Wet van 5 juli 1962, houdende vaststelling van nieuwe voorschriften omtrent de ruimtelijke ordening

Wet op de Ruimtelijke Ordening

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is bij de wet nieuwe voorschriften omtrent de ruimtelijke ordening vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

I

Begripsomschrijving

Artikel

1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

planologische kernbeslissing: een plan als bedoeld in artikel 2a;

concrete beleidsbeslissing: een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan;

Onze projectminister: Onze minister die overeenkomstig artikel 39a, eerste lid, als zodanig is aangewezen;

rijksprojectbesluit: besluit als bedoeld in artikel 39b;

inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar.

Hoofdstuk

II

Rijks planologisch beleid

Artikel

2

Artikel

2a

Artikel

2b

Artikel

2c

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het bepaalde in de artikelen 2a en 2b.

Artikel

3

Artikel

3a

De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur treden niet eerder in werking dan twee maanden na de dagtekening van het Staatsblad, waarin de desbetreffende besluiten zijn geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld aan de Staten-Generaal mededeling gedaan.

Hoofdstuk

III

Provinciaal planologisch beleid

Artikel

4

Artikel

4a

Artikel

4b

Artikel

5

Artikel

6

Hoofdstuk

IV

Gemeentelijk planologisch beleid

Afdeling

1

Het betrekken van de bevolking bij de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen

Artikel

6a

Vervallen

Afdeling

2

Structuurplannen

Artikel

7

Artikel

9

De vaststelling van het structuurplan wordt bekendgemaakt door het besluit tot vaststelling samen met het structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter gemeentesecretarie. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 8, onderdeel a, zijn van overeenkomstige toepassing. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het structuurplan mededeling gedaan aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur.

Afdeling

3

Bestemmingsplannen

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is:

  • a.

    om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;

  • b.

    ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.

Artikel

15

Artikel

16

Bij een bestemmingsplan kan ten aanzien van bepaalde werken uit te voeren in bepaalde gebieden worden voorgeschreven, dat bouw- of aanlegvergunning slechts mag worden verleend mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

18a

Vervallen

Artikel

19

Artikel

19a

Artikel

19b

Een krachtens de artikelen 15, 17 of 19 verleende vrijstelling wordt door burgemeester en wethouders als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen, zodra die vrijstelling is verleend. Een zodanige bijlage is geen onderdeel van het bestemmingsplan.

Artikel

21

Artikel

22

De bekendmaking van een voorbereidingsbesluit geschiedt door terinzagelegging van dit besluit voor een ieder. Artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Van het voorbereidingsbesluit wordt tevens mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel

23

Artikel

26

Het bestemmingsplan wordt zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Het bestemmingsplan ligt, nadat de goedkeuring onherroepelijk is geworden, voor een ieder ter inzage ter gemeentesecretarie. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

31a

Artikel

31b

Artikel

31c

Vervallen

Artikel

32

Vervallen

Afdeling

4

Herziening, intrekking en nadere voorschriften

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

De gemeenteraad kan besluiten een bestemmingsplan geheel of gedeeltelijk in te trekken. De artikelen 23-29 zijn van overeenkomstige toepassing. Intrekking van een bestemmingsplan voor een gebied, dat niet tot een bebouwde kom behoort, is behoudens ingeval ontheffing is verleend ingevolge het bepaalde in artikel 10, derde lid, slechts mogelijk, indien voor dat gebied een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage is gelegd dan wel een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld.

Artikel

36

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften omtrent de voorbereiding, de vormgeving en de inrichting van structuurplannen en bestemmingsplannen gegeven.

Hoofdstuk

IVA

Regionaal planologisch beleid

Afdeling

1

Algemene bepalingen

Artikel

36a

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    regionaal openbaar lichaam: een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat;

  • b.

    samenwerkingsgebied: het grondgebied van een regionaal openbaar lichaam.

