Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening

Wijzigingswet Wet op de Ruimtelijke Ordening (1999)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan te passen aan de uitkomsten van de evaluatie en voorts op enige andere punten te repareren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

Wijzigt de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Artikel

II

Wijzigt de Woningwet.

Artikel

III

Wijzigt de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.

Artikel

IV

Wijzigt de onteigeningswet.

Artikel

V

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel

VI

Artikel

VII

Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wijzigingen in de praktijk.

Artikel

VIII

De tekst van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing past Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de aanduiding van de provinciale bestuursorganen aan aan die van de Provinciewet.

Artikel

IX

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J. P. Pronk
De Minister van Justitie, A. H. Korthals