Regeling gehandicaptenparkeerkaart

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op artikel 13, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 49 en 55 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en de artikelen 85 en 86 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

Besluit:

Paragraaf

1

Criteria voor de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten

Artikel

1

Paragraaf

2

Geneeskundig onderzoek

Artikel

2

Artikel

3

Paragraaf

3

Wijze van aanbrengen van de gehandicaptenparkeerkaart

Artikel

4

De gehandicaptenparkeerkaart moet op zodanige wijze bij de voorruit worden aangebracht, dat de voorzijde ervan buiten het voertuig behoorlijk leesbaar is.

Paragraaf

4

Model van de gehandicaptenparkeerkaart

Artikel

5

Paragraaf

5

Gelijkstelling van in het buitenland afgegeven gehandicaptenparkeerkaart

Artikel

6

Met een ingevolge artikel 49 BABW afgegeven gehandicaptenparkeerkaart wordt gelijkgesteld:

  • a.

    een gehandicaptenparkeerkaart overeenkomstig het communautair model, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

  • b.

    een gehandicaptenparkeerkaart, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, voor zover aan de voorzijde van de kaart het in de bijlage bij deze regeling opgenomen symbool of een nagenoeg daaraan gelijk symbool voorkomt.

Paragraaf

6

Slotbepalingen

Artikel

7

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 oktober 1991, nr. RVR 103389, houdende vaststelling van regels betreffende de invalidenparkeerkaart (Stcrt. 202), wordt ingetrokken.

Artikel

8

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2001.

Artikel

9

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gehandicaptenparkeerkaart.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, T.Netelenbos

Bijlage

  • Indien de kaart wordt verstrekt aan een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, wordt: geen pasfoto op de kaart aangebracht. Voorts wordt in dat geval bij `Naam' de naam van de directeur van de instelling, en bij `Voornaam' de naam van de instelling vermeld.

  • De kaart is pas geldig indien hij volledig is ingevuld en ondertekend door de houder of, indien het om een kind gaat, door een van de ouders of verzorgers.