dat deel van een pensioenregeling waaraan deelname niet afhankelijk is van een individuele keuze van de deelnemer, en dat dient ter uitvoering van een toezegging omtrent pensioen als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet en in de krachtens dat artikel gegeven regelingen, of van een pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds waarop de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 van toepassing is;
De criteria, genoemd in de artikelen 2, 3 en 4 zijn:
a.
de bijdrage van de werkgever bedraagt tenminste 10 procent van de actuariële kosten van de pensioenvoorziening;
b.
de door de deelnemers verschuldigde premie is voor alle deelnemers gelijk of bedraagt een gelijk percentage van het loon dan wel van het gedeelte van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat voor verschillende soorten pensioen en voor verschillende pensioenvoorzieningen verschillende premies kunnen worden vastgesteld;
c.
de kosten verbonden aan het toeslag- of indexeringsbeleid worden niet ten laste van de individuele deelnemers gebracht, maar ten laste van de collectiviteit van het fonds; voor toeslagverlening of indexering gelden de voorwaarden die van toepassing zijn op de collectieve basisregeling;
d.
op het pensioen of de pensioenaanspraak, dat respectievelijk die door omzetting van het opgebouwde pensioenkapitaal ontstaat indien het deelnemerschap dan wel de vrijwillige voortzetting wordt beëindigd door overlijden, pensionering, of door ontslag niet gevolgd door waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder, zijn voorwaarden van toepassing overeenkomstig de voorwaarden die bij beëindiging van het deelnemerschap door deze omstandigheden gelden voor de collectieve basisregeling, met dien verstande dat de hoogte van het pensioen of de pensioenaanspraak niet afhankelijk is van het geslacht van de deelnemer.
Artikel
6
1
Voorzover een ondernemingspensioenfonds of een bedrijfstakpensioenfonds handelt ter uitvoering van een vrijwillige voortzetting van de pensioenvoorziening op grond van artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet, of van artikel 13, vierde lid, aanhef en onderdeel a , onder 4°, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, ten behoeve van een gewezen werknemer die ontslag uit de dienstbetrekking, anders dan bedoeld in het tweede lid, heeft genomen, wordt het in aanvulling op het in de artikelen 3 en 4 gestelde, niet als verzekeraar beschouwd indien deze vrijwillige voortzetting ten hoogste drie jaar na de beëindiging van de dienstbetrekking duurt.
2
Indien ontslag wordt veroorzaakt door de arbeidsongeschiktheid van een werknemer, of indien na ontslag een gewezen werknemer een uitkering ontvangt ter vervanging van in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gederfde inkomsten op grond van een tussen één of meer werkgevers en één of meer werknemers afgesproken regeling, of indien de pensioenvoorziening ten behoeve van een gewezen werknemer of diens nagelaten betrekkingen wordt voortgezet door de op grond van artikel 2 van de Wet privatisering FVP aangewezen stichting, wordt het fonds niet als verzekeraar beschouwd indien de tijdsduur van de vrijwillige voortzetting van de pensioenvoorziening beperkt tot ten hoogste de duur van de arbeidsongeschiktheid of de periode waarin de uitkering wordt ontvangen of de periode waarin het FVP middelen ter beschikking stelt voor de voortzetting van de pensioenvoorziening.
Artikel
7
Op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het bij koninklijke boodschap van 3 september 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen, Kamerstukken II 1998/99, 26711) nadat het tot wet is verheven, wordt geplaatst, vervalt in artikel 5, onderdeel d, de zinsnede: , met dien verstande dat de hoogte van het pensioen of de pensioenaanspraak niet afhankelijk is van het geslacht van de deelnemer.
Artikel
8
Deze regeling is ten aanzien van op 22 april 1998 in reglementen vastgelegde pensioenvoorzieningen eerst na verloop van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling van toepassing.
Artikel
9
Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de zesde kalendermaand na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel
10
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling taakafbakening pensioenfondsen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Financiën, G.Zalm
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.F.Hoogervorst.