Subsidieregeling programma technologie en samenleving

De Minister van Economische Zaken,

Besluit:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

§

2

Aanvragen

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

De minister geeft een beschikking binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

Artikel

9

Artikel

10

De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien de stuurgroep een negatief advies heeft uitgebracht.

Artikel

11

§

3

Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Artikel

12

Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de artikelen 13 en 14 opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 14 opgenomen verplichtingen slechts rusten op de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie is opgetreden. Zij gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

De minister kan aan een ontheffing als bedoeld in artikel 12 voorschriften verbinden.

Artikel

16

De minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot het geven van bekendheid aan het project en de resultaten ervan.

§

4

Voorschotten

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

De minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.

§

5

Subsidievaststelling

Artikel

20

De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

§

6

Slotbepalingen

Artikel

21

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

22

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling programma technologie en samenleving.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 2, 3 en 4, die ter inzage worden gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

's-Gravenhage
De Minister van Economische Zaken, A.Jorritsma-Lebbink

Bijlage

1A

Deelprogramma Leren in de werk-omgeving

Dit deelprogramma beoogt te bevorderen scholing in de werkomgeving te laten plaatsvinden door innovatieve toepassing van educatieve technologie.

Voorstellen voor projecten moeten binnen één van de volgende aandachtsgebieden passen:

  • informatie- en communicatietechnologie als leeromgeving (working along)

  • werkapparatuur en -programmatuur als leeromgeving (working better)

  • samenwerking als leeromgeving (working together)

Onderstaand worden de aandachtsgebieden verder uitgewerkt:

Informatie- en communicatietechnologie als leeromgeving (working along)

Dit aandachtsgebied beoogt te bevorderen dat het leeraanbod op de werkvloer optimaal aansluit bij de behoeften en de werksituatie van de werknemer. Uitgangspunt is een tijd- en plaatsonafhankelijk leren. Drie aspecten zijn aan de orde: een met technologie ondersteunde wegwijzerfunctie aan de hand waarvan werknemers hun eigen employability kunnen bepalen en verhogen, inhoudelijke kennisoverdrachtsmodules via moderne multimedia en ICT-ondersteunde begeleidings- en coachingsfuncties. Idealiter omvat een pilot-project de drie aspecten tezamen.

Werkapparatuur en -programmatuur als leeromgeving working better

Uitgangspunten van dit aandachtsgebied zijn de machines en software die op de werkvloer worden gebruikt. Denkbare pilots zijn de ontwikkeling van interfaces, gericht op het toegankelijker maken van werkapparatuur voor lerende werknemers en, eventueel, werknemers met een arbeidshandicap en de ontwikkeling van interactieve handboeken, ingebouwd in de desbetreffende apparatuur.

Samenwerking als leeromgeving working together

Dit aandachtsgebied is gericht op de toepassing van technologie om communicatie en data-uitwisseling tussen werknemers onderling of werknemers en externen te bevorderen.

De drie aandachtsgebieden zijn ontleend aan het document 'Technologiescan Leren in de werkomgeving' (Senter, 1998, ISBN 90-76250-07-3).

Een goed project is technologisch innovatief, bij voorkeur gericht op lager- en middenkader, oudere werknemers en allochtonen in een MKB-bedrijf, overdraagbaar naar andere bedrijven en bedrijfstakken. Commitment van sociale partners draagt extra bij aan het draagvlak voor een project.

Het deelprogramma wordt begeleid door een projectgroep waaraan de Ministeries van Economische Zaken, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de organisaties FNV, VNO-NCW en MKB-Nederland deelnemen.

Bijlage

1B

Deelprogramma Criminaliteitspreventie

Dit deelprogramma beoogt te bevorderen dat technologieën op een innovatieve wijze worden toegepast om criminaliteitspreventie en -beheersing en veiligheid thuis en in openbare ruimten te bevorderen.

Voorstellen voor (pilot-)projecten moeten binnen één van de volgende aandachtsgebieden passen:

  • sociaal veilig ontwerpen

  • identificatie

  • beveiligingssystemen

  • communicatie met de politie

  • persoonlijke veiligheid

Onderstaand worden de aandachts-gebieden uitgewerkt:

Sociaal veilig ontwerpen

Onderzoek toont een verband tussen de inrichting van de gebouwde omgeving en bepaalde vormen van onveiligheid, zoals vandalisme, inbraak in gebouwen en auto's, diefstal, openbaar geweld en buurtoverlast.

