Besluit van de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad van 19 december 2000 houdende richtsnoeren voor de advisering inzake de representativiteit van het organisatorische draagvlak van bedrijfslichamen (Besluit advisering representativiteit bedrijfslichamen)

Besluit advisering representativiteit bedrijfslichamen

De Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad;
Gelet op artikel 2 van de Delegatieverordening Bestuurskamer (RE 7/1994);

Besluit:

Hoofdstuk

1

Toepassingsbereik en uitgangspunt

Artikel

1

Het in dit besluit bepaalde vindt toepassing bij advisering door de Bestuurskamer over de instelling alsmede de uitbreiding van de werkingssfeer van bedrijfslichamen, daaronder voor de toepassing van dit besluit mede begrepen organen als bedoeld in artikel 88a van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

Artikel

2

Hoofdstuk

2

Criteria voor voldoende representatieve organisatorische vertegenwoordiging

Artikel

3

Als voldoende representatieve organisatorische vertegenwoordiging aan ondernemerszijde, bedoeld in artikel 2, wordt aangemerkt:

  • a.

    een of meer ondernemersorganisaties die ingevolge de Verordening representativiteit organisaties van de Sociaal-Economische Raad als representatief zijn te beschouwen en door welke ten minste 55 procent wordt vertegenwoordigd van alle ondernemers binnen de werkingssfeer van het bedrijfslichaam, berekend aan de hand van één van de maatstaven, geselecteerd overeenkomstig de toepassing van artikel 9 van de Verordening representativiteit organisaties, of

  • b.

    een of meer ondernemersorganisaties die ingevolge de Verordening representativiteit organisaties als representatief zijn te beschouwen en door welke meer dan 50 procent wordt vertegenwoordigd van alle ondernemers binnen de werkingssfeer van het bedrijfslichaam, berekend aan de hand van twee van de maatstaven, geselecteerd overeenkomstig de toepassing van artikel 9 van de Verordening representativiteit organisaties.

Artikel

4

Hoofdstuk

3

Procedure en frequentie van beoordeling representativiteit

Artikel

5

De beoordeling van de representativiteit van het organisatorische draagvlak binnen een bedrijfslichaam geschiedt in elk geval voorafgaand aan de instelling van een bedrijfslichaam en vervolgens telkens na het verstrijken van een periode van vier jaar.

Artikel

6

Artikel

7

De Bestuurskamer vraagt de organisaties van ondernemers onderscheidenlijk van werknemers tijdig de voor zijn advisering benodigde gegevens. De Bestuurskamer kan ter verificatie van verstrekte gegevens verzoeken een accountantsverklaring over te leggen.

Hoofdstuk

4

Slotbepalingen

Artikel

8

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin het wordt geplaatst.

Artikel

9

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit advisering representativiteit bedrijfslichamen.

Den Haag
H.H.F. Wijffels voorzitter J.W. Nelson secretaris