Besluit van 16 februari 2001 houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2000–2001

Wijzigingsbesluit Algemeen Rijksambtenarenreglement, enz. (formalisering Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2000-2001)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 november 2000, nr. AD2000/U94117, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden, gedaan mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
Gelet op:
De Raad van State gehoord (advies van 5 januari 2001, nr. 00.006275);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 februari 2001, nr. AD2001/U52817, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden, gedaan mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL

I

Wijzigt het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

ARTIKEL

II

Wijzigt het Ambtenarenreglement Staten-Generaal.

ARTIKEL

III

Wijzigt het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.

ARTIKEL

IV

Wijzigt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

ARTIKEL

V

Wijzigt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

ARTIKEL

VI

Wijzigt de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen.

ARTIKEL

VII

Wijzigt Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer.

ARTIKEL

VIII

Wijzigt de Wet bezoldiging Nationale ombudsman.

ARTIKEL

IX

Wijzigt de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen.

ARTIKEL

X

Wijzigt Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer.

ARTIKEL

XI

Wijzigt de Wet bezoldiging Nationale ombudsman.

ARTIKEL

XII

Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel.

ARTIKEL

XIII

Wijzigt de Tijdelijke regeling individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket sector Rijk.

ARTIKEL

XIV

Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit 1989.

ARTIKEL

XV

Wijzigt de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968.

ARTIKEL

XVI

A

De artikelen 5, 6, 12, 15 en 95 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk de artikelen 5, 6, 12, 15 en 125 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, zoals deze artikelen luidden voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op een aanstelling in tijdelijke dienst die op moment van inwerkingtreding van onderhavig besluit niet is beëindigd.

B

1. Ambtenaren die zijn aangesteld in vaste dienst en die bij de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van dit besluit nog niet in algemene dienst van het rijk zijn aangesteld, zijn met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit van rechtswege in algemene dienst van het rijk aangesteld.

2. Ambtenaren die zijn aangesteld in tijdelijke dienst en die bij de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van dit besluit zijn aangesteld in algemene dienst van het rijk blijven ook op en na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, aangesteld in algemene dienst van het rijk.

C

1. Ambtenaren die op de dag voorafgaande aan de dag waarop de artikelen I, onderdeel H, en II, onderdeel E, van dit besluit in werking treden 55 jaar of ouder zijn en hun gemiddelde wekelijkse werktijd niet met 36,8% hebben teruggebracht, kunnen er voor kiezen gebruik te maken van de regeling zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

2. Voor ambtenaren die op de dag voorafgaande aan de dag waarop de artikelen I, onderdeel H, en II, onderdeel E, van dit besluit in werking treden hun gemiddelde wekelijkse werktijd met 36,8% hebben teruggebracht, blijft artikel 21a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

D

Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan of met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, en een of meer van deze kinderen de leeftijd van acht jaren hebben bereikt dan wel zullen bereiken op een tijdstip gelegen tussen 1 januari 2000 en de datum waarop twaalf maanden na de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 33g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk artikel 62a van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal zijn verstreken, bestaat in afwijking van artikel 33g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk artikel 62a van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal gedurende twaalf maanden na de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 33g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk artikel 62a van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal aanspraak op verlof ten aanzien van die kinderen.

E

Artikel 33g, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, tweede volzin, en zevende lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk artikel 62a, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, tweede volzin, en zevende lid van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal is mede van toepassing op de ambtenaar die voor het tijdstip van het inwerkingtreding van artikel I, onderdeel U en artikel II, onderdeel Q verlof heeft genoten mits aan de in artikel 33g, eerste tot en met derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk in artikel 62a, eerste tot en met derde lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal terzake van het recht op verlof gestelde voorwaarden wordt voldaan.

F

Artikel 49e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk artikel 84e van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, zoals deze luidden op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op reorganisaties waarvan over het voorgenomen besluit tot die reorganisaties de centrales van overheidspersoneel reeds in kennis zijn gesteld.

G

1. De beleidsregels, vastgesteld op basis van artikel 71, zesde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk van artikel 106, vijfde lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, zoals deze luidden voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn vastgesteld krachtens artikel 71, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk artikel 106, vierde lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal.

2. Het Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985 respectievelijk het Beoordelingsvoorschrift der Staten-Generaal wordt geacht te zijn vastgesteld krachtens artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk artikel 107 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal.

H

1. Voor zover artikel IV, onderdelen A, C en D aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen, toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, die ingevolge artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te geven richtlijn.

2. Voor zover artikel IV, onderdelen A, C en D aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

I

1. De ambtenaar die op 1 december 2000 in dienst is op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, heeft recht op een nominale eindejaarsuitkering, tenzij het feitelijk genot van zijn bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.

2. Voor de ambtenaar met een volledige werktijd bedraagt de nominale eindejaarsuitkering f 145,50.

3. Voor de ambtenaar met een onvolledige werktijd wordt het bedrag van de nominale eindejaarsuitkering vastgesteld op een evenredig deel van f 145,50.

4. De nominale eindejaarsuitkering wordt gelijktijdig met het salaris over de maand december 2000 uitbetaald.

J

De bij artikel IV, onderdelen A, C en D aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.

K

1. Voor zover artikel V, onderdelen B, H en I aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen, toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, die ingevolge artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te geven richtlijn.

2. Voor zover artikel V, onderdelen B, H en I aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

L

De bij artikel V, onderdelen B, H en I aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.

M

In afwijking van artikel 20a, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bedraagt de eindejaarsuitkering in 2000 1% van het salaris dat de ambtenaar geniet in het jaar 2000.

ARTIKEL

XVII

ARTIKEL

XVIII

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K. G. de Vries
De Minister van Buitenlandse Zaken, J. J. van Aartsen
De Minister van Justitie, A. H. Korthals

Bijlage

I

Wijzigt Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende de indelingsstructuur (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren.

Bijlage

II

Wijzigt Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende de indelingsstructuur (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren.