ARTIKEL
I
WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS
Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.
Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs, enz. (regeling herziening bekostigingsstelsel voortgezet onderwijs).
Ten aanzien van de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs blijven wat de vergoeding voor de exploitatiekosten betreft de op 31 juli 2000 geldende voorschriften van of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs en van of krachtens artikel XV van de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) van kracht met betrekking tot de op 1 augustus 2000 door het Rijk nog niet vastgestelde bedragen, bedragen die nog onderworpen kunnen zijn aan correctie of nog niet uitgekeerde bedragen.
Op bezwaren en beroepen met betrekking tot de toepassing van de voorschriften bedoeld in het eerste lid die zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld voor 1 augustus 2000 of na 31 juli 2000 binnen de bezwaar- onderscheidenlijk beroepstermijn, op grond van de in dat lid bedoelde wettelijke voorschriften, blijven de op 31 juli 2000 geldende voorschriften van toepassing.
Artikel XV, tiende lid, van de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) zoals luidend op 31 juli 2000 is van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van de artikelen 96i en 96j van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend met ingang van 1 augustus 2000, worden bij de vaststelling van uitgaven en inkomsten over het jaar 2000 tevens betrokken de uitgaven en inkomsten, bedoeld in deze artikelen zoals luidend op 31 juli 2000, en met inachtneming van artikel XV van de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) zoals luidend op 31 juli 2000.
Artikel XV, tiende lid, van de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) zoals luidend op 31 juli 2000 is van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het de wijzigingen door deze wet betreft.
Artikel I, onderdelen B, E en F, en de artikelen III, IV en V, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
Artikel 86 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, is voor de eerste maal van toepassing met betrekking tot het schooljaar 1999–2000, met uitzondering van het eerste lid, onder e, dat voor de eerste maal van toepassing is met betrekking tot het schooljaar 2000–2001.
Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 januari 1999, gelden in afwijking van het tweede en vierde lid de volgende voorschriften:
artikel I, onderdelen C en D, en artikel II, treden in werking met ingang van 1 augustus 2000;
artikel 86 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, is voor de eerste maal van toepassing met betrekking tot het schooljaar 2000–2001;
in artikel III, eerste, tweede en derde lid, en artikel IV, eerste en tweede lid, geldt in plaats van «31 juli 1999»: 31 juli 2000;
in artikel III, eerste en tweede lid, en artikel IV, eerste lid, geldt in plaats van «1 augustus 1999»: 1 augustus 2000;
in artikel IV, eerste lid, geldt in plaats van «het jaar 1999»: het jaar 2000.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.