Naast daadwerkelijke onveiligheid, kan de inrichting van de omgeving ook leiden tot gevoelens van onveiligheid. Het voorkómen van onveilige situaties begint op de tekentafel met het zogeheten sociaal veilig ontwerpen.

Identificatie

Er zijn twee vormen van identificatie te onderscheiden: preventieve en repressieve identificatie. Preventieve identificatie richt zich erop te voorkomen dat ongewenste personen toegang krijgen tot zaken die niet voor hen bestemd zijn, zoals banksaldo's, gebouwen en computerbestanden. Personen die toegang wensen, moeten bewijzen dat zij geautoriseerd zijn. Hulpmiddelen voor identificatie zijn onder meer (biometrische) identificatiekaarten en (elektronische) handtekeningen. Bij repressieve identificatie gaat het om het opsporen van daders en gestolen goederen. Beelden uit bijvoorbeeld bewakings-video's kunnen hierbij een rol spelen. Ook het aanbrengen van herkenningstekens en detectiemateriaal kan het opsporen van gestolen goederen ten goede komen.

Beveiligingssystemen

De techniek biedt mogelijkheden om bestaande beveiligingssystemen te verfijnen, uit te breiden en te miniaturiseren. De kwaliteit van een beveiligingssysteem wordt echter bepaald door de zwakste schakel in de beveiligingsketen. Deze keten is opgebouwd uit het beveiligingsadvies, de apparatuur, de installatie en de alarmering.

Communicatie met de Politie

De overheid is voorstander van een integrale aanpak van criminaliteit. Dit betekent dat de politie geacht wordt steeds meer samen te werken met de gemeente en het bedrijfsleven, maar nadrukkelijk ook met de burger. Voor de communicatie en de algehele informatiehuishouding binnen de politie-organisatie wordt steeds vaker een beroep gedaan op elektronische communicatievormen.

Persoonlijke Veiligheid

Uit onderzoek is gebleken dat vrouwen, ouderen en minderheidsgroeperingen zich buitenshuis gemiddeld onveiliger en kwetsbaarder voelen dan andere groeperingen. Ook jongeren blijken zich echter in toenemende mate onveilig te voelen. Door gevoelens van onveiligheid durven sommige mensen 's avonds hun huis niet meer te verlaten. Het is vanuit maatschappelijk oogpunt zeer ongewenst als een steeds grotere groep burgers zich in hun bewegingsvrijheid beperkt voelt, omdat ze bang is om het slachtoffer te worden van criminaliteit. Technologie kan een deeloplossing bieden voor het probleem van persoonlijke veiligheid.

Deze aandachtsgebieden zijn ontleend aan het document 'Dieptescan Criminaliteitspreventie' (Senter, 1998, ISBN 90-76250-04-9).

Van een goed (pilot-)project is de organisatorische inbedding en het financiële draagvlak van tevoren goed beschreven en wordt ook al in het projectplan duidelijk aangegeven hoe het na afloop verder geïntegreerd wordt in de reguliere activiteiten van de meest betrokken actoren. Het project moet dus kunnen rekenen op commitment van de meest betrokken (beleids)-actoren.

Het deelprogramma wordt begeleid door een projectgroep waaraan de Ministeries van Economische Zaken, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie deelnemen. Daarnaast participeren ook organisaties als de Regiecommissie Standaardisatie Politiële Informatievoorziening en het Nederlands Politie Instituut.

Bijlage

1C

Deelprogramma Transmurale zorg

Dit deelprogramma beoogt te bevorderen dat technologieën op zodanig innovatieve wijze worden toegepast dat patiënten eerder op verantwoorde wijze vanuit een intramurale instelling naar huis terug kunnen gaan dan wel langer thuis kunnen blijven alvorens naar een intramurale instelling te moeten gaan.

De transmuralisering van de zorg vereist een intensieve samenwerking tussen huisartsen, thuiszorg en kruisverenigingen enerzijds en specialisten en ziekenhuizen anderzijds.

Met de inzet van technologie worden de mogelijkheden voor diagnose, behandeling, verpleging en verzorging buiten de muren van de instelling uitgebreid en ondersteund. Uitgangspunt daarbij is het verhogen van de kwaliteit van leven van de patiënt en een doelmatiger alternatief van intramurale zorg.

