kg)

0,81

0,63

– Dekberen (dekrijpe beren – ook zoekberen – van ca. 7 maanden en ouder; ook aangeleverde beren van iets jonger dan 7 maanden, ook beren afkomstig van het eigen bedrijf te rekenen vanaf exact 7 maanden)

1,5

1,1

– Biggen (gespeende biggen die op ca. 6 weken zijn aangeleverd en worden afgeleverd op ca. 25 kg; ook op 6 weken aangeleverde biggen die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij, tot exact 25 kg)

0,26

0,21

– Slachtzeugen (zeugen die niet meer gebruikt worden voor de fokkerij, maar worden afgemest)

1,8

1,4

– Vleesvarkens (varkens die worden gehouden voor de slacht vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot ca. 110 kg; ook biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf exact 25 kg)

0,64

0,61

Gallus gallus (Kip)

– Opfokhennen en -hanen van legrassen (opfokhennen en -⁠hanen voor de vervanging van hennen en hanen van legrassen, inclusief (groot)ouderdieren, die worden afgeleverd op ca. 18 weken; dieren die op het eigen bedrijf worden aangehouden, worden tot exact 18 weken meegeteld)

drijfmest

0,010

deeppitstal

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,003

mestband

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,007

mestband met nadroging

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,006

volièrestal

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,008

Overig

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,006

– Hennen en hanen van legrassen (hennen en hanen – inclusief (groot)ouderdieren – die zijn aangeleverd op ca. 18 weken; ook van het eigen bedrijf afkomstige hennen en hanen – inclusief (groot)ouderdieren – vanaf exact 18 weken)

Drijfmest

0,021

deeppitstal

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,005

mestband

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,015

mestband met nadroging

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,013

volièrestal

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,015

overig

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,013

– Opfokhennen en -hanen van vleesrassen (opfokhennen en -⁠hanen ter vervanging van (groot)ouderdieren van vleesrassen, die worden afgeleverd op ca. 19 weken; dieren die op het eigen bedrijf worden aangehouden worden tot exact 19 weken meegeteld)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,003

– Ouderdieren van vleesrassen (ouderdieren – inclusief grootouderdieren – van vleesrassen, die zijn aangeleverd op ca. 19 weken; ook van het eigen bedrijf afkomstige (ouder)dieren, vanaf exact 19 weken)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,015

– Vleeskuikens (kippen die worden gehouden voor de slacht)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,009

Meleagris gallopavo (Kalkoen)

– Jonge kalkoenen (hennen en hanen voor de productie van broedeieren van ca. 0 weken tot ca. 6 weken, gehouden op een quarantainebedrijf)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,009

– Opfokkalkoenen (hennen en hanen voor de productie van broedeieren van ca. 6 weken tot ca. 30 weken, gehouden op een opfokbedrijf)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,061

– Kalkoenen ouderdieren (hennen en hanen voor de productie van broedeieren van ca. 30 weken en ouder)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,062

– Vleeskalkoenen (kalkoenen die worden gehouden voor de slacht)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,041

Mustela vison (Nerts)

Fokteven, inclusief niet-gespeende jongen (alle vrouwelijke dieren die ten minste éénmaal zijn gedekt)

0,064

0,033

Vulpes vulpes (Vos)

Fokmoeren, inclusief niet-gespeende jongen (alle vrouwelijke dieren die ten minste éénmaal zijn gedekt)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,039

Oryctolagus cuniculus (Konijn)

Voedsters, inclusief niet-gespeende jongen (alle vrouwelijke dieren die ten minste éénmaal zijn gedekt)

0,290

0,210

Rattus norvegicus (Bruine rat)

Ratten ( alle geslachtsrijpe vrouwelijke ratten)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,020

Mus musculus (Tamme muis)

Muizen (alle geslachtsrijpe vrouwelijke muizen)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,023

Cavia porcellus (Cavia)

Cavia’s (alle geslachtsrijpe vrouwelijke cavia’s)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,046

Mesocricetus auratus (Goudhamster)

Goudhamsters (alle geslachtsrijpe vrouwelijke goudhamsters)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,013

Meriones unguiculatus (Gerbil)

Gerbils (alle geslachtsrijpe vrouwelijke gerbils)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,004

Anas plathyrhynchos (Peking eend)

– Ouderdieren van vleeseenden (opfok- en legeenden)

0,053

0,041

– Vleeseenden (eenden die worden gehouden voor de slacht)

0,039

0,030

Struthio camelus (Struisvogel)

Struisvogels (alle geslachtsrijpe vrouwelijke struisvogels)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,0480

Dromaius novaehollandiae (Emoe)

Emoe’s (alle geslachtsrijpe vrouwelijke emoe’s)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,281

Rhea Americana (Nandoe)

Nandoe’s (alle geslachtsrijpe vrouwelijke nandoe’s)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,197

Anser cygnoides (Knobbelgans)

Knobbelganzen (alle geslachtsrijpe vrouwelijke knobbelganzen)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,022

Anser anser (Grauwe gans)

Grauwe ganzen (alle geslachtsrijpe vrouwelijke grauwe ganzen)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,022

Numida meleagris (Helmparelhoen)

Parelhoenders (alle geslachtsrijpe vrouwelijke parelhoenders)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,008

Phasianus colchicus (Fazant)

Fazanten (alle geslachtsrijpe vrouwelijke fazanten)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,002

Perdix perdix (Patrijs)

Patrijzen (alle geslachtsrijpe vrouwelijke patrijzen)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,002

Columbia livia (Vleesduif)

Duiven (alle geslachtsrijpe vrouwelijke duiven)

b Deze diercategorie wordt vrijwel altijd zo gehouden dat er geen drijfmest wordt geproduceerd. In het geval er wel drijfmest wordt geproduceerd, geldt het forfait van vaste mest ook voor de drijfmest.

0,008