ARTIKEL
I
Wijzigt het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Hebben goedgevonden en verstaan:
Wijzigt het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Wijzigt het Ambtenarenreglement Staten-Generaal.
Wijzigt het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.
Wijzigt het Bezoldingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit 1989.
Wijzigt de Uitkeringsregeling 1966.
Wijzigt het Rijkswachtgeldbesluit 1959.
Wijzigt het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.
In afwijking van artikel 8c, tweede lid, van de Uitkeringsregeling 1966 bedraagt voor de betrokkene die voor of op 1 juli 1997 in tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die ligt op of na 1 januari 1999, onafgebroken in tijdelijke dienst is geweest, de uitkering gedurende de eerste twaalf maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% en vervolgens 70% van de bezoldiging.
In afwijking van artikel 8c van de Uitkeringsregeling 1966 en artikel IX worden de daarin genoemde percentages van 80, 75 en 70 gesteld op respectievelijk 77, 72 en 67 zolang de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657) voor het burgerlijk Rijkspersoneel nog niet is ingetrokken.
Uitkeringen toegekend op grond van de Uitkeringsregeling 1966 ter zake van ontslag, ingaande op een datum gelegen voor 1 januari 1999 blijven gehandhaafd onder de voorwaarden waaronder zij zijn toegekend.
Een toelage die is toegekend krachtens artikel 12b, 18b of 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijft ook na 31 december 1997 gelden tot het moment waarop krachtens het besluit tot toekenning de toelage vervalt dan wel tot het moment dat het bevoegd gezag met betrekking tot die toelage een nadere beslissing heeft genomen, maar niet langer dan tot 1 januari 2000.
Het formulier voor de beëdiging van ambtenaren en bedienden bij de Departementen van Algemeen Bestuur, vastgesteld bij koninklijk besluit van 23 augustus 1920, nr. 293, is niet van toepassing op ambtenaren in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Ambtenarenreglement Staten-Generaal.
Artikel I, onderdeel F, en artikel II, onderdeel F, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 1997.
Artikel I, onderdeel A, B, C, D, E, G, H, J, N, O en P, artikel II, onderdeel A, B, C, D, E, G, H, J, L, M en N, artikel III, onderdeel A, B, C, D, E, I en L, artikel IV, onderdeel A, B, C, E, H, I, J, K en L, artikel V en artikel XII treden in werking met ingang van 1 januari 1998.
Artikel I, onderdeel Q en R, artikel II, onderdeel O en P, artikel III, onderdeel J en K, artikel VI, artikel VII, artikel IX, artikel X en artikel XI treden in werking met ingang van 1 januari 1999.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.