Voorstellen voor projecten moeten binnen één van de volgende aandachtsgebieden passen:

  • informatie- en communicatietechnologie

  • herontwerp van bestaande producten en diensten

  • innovatieve bouwconcepten

Onderstaand worden de aandachts-gebieden uitgewerkt:

Informatie- en Communicatietechnologie (ICT)

Diverse vormen van ICT kunnen worden ingezet om de zorginhoudelijke informatievoorziening en communicatie tussen patiënt en zorgverlener en tussen zorgverleners onderling te ondersteunen. Veelal kan de organisatie van transmurale zorg en de samenwerking tussen verschillende disciplines vergemakkelijkt worden door de toepassing van informatietechnologie.

Herontwerp van producten

Producten en hulpmiddelen die in de ziekenhuisomgeving worden ingezet, zijn zeker niet in alle gevallen geschikt voor gebruik in de thuissituatie. Door verplaatsing van zorg moeten niet alleen producten aangepast worden, maar ook de bijbehorende protocollen. Bij herontwerp moet het eindresultaat een aantrekkelijk, licht en gebruiksvriendelijk product zijn. Voorwaarde hiervoor is een goede specificatie van de (gebruikers)eisen.

Innovatieve bouwconcepten, aangepaste woningen

Het verplaatsen van zorg betekent in sommige gevallen dat de situatie thuis aangepast dient te worden. Afhankelijk van het ziektebeeld en de toestand van de patiënt zijn die aanpassingen meer of minder ingrijpend. Een voorbeeld van dergelijke aanpassingen zijn til- en trapliften. Het aanpassen van bestaande woningen en het ontwikkelen van nieuwe bouwconcepten (bijvoorbeeld flexibele woningen, woningen voor mensen met beperkingen) betreft een aanpak op langere termijn. Dit aandachtsgebied is voornamelijk gericht op het stimuleren van nieuwe concepten en onderzoek naar de wensen en eisen en de haalbaarheid en randvoorwaarden.

Deze aandachtsgebieden zijn ontleend aan het document 'Technologiescan Transmurale zorg' (Senter, 1998, ISBN90-76250-06-5).

Enkele voorbeelden van mogelijke producten binnen deze aandachtsgebieden zijn elektronische distributie van foto- en videobeelden, thuismonitoring, producten voor diabetici, aangepaste meubelen, goed instructie- en voorlichtingsmateriaal (bijvoorbeeld via het Internet of een Intranet), andere toedieningsvormen voor medicijnen.

Een goed projectvoorstel moet duidelijk specificeren wie de doelgroep is, wat de (gebruikers)eisen zijn en hoe de eindgebruiker betrokken wordt bij het realiseren van het project.

Het deelprogramma wordt begeleid door een projectgroep waaraan de Ministeries van Economische Zaken en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport deelnemen. Daarnaast zijn ook Zorg Onderzoek Nederland, TNO Preventie en Gezondheid, Rathenau Instituut en de Stichting Ziekenhuisverplaatste Zorg vertegenwoordigd.

Bijlage

1D

Deelprogramma (Re)integratie in arbeid

Dit deelprogramma beoogt te bevorderen dat technologieën op een innovatieve wijze worden toegepast om (re)integratie van mensen met een arbeidshandicap of een dreigende chronische (beroeps)ziekte in het arbeidsproces te faciliëren.

Voorstellen voor projecten moeten leiden tot fysieke aanpassing van één of meer concrete werkplekken aan de behoeften van werkgevers en werknemers.

Een goed project is technologisch innovatief, draagt bij aan de (re)integratie van een grote groep mensen met een relatief veel voorkomende arbeidshandicap, vindt plaats in een sector die dit arbeidspotentieel uitstekend kan gebruiken en is overdraagbaar naar andere bedrijven en bedrijfstakken. Commitment van sociale partners draagt hier extra aan bij.

Het deelprogramma wordt begeleid door een projectgroep waaraan de Ministeries van Economische Zaken, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deelnemen. Daarnaast zijn ook andere organisaties vertegenwoordigd, zoals werkgevers- en werknemersorganisaties, uitvoerende instellingen en vertegenwoordigers van chronisch zieken, gehandicapten en ouderen.