Artikel

36b

Vervallen

Afdeling

2

Regionaal structuurplan

Artikel

36c

Artikel

36d

Artikel

36e

Artikel

36f

De bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, geschiedt door het besluit tezamen met het regionaal structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter secretarie van het regionaal openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 4a, derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel

36g

Een regionaal structuurplan wordt, behoudens door gedeputeerde staten voor ten hoogste tien jaren verleende vrijstelling en onverminderd het bepaalde bij artikel 36k, ten minste eenmaal in de tien jaren herzien.

Artikel

36h

Ten aanzien van de herziening van een regionaal structuurplan zijn de artikelen 36c tot en met 36f van overeenkomstige toepassing.

Artikel

36i

Intrekking van een regionaal structuurplan of van een gedeelte daarvan is slechts mogelijk indien voor dat gebied een ontwerp voor een nieuw regionaal structuurplan ter inzage is gelegd dan wel een nieuw regionaal structuurplan is vastgesteld. Ten aanzien van de intrekking zijn de artikelen 36c tot en met 36f van overeenkomstige toepassing.

Artikel

36j

Bij of krachtens algemeen maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de voorbereiding, de vormgeving en inrichting van regionale structuurplannen.

Artikel

36k

Afdeling

3

Regionale bemoeienis met gemeentelijke planologische maatregelen

Artikel

36l

Artikel

36m

Voor zover in een gebied, begrepen in een regionaal structuurplan, toepassing wordt gegeven aan artikel 19 of 46, horen gedeputeerde staten tevens het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam alvorens zij besluiten omtrent de verklaring van geen bezwaar.

Afdeling

4

Voorschriften van regionaal gezag inzake gemeentelijke planologische maatregelen

Artikel

36n

Voor zover een gemeente, waarvan grondgebied begrepen is in een regionaal structuurplan, weigert een bestemmingsplan voor dat gebied in overeenstemming te brengen met dat regionaal structuurplan, ondanks een daartoe strekkend verzoek van het regionaal openbaar lichaam, kan het dagelijks bestuur van dat openbaar lichaam gedeputeerde staten verzoeken toepassing te geven aan artikel 37, met dien verstande dat de aanwijzing, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, haar grondslag vindt in het regionaal structuurplan.

Hoofdstuk

V

Voorschriften van hoger gezag inzake gemeentelijke planologische maatregelen

Artikel

37

Artikel

38

Hoofdstuk

Va

Projectcoördinatie

Afdeling

1

Coördinatie van besluitvorming over grote projecten van nationaal belang

Artikel

39

Een planologische kernbeslissing ten behoeve van een groot project van nationaal belang bevat een of meer concrete beleidsbeslissingen. Bij de nadere besluitvorming over zodanige projecten worden die beleidsbeslissingen in acht genomen.

Afdeling

1a

Rijksprojectenprocedure

§

1

Algemeen

Artikel

39a

§

2

Rijksprojectbesluit

Artikel

39b

Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad dan wel Onze projectminister stelt een rijksprojectbesluit vast, dat ten minste een beschrijving bevat van:

  • a.

    het betrokken project en de wijze waarop het zal worden uitgevoerd,

  • b.

    de gevolgen van het project voor de bij het project betrokken belangen, en

  • c.

    de wijze waarop de inpassing van het betrokken project zal geschieden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen, die zullen worden getroffen.

Artikel

39c

Artikel

39d

Artikel

39e

Indien paragraaf 3 van deze afdeling op het project van toepassing is, kan desalniettemin in het rijksprojectbesluit worden bepaald dat in de verdere procedure ter realisering van het project van de toepassing van die paragraaf wordt afgezien, indien het nut van de toepassing naar het oordeel van de ministerraad of de projectminister niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren.

Artikel

39f

Artikel

39g

Het rijksprojectbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.

Artikel

39h

§

3

Uitvoeringsbesluiten

Artikel

39i

Artikel

39j

Artikel

39k

Artikel

39l

Artikel

39m

De in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten worden gelijktijdig door Onze projectminister bekendgemaakt.

