Regeling wijziging constructie

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Wijziging van de inrichting zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister dan wel wijziging van de carrosserie

Titel

1

Wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van een voertuig hetwelk geen volledig dragend chassis heeft

Afdeling

1

Voertuig als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, van het Voertuigreglement, niet zijnde een personenauto waarvan de inrichting wordt gewijzigd naar cabriolet

Artikel

1

Afdeling

2

Personenauto waarvan de inrichting wordt gewijzigd naar cabriolet

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

3

Een personenauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de inrichting.

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

4

Artikel

5

De bovenbouw van een personenauto moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

6

Een personenauto mag:

  • a.

    niet langer zijn dan 12,00 m;

  • b.

    niet breder zijn dan 2,55 m;

  • c.

    niet hoger zijn dan 4,00 m.

Artikel

7

Paragraaf

4

Motor

Artikel

8

Artikel

9

Het uitlaatsysteem van een personenauto met een verbrandingsmotor moet deugdelijk zijn bevestigd.

Artikel

10

Paragraaf

5

Assen

Artikel

11

De assen van een personenauto moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken en scheuren vertonen.

Artikel

12

Artikel

13

De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van een personenauto zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen.

Artikel

14

De spoorbreedte van een personenauto mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister.

Paragraaf

6

Ophanging

Artikel

15

Paragraaf

7

Stuurinrichting

Artikel

16

Paragraaf

8

Reminrichting

Artikel

17

Artikel

18

De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.

Artikel

19

Een personenauto moet zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.

Paragraaf

9

Carrosserie

Artikel

20

Van een personenauto die in gebruik is genomen na 30 september 1971, moeten de scharnieren van opendraaiende zijdeuren aan de langszijden van het voertuig, met uitzondering van vouwdeuren, aan de voorzijde van de deuren zijn aangebracht. Bij dubbele deuren geldt dit voor de deurvleugel die het eerst wordt geopend. De andere deurvleugel moet kunnen worden vergrendeld.

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

De wielen onderscheidenlijk banden van een personenauto mogen niet kunnen aanlopen.

Paragraaf

10

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Paragraaf

11

Diversen

Titel

2

Wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van een voertuig met een volledig dragend chassis

Afdeling

1

Voertuig niet zijnde een bedrijfsauto waarvan de cabine in de oorspronkelijke staat blijft en de wielbasis ongewijzigd blijft alsmede een aanhangwagen waarvan de wielbasis ongewijzigd blijft

Afdeling

2

Bedrijfsauto waarvan de inrichting wordt gewijzigd en waarvan de cabine in de oorspronkelijke staat blijft en de wielbasis ongewijzigd blijft

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

31

In deze afdeling wordt verstaan onder bedrijfsauto: een bedrijfsauto waarvan de inrichting wordt gewijzigd als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, van het Voertuigreglement, doch waarvan de cabine in de oorspronkelijke staat blijft en de wielbasis ongewijzigd blijft.

Artikel

32

Een bedrijfsauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de inrichting;

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

  • d.

    het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

33

Het hart van de opleggerkoppeling van een trekker mag niet achter de achterste as van het voertuig zijn gelegen.

Artikel

34

Artikel

35

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

36

Artikel

37

De afstand van de voorzijde van een bedrijfsauto tot het midden van het stuurwiel mag niet meer bedragen dan 3,50 m.

Artikel

38

Artikel

39

Paragraaf

4

Reminrichting

Artikel

40

Artikel

41

Een bedrijfsauto moet zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.

Paragraaf

5

Carrosserie

Artikel

42

Artikel

43

De wielen onderscheidenlijk banden van een bedrijfsauto mogen niet kunnen aanlopen.

Artikel

44

Een bedrijfsauto moet aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor een bedrijfsauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG (PbEG 6 april 1970, L 76).

Artikel

45

De deuren van een bedrijfsauto moeten goed sluiten.

Artikel

46

Paragraaf

6

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

47

Een bedrijfsauto moet zijn voorzien van:

  • a.

    twee of vier grote lichten;

  • b.

    twee dimlichten;

  • c.

    twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;

  • d.

    twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;

  • e.

    waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen;

  • f.

    één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1995 in gebruik is genomen;

  • g.

    twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;

  • h.

    twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;

  • i.

    een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;

  • j.

    twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, onderscheidenlijk twee driehoekige rode retroreflectoren indien het een geleed motorrijtuig betreft;

  • k.

    één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen;

  • l.

    één of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen;

  • m.

    twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1996 in gebruik is genomen en breder is dan 2,50 m;

  • n.

    zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in de Regeling permanente eisen; deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines;

  • o.

    niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de het bepaalde in de Regeling permanente eisen;

  • p.

    een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor een trekker, een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede in de Regeling permanente eisen aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.

Artikel

48

Artikel

50

Artikel

51

Afdeling

3

Aanhangwagen waarvan de inrichting wordt gewijzigd en waarvan de wielbasis ongewijzigd blijft

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

53

Een aanhangwagen moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de inrichting;

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

  • d.

    het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

54

Een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet voor wat betreft het asstel, de soort koppeling, de dynamische verticale last onder de koppeling en de afstand van het hart van de koppeling tot het hart van het asstel, voldoen aan de Regeling toelatingseisen op grond van artikel 3.7.5 van het Voertuigreglement.

Artikel

55

Artikel

56

Artikel

57

De bedrading van een aanhangwagen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

58

Artikel

59

Artikel

60

Paragraaf

4

Reminrichting

Artikel

61

Paragraaf

5

Carrosserie

Artikel

62

Artikel

63

De wielen onderscheidenlijk banden van een aanhangwagen mogen niet kunnen aanlopen.

Artikel

64

Artikel

65

Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van een aanhangwagen moeten een goede sluiting waarborgen.

Paragraaf

6

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

66

Een aanhangwagen moet zijn voorzien van:

  • a.

    twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en na 30 juni 1967 in gebruik is genomen;

  • b.

    twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;

  • c.

    twee achterlichten;

  • d.

    twee remlichten;

  • e.

    een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;

  • f.

    twee driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;

  • g.

    een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen;

  • h.

    twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen;

  • i.

    niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in de Regeling permanente eisen;

  • j.

    twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1996 in gebruik is genomen en breder is dan 2,50 m;

  • k.

    zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in de Regeling permanente eisen;

  • l.

    een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor een in de Regeling permanente eisen aangewezen aanhangwagen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.

Artikel

67

Artikel

69

Titel

3

Wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten

Artikel

71

Een voertuig als bedoeld in artikel 6.4, derde lid, van het Voertuigreglement, moet indien het betreft een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, welke geen volledig dragend chassis heeft, en het een wijziging van de inrichting betreft die naar het oordeel van de functionaris van de RDW een wezenlijke verzwakking van de voertuigconstructie tot gevolg heeft, mede worden voldaan aan de eisen in hoofdstuk 3 van de Regeling deugdelijkheid en weggedrag.

Hoofdstuk

2

Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto, motorfiets of aanhangwagen met meer dan 1,0%, in het geval van een motorfiets zodanig dat deze meer dan 60 mm afwijkt, van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister

Afdeling

1

Voertuig niet zijnde een personenauto, een bedrijfsauto of een aanhangwagen van elk waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en waarvan de voor- en achteroverbouw ongewijzigd blijven, alsmede een motorfiets met een verlengde voorvork

Artikel

72

Een voertuig als bedoeld in artikel 6.5 van het Voertuigreglement, met uitzondering van een personenauto, een bedrijfsauto of een aanhangwagen van elk waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en waarvan de voor- en achteroverbouw ongewijzigd blijven, alsmede een motorfiets met een verlengde voorvork, moet voldoen aan de eisen opgenomen in de hoofdstukken 3 en 5 van dat reglement met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a tot en met h, van dat artikel.

Afdeling

2

Personenauto waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en waarvan de voor- en achteroverbouw ongewijzigd blijven

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

73

In deze afdeling wordt verstaan onder personenauto: een personenauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, waarvan de wielbasis is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.5 van het Voertuigreglement, doch waarvan de voor- en achteroverbouw ongewijzigd blijven.

Artikel

74

Een personenauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de wielbasis.

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

75

Artikel

76

De bovenbouw van een personenauto moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

77

Een personenauto mag niet langer zijn dan 12,00 m.

Artikel

78

Paragraaf

4

Krachtoverbrenging

Artikel

79

Paragraaf

5

Stuurinrichting

Artikel

80

Paragraaf

6

Reminrichting

Artikel

81

Artikel

82

In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Artikel

83

De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.

Artikel

84

Een personenauto moet zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.

Paragraaf

7

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

85

Artikel

86

Paragraaf

8

Diversen

Afdeling

3

Bedrijfsauto waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en waarvan de voor- en achteroverbouw ongewijzigd blijven

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

89

In deze afdeling wordt verstaan onder bedrijfsauto: een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, waarvan de wielbasis is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.5 van het Voertuigreglement, doch waarvan de voor- en achteroverbouw ongewijzigd blijven.

Artikel

90

Een bedrijfsauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de wielbasis;

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuig deel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

91

Het hart van de opleggerkoppeling van trekkers mag niet achter de achterste as van het voertuig zijn gelegen.

Artikel

92

Artikel

93

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

94

Artikel

95

Artikel

96

Artikel

97

Artikel

98

De last onder de bestuurde as of assen van een bedrijfsauto mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig.

Paragraaf

4

Krachtoverbrenging

Artikel

99

Paragraaf

5

Stuurinrichting

Artikel

100

Paragraaf

6

Reminrichting

Artikel

101

Ten aanzien van kunststofremleidingen en de bevestiging daarvan, is de Regeling toelatingseisen van toepassing.

Artikel

102

Artikel

103

In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Artikel

104

Artikel

105

Artikel

106

De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.

Artikel

107

Een bedrijfsauto moet zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.

Paragraaf

7

De carrosserie voorzover het betreft de bescherming aan de achterzijde en de zijdelingse afscherming

Artikel

108

Paragraaf

8

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

109

Artikel

110

Paragraaf

9

Diversen

Artikel

112

Een voertuig als bedoeld in artikel 6.5 van het Voertuigreglement, moet indien het betreft een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, welke geen volledig dragend chassis heeft, en het een wijziging van de inrichting betreft die naar het oordeel van de functionaris van de RDW een wezenlijke verzwakking van de voertuigconstructie tot gevolg heeft, mede worden voldaan aan de eisen in hoofdstuk 3 van de Regeling deugdelijkheid en weggedrag.

Afdeling

4

Motorfiets waarvan de wielbasis wordt gewijzigd door verlenging van de voorvork

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

113

In deze afdeling wordt verstaan onder motorfiets: een motorfiets waarvan de wielbasis is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.5 van het Voertuigreglement door verlenging van de voorvork.

Artikel

114

Een motorfiets moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de wielbasis.

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;

  • d.

    het merk of de fabrieksaanduiding moet aanwezig zijn.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

115

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

116

Paragraaf

4

Krachtoverbrenging

Artikel

117

De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van een motorfiets moeten deugdelijk zijn bevestigd.

Paragraaf

5

Stuurinrichting

Artikel

118

Een motorfiets moet zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.

Artikel

119

Paragraaf

6

Reminrichting

Artikel

120

Artikel

121

Paragraaf

7

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

122

Een motorfiets moet zijn voorzien van:

  • a.

    een groot licht;

  • b.

    een dimlicht;

  • c.

    richtingaanwijzers, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1996.

Artikel

123

Artikel

124

Paragraaf

8

Diversen

Afdeling

5

Aanhangwagen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en waarvan de voor- en achteroverbouw ongewijzigd blijven

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

127

In deze afdeling wordt verstaan onder aanhangwagen: een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, waarvan wielbasis is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.5 van het Voertuigreglement, doch waarvan de voor- en achteroverbouw ongewijzigd blijven.

Artikel

128

Een aanhangwagen moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de wielbasis;

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

129

Ten aanzien van een middenasaanhangwagen is voor wat betreft het asstel, de soort koppeling, de dynamische verticale last onder de koppeling en de afstand van het hart van de koppeling tot het hart van het asstel, de Regeling toelatingseisen van toepassing.

Artikel

130

Artikel

131

Artikel

132

De bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

133

Artikel

134

Artikel

135

Paragraaf

4

Stuurinrichting

Artikel

136

Artikel

137

Artikel

138

Paragraaf

5

Reminrichting

Artikel

139

Ten aanzien van kunststofremleidingen en de bevestiging daarvan, is de Regeling toelatingseisen van toepassing.

Artikel

140

Artikel

141

Artikel

142

De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.

Artikel

143

Artikel

144

Paragraaf

6

De carrosserie voorzover het betreft de bescherming aan de achterzijde en de zijdelingse afscherming

Artikel

145

Paragraaf

7

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

146

Artikel

147

Hoofdstuk

3

Wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde van een bedrijfsauto met een maximum toegestane massa van meer dan 3500 kg of de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde van een aanhangwagen.

Afdeling

1

Bedrijfsauto waarvan door een wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde de totale lengte en de wielbasis wijzigt of aanhangwagen waarvan door een wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde de wielbasis wijzigt

Afdeling

2

Bedrijfsauto waarvan door een wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde de totale lengte en de wielbasis niet wijzigt

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

150

In deze afdeling wordt verstaan onder bedrijfsauto: een bedrijfsauto als bedoeld in artikel 6.6 van het Voertuigreglement, waarvan door een wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde, de totale lengte en de wielbasis niet wijzigt.

Artikel

151

Een bedrijfsauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde van het voertuig.

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

  • d.

    het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

152

Het hart van de opleggerkoppeling van een trekker mag niet achter de achterste as van het voertuig zijn gelegen.

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

153

De afstand van de voorzijde van een bedrijfsauto tot het midden van het stuurwiel mag niet meer bedragen dan 3,50 m.

Artikel

154

Paragraaf

4

De carrosserie voor zover het betreft de bescherming aan de achterzijde en de zijdelingse afscherming

Artikel

155

Artikel

156

Paragraaf

6

Verbinding tussen motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel

157

Artikel

158

Artikel

159

Indien een bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm:

  • a.

    moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen;

  • b.

    moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed functioneren en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.

Artikel

160

Artikel

161

Afdeling

3

Aanhangwagen waarvan door een wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde de wielbasis niet wijzigt

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

163

In deze afdeling wordt verstaan onder aanhangwagen: een aanhangwagen als bedoeld in artikel 6.6 van het Voertuigreglement, waarvan door een wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde, de wielbasis niet wijzigt.

Artikel

164

Een aanhangwagen moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde van het voertuig.

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

  • d.

    het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

165

Paragraaf

3

De carrosserie voor zover het betreft de bescherming aan de achterzijde en de zijdelingse afscherming

Artikel

166

Artikel

167

Paragraaf

4

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

168

Een aanhangwagen moeten zijn voorzien van:

  • a.

    twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en na 30 juni 1976 in gebruik is genomen;

  • b.

    twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;

  • c.

    twee achterlichten;

  • d.

    twee remlichten

  • e.

    een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;

  • f.

    twee driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;

  • g.

    een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen;

  • h.

    twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen;

  • i.

    niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;

  • j.

    twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1996 in gebruik is genomen en breder is dan 2,50 m;

  • k.

    zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1995 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;

  • l.

    een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor door Onze Minister aangewezen aanhangwagens waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.

Artikel

169

Paragraaf

6

Verbinding tussen motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel

171

Artikel

172

Hoofdstuk

4

Vervanging van de motor door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister, dan wel wijziging van de motorbrandstof van het voertuig.

Titel

1

Vervanging van de motor door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister

Afdeling

1

Personenauto

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

173

In deze afdeling wordt verstaan onder personenauto: een personenauto waarvan de motor is vervangen door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van het Voertuigreglement.

Artikel

174

Een personenauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens met uitzondering van de motorcode.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

175

Paragraaf

3

Motor

Artikel

178

Artikel

179

Het uitlaatsysteem van een personenauto met een verbrandingsmotor moet deugdelijk zijn bevestigd en over de gehele lengte gasdicht zijn met uitzondering van de afwateringsgaatjes.

Artikel

180

Artikel

181

Paragraaf

4

Krachtoverbrenging

Artikel

182

Een personenauto die na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

Artikel

183

Paragraaf

5

Ophanging

Artikel

184

Paragraaf

6

Stuurinrichting

Artikel

185

Paragraaf

7

Reminrichting

Artikel

186

Artikel

187

De bedrijfsrem van een personenauto moet op alle wielen werken.

Artikel

188

Een personenauto moet zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.

Paragraaf

8

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

189

Het dimlicht van een personenauto moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:

  • a.

    het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;

  • b.

    een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;

  • c.

    het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;

  • d.

    indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:

    • moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;

    • mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:

      • a.

        bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel

      • b.

        bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.

Afdeling

2

Bedrijfsauto

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

191

In deze afdeling wordt verstaan onder bedrijfsauto: een bedrijfsauto waarvan de motor is vervangen door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van het Voertuigreglement.

Artikel

192

Een bedrijfsauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens met uitzondering van de motorcode.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

193

Artikel

194

Paragraaf

3

Motor

Artikel

197

Artikel

198

Het uitlaatsysteem van een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor moet deugdelijk zijn bevestigd en over de gehele lengte gasdicht zijn met uitzondering van de afwateringsgaatjes.

Artikel

199

Artikel

200

Paragraaf

4

Krachtoverbrenging

Artikel

201

Een bedrijfsauto die na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

Artikel

202

Paragraaf

5

Ophanging

Artikel

203

Paragraaf

6

Stuurinrichting

Artikel

204

Paragraaf

7

Reminrichting

Artikel

205

Artikel

206

De slag van de drukluchtremcylinders, die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.

Artikel

207

De bedrijfsrem van een bedrijfsauto moet op alle wielen werken.

Artikel

208

Een bedrijfsauto moet zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.

Paragraaf

8

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

209

Het dimlicht van een bedrijfsauto moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:

  • a.

    het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;

  • b.

    een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;

  • c.

    het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;

  • d.

    indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:

    • moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;

    • mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:

      • a.

        bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel

      • b.

        bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.

Afdeling

3

Driewielig motorrijtuig

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

211

In deze afdeling wordt verstaan onder driewielig motorrijtuig: een driewielig motorrijtuig waarvan de motor is vervangen door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister, als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van het Voertuigreglement.

Artikel

212

Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens met uitzondering van de motorcode.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

213

Paragraaf

3

Motor

Artikel

215

Artikel

216

Het uitlaatsysteem van een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor moet deugdelijk zijn bevestigd en over de gehele lengte gasdicht zijn met uitzondering van de afwateringsgaatjes.

Artikel

217

Artikel

218

Paragraaf

4

Krachtoverbrenging

Artikel

219

Een driewielig motorrijtuig, in gebruik genomen na 26 november 1975, moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

Artikel

220

Paragraaf

5

Ophanging

Artikel

221

Paragraaf

6

Stuurinrichting

Artikel

222

Artikel

223

Paragraaf

7

Reminrichting

Artikel

224

Artikel

225

De bedrijfsrem van een driewielig motorrijtuig met een ledige massa van meer dan 400 kg moet op alle wielen werken.

Artikel

226

Een driewielig motorrijtuig moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op tenminste één as werkt.

Paragraaf

8

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

227

Het dimlicht van een driewielig motorrijtuig moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:

  • a.

    het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;

  • b.

    een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;

  • c.

    het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;

  • d.

    indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:

    • moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;

    • mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:

      • a.

        bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel

      • b.

        bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.

Titel

2

Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig, anders dan in- of uitbouw van een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof verdicht gas

Titel

3

Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al of niet tot vloeistof verdicht gas

Afdeling

1

Motorfiets

Artikel

230

Een motorfiets waarvan de motorbrandstof wordt gewijzigd als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, van het Voertuigreglement, moet voldoen aan de eisen opgenomen in de hoofdstukken 3 en 5 van dat reglement met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, van dat artikel.

Afdeling

2

Personenauto

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

232

Een personenauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijk bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de motorbrandstof.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

233

Paragraaf

3

Motor

Artikel

234

De onderdelen van het brandstofsysteem, alsmede de bevestiging daarvan, van een personenauto die is voorzien van een motor die wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, niet zijnde LPG, alsmede het brandstofsysteem van een personenauto die is voorzien van een motor die wordt gevoed door LPG, moeten voldoen aan de Regeling toelatingseisen.

Artikel

237

Paragraaf

4

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

238

Afdeling

3

Bedrijfsauto

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

240

Een bedrijfsauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijk bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de motorbrandstof.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

241

Paragraaf

3

Motor

Artikel

242

De onderdelen van het brandstofsysteem, alsmede de bevestiging daarvan, van een bedrijfsauto die is voorzien van een motor die wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, niet zijnde LPG, alsmede het brandstofsysteem van een bedrijfsauto die is voorzien van een motor die wordt gevoed door LPG, moeten voldoen aan de Regeling toelatingseisen.

Artikel

245

Paragraaf

4

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

246

Afdeling

4

Driewielig motorrijtuig

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

248

Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijk bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de motorbrandstof.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

249

Paragraaf

3

Motor

Artikel

250

De onderdelen van het brandstofsysteem, alsmede de bevestiging daarvan, van een driewielig motorrijtuig dat is voorzien van een motor die wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, niet zijnde LPG, alsmede het brandstofsysteem van een driewielig motorrijtuig dat is voorzien van een motor die wordt gevoed door LPG, moeten voldoen aan de Regeling toelatingseisen.

Artikel

252

Paragraaf

4

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

253

Titel

4

Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel

Artikel

254

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.7, derde lid, van het Voertuigreglement, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

  • a.

    de LPG-tank inclusief alle aansluitingen;

  • b.

    de automatische afsluitklep;

  • c.

    het gasmengstuk of inspuitstuk;

  • d.

    de gasleiding, met uitzondering van het gedeelte dat rechtstreeks vast tegen de onderzijde van het voertuig is bevestigd;

  • e.

    de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, met uitzondering van de uitlaatstift bij luchtgekoelde motoren; en

  • f.

    de vulaansluiting, tenzij deze definitief is afgeplugd.

Artikel

255

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.7, derde lid, van het Voertuigreglement, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

  • a.

    de CNG-tank inclusief alle aansluitingen;

  • b.

    de automatische afsluitklep;

  • c.

    het gasmengstuk of inspuitstuk;

  • d.

    de gasleiding, met uitzondering van het gedeelte dat rechtstreeks vast tegen de onderzijde van het voertuig is bevestigd;

  • e.

    de warmtewisselaar/drukregelaar, al dan niet gecombineerd; en

  • f.

    de vulaansluiting, tenzij deze definitief is afgeplugd.

Hoofdstuk

5

Wijziging van het aantal assen

Hoofdstuk

6

Vergroting van de spoorbreedte van een personenauto en van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, met meer dan 2% van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister

Afdeling

1

Personenauto

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

258

Een personenauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de spoorbreedte.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

259

Een personenauto's mag niet breder zijn dan 2,55 m.

Paragraaf

3

Assen

Artikel

260

Artikel

261

Artikel

262

Artikel

263

Artikel

264

De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van een personenauto zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen.

Artikel

265

Paragraaf

4

Ophanging

Artikel

266

Artikel

267

Artikel

268

Paragraaf

5

Stuurinrichting

Artikel

269

Paragraaf

6

Reminrichting

Artikel

270

Artikel

271

Paragraaf

7

Carrosserie

Artikel

272

Artikel

273

De wielen onderscheidenlijk banden van een personenauto mogen niet kunnen aanlopen.

Artikel

274

Paragraaf

8

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

275

Afdeling

2

Bedrijfsauto

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

278

Een bedrijfsauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de spoorbreedte.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

279

Een bedrijfsauto mag niet breder zijn dan 2,55 m.

Paragraaf

3

Assen

Artikel

280

Artikel

281

Artikel

282

Artikel

283

Artikel

284

De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van een bedrijfsauto zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen.

Artikel

285

Paragraaf

4

Ophanging

Artikel

286

Artikel

287

Artikel

288

Paragraaf

5

Stuurinrichting

Artikel

289

Artikel

290

Paragraaf

6

Reminrichting

Artikel

291

Artikel

292

Paragraaf

7

Carrosserie

Artikel

293

De wielen van een bedrijfsauto moeten deugdelijk zijn afgeschermd overeenkomstig het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.