§

4

Gelijktijdige toepassing paragrafen 2 en 3

Artikel

39n

Indien ten behoeve van een project de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling gelijktijdig worden toegepast, zijn op de gezamenlijke voorbereiding en bekendmaking van het rijksprojectbesluit en de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten de artikelen 39k en 39m van overeenkomstige toepassing.

§

5

Grondgebruik en grondverwerving

Artikel

39o

Artikel

39q

Afdeling

2

Coördinatie van besluitvorming over projecten van bovengemeentelijk belang

Artikel

40

Artikel

40a

Indien met toepassing van artikel 40 besloten wordt tot verlening van vrijstelling, is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar te rekenen vanaf de dagtekening van dat besluit het bestemmingsplan dienovereenkomstig vast te stellen of te herzien. Gedeputeerde staten of Onze Minister kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.

Artikel

40b

Artikel

41

Artikel

41a

Vervallen

Artikel

41b

Indien, bij de toepassing van artikel 40 of artikel 41, de beslissing omtrent enige bestuursrechtelijke toestemming als in die artikelen bedoeld, wordt genomen door een ander bestuursorgaan dan het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan, zijn de leges, die ingevolge wettelijk voorschrift verschuldigd zijn terzake van die toestemming, verschuldigd aan het bestuursorgaan dat omtrent die toestemming heeft beslist, tenzij de beslissing van dat orgaan niet afwijkt van de beslissing van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan.

Afdeling

3

Coördinatie van besluitvorming over projecten van gemeentelijk belang

Artikel

41c

Artikel

41d

Artikel

41e

Burgemeester en wethouders maken de vaststelling van de op grond van artikel 41c, eerste lid, gecoördineerde besluiten gelijktijdig bekend. Zij doen mededeling van die besluiten in de Staatscourant en langs elektronische weg.

Hoofdstuk

VI

Exploitatieverordeningen

Artikel

42

Artikel

43

Vervallen

Hoofdstuk

VII

Aanlegvergunningen

Artikel

44

Artikel

45

Artikel

46

Artikel

47

Vervallen

Artikel

48

Burgemeester en wethouders kunnen een aanlegvergunning intrekken:

  • a.

    indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • b.

    indien binnen een in de vergunning te bepalen termijn na de dagtekening van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;

  • c.

    indien de werkzaamheden langer dan een in de vergunning te bepalen termijn zijn gestaakt.

Hoofdstuk

VIII

Financiële bepalingen

Afdeling

1

Schadevergoeding

Artikel

48a

Artikel

49

Artikel

49a

Afdeling

2

Subsidies

Artikel

50

Vervallen

Artikel

50a

Artikel

50b

Vervallen

Artikel

50c

Hoofdstuk

IX

Planologische organen en adviesraden

Artikel

51

Artikel

52

Vervallen

Artikel

53

Hoofdstuk

IXA

Bezwaar en beroep

Artikel

54

Artikel

55

Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht worden als één besluit aangemerkt:

Artikel

55a

Vervallen

Artikel

55b

Vervallen

Artikel

55c

Vervallen

Artikel

55d

Vervallen

Artikel

55e

Vervallen

Artikel

55f

Vervallen

Artikel

55g

Vervallen

Artikel

55h

Vervallen

Artikel

55i

Vervallen

Artikel

55j

Vervallen

Artikel

55k

Vervallen

Artikel

55l

Vervallen

Artikel

55m

Vervallen

Artikel

55n

Vervallen

Artikel

56

Artikel

56a

In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de beroepstermijn aan:

  • a.

    in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder b, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 11, vijfde lid;

  • b.

    in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder d, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 28, zesde lid of artikel 29, derde lid;

  • c.

    in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder e, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van Onze Minister overeenkomstig artikel 29, zevende lid;

  • d.

    in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder f, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 28, zesde lid;

  • e.

    in een geval als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onder b, met ingang van de dag na die waarop de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, is gegeven;

  • f.

    voor beroepen tegen een of meer concrete beleidsbeslissingen of een herziening daarvan, in een planologische kernbeslissing die de grondslag vormt voor een rijksprojectbesluit of voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het rijksprojectbesluit of de herziening daarvan dan wel tegen een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van de planologische kernbeslissing of de herziening daarvan een daarop berustend rijksprojectbesluit onderscheidenlijk een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken;

  • g.

    voor een beroep tegen een rijksprojectbesluit dat de grondslag vormt voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van het rijksprojectbesluit een daarop berustend besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken; dit onderdeel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in onderdeel f.

Artikel

56b

Artikel

56c

Vervallen

Artikel

56d

Vervallen

Artikel

56e

Vervallen

Artikel

56f

Vervallen

Artikel

56g

Vervallen

Artikel

56h

Vervallen

Artikel

56i

Vervallen

Artikel

56j

Vervallen

Artikel

56k

Vervallen

Artikel

56l

Vervallen

Artikel

56m

Vervallen

Artikel

56n

Vervallen

Artikel

56o

Vervallen

Hoofdstuk

IXB

Advisering inzake beroepen ruimtelijke ordening

Artikel

57

Artikel

57a

De stichting heeft tot taak aan de administratieve rechter op diens verzoek deskundigenbericht uit te brengen inzake beroepen op grond van deze wet. Op verzoek van de administratieve rechter brengt de stichting tevens deskundigenbericht uit inzake beroepen op grond van andere wetten, voor zover het onderwerpen betreft die samenhangen met de ruimtelijke ordening.

Artikel

57b

De personen die deel uitmaken van de organen van de stichting, en het personeel van de stichting vervullen geen functies en betrekkingen, waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de stichting dan wel van het vertrouwen daarin.

Artikel

57c

Hoofdstuk

X

Dwang- en strafbepalingen

Artikel

58

Vervallen

Artikel

59

Vervallen

Artikel

60

Vervallen

Artikel

61

Vervallen

Artikel

62

Vervallen

Artikel

64

Vervallen

Hoofdstuk

XI

Slotbepalingen

Artikel

65

Artikel

66

Op de gezamenlijke voordracht van Onze Minister en van Onze Minister, die het mede aangaat, kunnen Wij bepalen, dat deze wet niet van toepassing is op een in Ons besluit aan te wijzen werk of werkzaamheid ten behoeve van de landsverdediging. Alvorens Ons een voordracht te doen horen Onze Ministers de Rijksplanologische Commissie.

Artikel

67

Vervallen

Artikel

68

Vervallen

Artikel

69

Artikel

70

Alle stukken, opgemaakt ter verkrijging van de beschikking door de gemeente over onroerende zaken ten einde uitvoering te kunnen geven aan een bestaand of toekomstig bestemmingsplan, zijn vrij van kosten van legalisatie en van griffiekosten.

Artikel

72

De bevoegdheid aan provinciale staten overeenkomstig artikel 145 van de Provinciewet en aan de gemeenteraad overeenkomstig artikel 149 van de Gemeentewet toekomende blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd voor zover de door deze colleges te maken verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.

Artikel

73

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid, J. VAN AARTSEN.
De Minister van Justitie, A. C. W. BEERMAN.
De Minister van Binnenlandse Zaken, E. H. TOXOPEUS.
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, J. CALS.
De Minister van Financiën, J. ZIJLSTRA.
De Minister van Defensie, S. H. VISSER.
De Minister van Verkeer en Waterstaat, H. A. KORTHALS.
De Minister van Economische Zaken, J. W. DE POUS.
De Minister van Landbouw en Visserij, V. G. M. MARIJNEN.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, G. M. J. VELDKAMP.
De Minister van Maatschappelijk Werk, M. KLOMPÉ.
De Minister van Justitie, A. C. W. BEERMAN.