Artikel

294

De wielen onderscheidenlijk banden van een bedrijfsauto mogen niet kunnen aanlopen.

Artikel

295

Paragraaf

8

Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel

296

Hoofdstuk

7

Wijziging van het remsysteem ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte

Artikel

298

Een voertuig als bedoeld in artikel 6.10 van het Voertuigreglement, moet voldoen aan de eisen opgenomen in hoofdstukken 3 en 5 van dat reglement omtrent de reminrichting met uitzondering van richtlijn 71/230/EEG (PbEG 6 september 1971, L 202) voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van het remsysteem door een gehandicapte.

Hoofdstuk

8

Wijziging van de stuurinrichting ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte

Hoofdstuk

9

Aanbrengen van een koppelinrichting van een bedrijfsauto, welke koppeling is bestemd voor het voortbewegen van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

301

Een bedrijfsauto moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de koppelrichting.

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

  • d.

    het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.

Paragraaf

2

Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel

302

Het hart van de opleggerkoppeling van een trekker mag niet achter de achterste as van het voertuig zijn gelegen.

Artikel

303

Paragraaf

3

Afmetingen en massa's

Artikel

304

Artikel

305

Paragraaf

4

Reminrichting

Artikel

306

Ten aanzien van kunststof remleidingen en de bevestiging daarvan is de Regeling toelatingseisen van toepassing.

Artikel

307

Artikel

308

In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Artikel

309

Paragraaf

5

Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel

310

Artikel

311

Artikel

312

Indien een bedrijfsauto is voorzien van een kogelkoppeling met een kogel met een nominale diameter van 50 mm:

  • a.

    moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen;

  • b.

    moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.

Artikel

313

Artikel

314

Hoofdstuk

10

Het aanbrengen of verwijderen van een inrichting ten behoeve van het heffen van een as bij een bedrijfsauto of een aanhangwagen die in gebruik is genomen na 31 december 1994.

Afdeling

1

Bedrijfsauto

Afdeling

2

Aanhangwagen

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

318

Een aanhangwagen moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens, met uitzondering van die betreffende de inrichting ten behoeve van het heffen van een as.

Paragraaf

2

Afmetingen en massa's

Artikel

319

Een aanhangwagen mag niet hoger zijn dan 4,00 m.

Artikel

320

Artikel

321

Paragraaf

3

Assen

Artikel

322

Artikel

323

De inrichting voor het heffen van een of meer assen van een samenstel van assen van een aanhangwagen die in gebruik is genomen na 31 maart 1983, dient zodanig te zijn uitgevoerd dat deze inrichting automatisch buiten werking wordt gesteld niet later dan nadat de aslast van een van de op het rijvlak rustende assen van dat samenstel de grootste voor deze as toegestane waarde heeft bereikt.

Artikel

324

Paragraaf

4

Stuurinrichting

Artikel

325

De stuurinrichting van een aanhangwagen die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG (PbEG 18 juni 1970, L 133).

Paragraaf

5

Reminrichting

Artikel

326

Artikel

327

Hoofdstuk

11

Het aanbrengen van een snelheidsbegrenzer in een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik is genomen, dan wel in een bus met een toegestane maximum massa van meer dan 10 000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik is genomen

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

328

Een voertuig als bedoeld in artikel 6.14 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    van deugdelijke bouw en inrichting zijn;

  • b.

    in overeenstemming zijn met de op het voor dat voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent dat voertuig vermelde gegevens;

  • c.

    het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

Paragraaf

2

Krachtoverbrenging

Artikel

329

Artikel

330

De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld op:

  • a.

    maximaal 85 km/h, indien het een bedrijfsauto betreft;

  • b.

    maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft.

Hoofdstuk

12

Wijziging van de toegestane maximum massa van een bedrijfsauto

Artikel

331

Hoofdstuk

13

Slotbepalingen

Artikel

332

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 december 1994, nr. RV 188319, betreffende wijziging constructie (Stcrt. 244), wordt ingetrokken.

Artikel

333

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

334

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling wijziging constructie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage
De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink