Besluit van 12 oktober 2001, houdende de vaststelling van regels ter bevordering van innovatieve ontwikkelingen in de stedelijke vernieuwing (Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 mei 2001, nr. MJZ2001049336, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
De Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 2001, nr. W08.01. 0226/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 oktober 2001, nr. MJZ2001109325, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
innovatief: gericht op het toepassen van nieuwe technologie, nieuwe producten, nieuwe instrumenten, nieuwe organisatievormen en -structuren, of nieuwe samenwerkingsvormen, binnen het kader van de stedelijke vernieuwing gericht op de fysieke leefomgeving;
Onze Minister kan subsidies verlenen ter tegemoetkoming in de kosten verbonden aan een project.
Artikel
3
Ingevolge dit besluit kunnen de volgende subsidies worden verleend:
a.
een subsidie die bijdraagt in de noodzakelijke kosten van idee- en planvorming voor een project;
b.
een subsidie die bijdraagt in de noodzakelijke rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten, waarbij die kosten blijkens de met de aanvraag ingediende begroting een bedrag van € 7 miljoen niet te boven gaan, en
c.
een subsidie die bijdraagt in de noodzakelijke rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten, waarbij die kosten blijkens de met de aanvraag ingediende begroting een bedrag van € 7 miljoen te boven gaan.
Artikel
4
1
De subsidie, bedoeld in artikel 3, onder a, bedraagt het bedrag van de kosten die worden veroorzaakt door de innovatieve elementen in het idee of plan voor een project tot een maximum bedrag van € 0,5 miljoen.
2
De subsidie, bedoeld in artikel 3, onder b, bedraagt 20% van de noodzakelijke rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten, met dien verstande dat de subsidie de kosten die worden veroorzaakt door de innovatieve elementen in een project niet overschrijdt.
3
De subsidie, bedoeld in artikel 3, onder c, bedraagt 20% van de noodzakelijke rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten tot een maximum bedrag van € 12 miljoen, en met dien verstande dat de subsidie de kosten die worden veroorzaakt door de innovatieve elementen in een project niet overschrijdt.
Artikel
5
1
Het plafond voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder a, bedraagt voor elk van de jaren 2001 en 2002 € 3,4 miljoen.
2
Het plafond voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder b, bedraagt voor elk van de jaren 2001 en 2002 € 12,1 miljoen.
3
Het plafond voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder c, bedraagt voor het jaar 2001 € 67 miljoen en voor het jaar 2002 € 40 miljoen.
met de uitvoering van een project is begonnen voordat Onze Minister de subsidie verleent;
d.
naar het oordeel van Onze Minister:
1°.
een project strijdig is met het rijksbeleid;
2°.
een project waarvoor door een andere rechtspersoon dan een gemeente een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder b, is ingediend, strijdig is met het gemeentelijk beleid;
3°.
een project waarvoor een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder c, is ingediend, strijdig is met het provinciaal beleid of
een zodanige subsidie naar het oordeel van Onze Minister niet doeltreffend of doelmatig is, of
f.
aan de idee- en planvorming voor een project, dan wel aan een project, wordt deelgenomen door één of meer winstbeogende partijen.
Hoofdstuk
3
De subsidies, bedoeld in artikel 3, onder A en B
§
3.1
De Commissie innovatie stedelijke vernieuwing
Artikel
10
Er is een Commissie innovatie stedelijke vernieuwing. De commissie houdt op te bestaan op 1 januari 2005.
Artikel
11
De commissie is belast met het opstellen van het advies, bedoeld in artikel 26.
Artikel
12
1
De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten hoogste acht andere leden.
2
De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid op het gebied van de stedelijke vernieuwing.
Artikel
13
1
De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd door Onze Minister.
2
De voorzitter en de andere leden van de commissie kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.
3
In bijzondere gevallen kunnen de voorzitter en de andere leden van de commissie door Onze Minister worden geschorst en ontslagen.
Artikel
14
1
De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
2
De plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde zijn functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.
3
In bijzondere gevallen kan de commissie de plaatsvervangend voorzitter in zijn functie schorsen en uit zijn functie ontslaan.
Artikel
15
1
De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris. Aan de secretaris kan een ambtelijk adjunct-secretaris worden toegevoegd.
2
De secretaris en de adjunct-secretaris worden door Onze Minister benoemd.
3
De secretaris en de adjunct-secretaris kunnen door Onze Minister in hun functie worden geschorst en uit hun functie worden ontslagen, de commissie gehoord.
4
De secretaris en de adjunct-secretaris zijn geen lid van de commissie.
5
De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie.
6
Onze Minister kan voorzien in een bureau voor de commissie, dat onder leiding staat van de secretaris.
Artikel
16
1
De commissie kan ter voorbereiding van de opstelling van de in artikel 26 bedoelde rangorde tijdelijke subcommissies instellen.
2
De voorzitter en de leden van een tijdelijke subcommissie worden door de commissie uit haar midden benoemd.
3
Een subcommissie brengt van haar bevindingen verslag uit aan de commissie.
Artikel
17
1
Onze Minister kan de commissie aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop de aan de commissie ingevolge artikel 23 voorgelegde aanvragen moeten worden gewogen en de termijnen waarbinnen de commissie haar werkzaamheden moet verrichten.
2
Onze Minister kan ambtenaren aanwijzen die bevoegd zijn tot het bijwonen van de door de commissie en een subcommissie te houden vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen ten hoogste vier ambtenaren aanwezig zijn, daaronder niet begrepen de secretaris en de adjunct-secretaris.
3
In daartoe aanleiding gevende gevallen kan de commissie, onderscheidenlijk een subcommissie, elk waar het hun eigen vergaderingen betreft, besluiten tot het uitnodigen van meer ambtenaren dan het in het tweede lid genoemde aantal.
Artikel
18
De adviezen van de commissie worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.
Artikel
19
De commissie houdt de voorbereidende stukken die betrekking hebben op de door haar uitgebrachte adviezen ter beschikking van Onze Minister.
§
3.2
De verlening van de subsidies
Artikel
20
De subsidies, bedoeld in artikel 3, onder a en b, worden, voorzover van toepassing namens de partijen die samenwerken aan de idee- en planvorming voor een project dan wel aan een project, aangevraagd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk.
Artikel
21
Een aanvraag als bedoeld in artikel 20 wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage I.
Artikel
22
1
Een aanvraag als bedoeld in artikel 20 voor het jaar 2001 wordt vóór 1 juni van dat jaar ingediend bij Onze Minister.
2
Een aanvraag als bedoeld in artikel 20 voor de jaren 2002 tot en met 2004 wordt vóór 1 april van elk van die jaren ingediend bij Onze Minister.
3
De aanvrager zendt een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder b, indien die aanvrager niet is de gemeente waarbinnen het project, waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt uitgevoerd, in afschrift aan die gemeente met inachtneming van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, genoemde indieningstermijn.
4
Burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in het derde lid, kunnen, voor de aanvang van de maand volgend op de maand, genoemd in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, Onze Minister berichten omtrent de in artikel 9, onder d, ten tweede, bedoelde strijdigheid met het gemeentelijk beleid en, voorzover van toepassing, de in artikel 9, onder d, ten vierde, bedoelde strijdigheid met het gemeentelijk ontwikkelingsprogramma.
5
Indien geen bericht als bedoeld in het vierde lid is uitgebracht, vormt Onze Minister zich op basis van de hem beschikbare informatie een oordeel over een eventuele strijdigheid als bedoeld in dat artikellid.
Artikel
23
Aanvragen als bedoeld in artikel 20, die niet op grond van artikel 9 door Onze Minister worden afgewezen, worden door Onze Minister voorgelegd aan de commissie.
Artikel
24
1
De commissie vormt zich een oordeel over de in de aanvraag opgenomen gegevens, waaronder mede begrepen een oordeel over de juistheid van de begroting van de rechtstreeks aan de idee- en planvorming voor een project dan wel de uitvoering van een project toe te rekenen kosten en de juistheid van de begroting van de kosten van de innovatieve elementen.
2
De commissie kan ten behoeve van de oordeelsvorming, bedoeld in het eerste lid, de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder a of b, om nadere informatie verzoeken omtrent de in het eerste lid bedoelde gegevens.
Artikel
25
Aan de commissie worden, voor de uitvoering van haar werkzaamheden als bedoeld in artikel 24, vanwege Onze Minister faciliteiten ter beschikking gesteld.
Artikel
26
De commissie brengt, gelet op artikel 7, alsmede gelet op haar oordeel omtrent de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, advies uit aan Onze Minister omtrent:
Onze Minister verleent, met inachtneming van de criteria, genoemd in artikel 7 en gelet op het advies van de commissie, vóór 1 december van het jaar waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 20, is ingediend, de subsidies, bedoeld in artikel 3, onder a of b, voorzover de beschikbare middelen dit toelaten. De beschikking tot verlening van de subsidie vermeldt het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop het bedrag wordt bepaald.
Artikel
28
1
Indien een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder a of b, de idee- en planvorming voor een project, dan wel het project, niet meer wenst uit te voeren, of anderszins niet meer in aanmerking kan komen voor een zodanige subsidie, kan Onze Minister de in artikel 27 bedoelde beschikking intrekken. Onze Minister kan vervolgens, gelet op het advies van de commissie en de beschikbare middelen in aanmerking genomen, een subsidie verlenen aan een van de andere indieners van een aanvraag. Onze Minister kan daarbij afwijken van de termijn, genoemd in artikel 27.
2
Aanvragen die niet ingevolge artikel 27 of ingevolge het eerste lid zijn gehonoreerd met een verlening van een subsidie, worden afgewezen vóór 1 februari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 20, is ingediend.
Hoofdstuk
4
De verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder C
Artikel
29
De subsidie, bedoeld in artikel 3, onder c, kan slechts worden aangevraagd door een gemeente.
Artikel
30
Een aanvraag als bedoeld in artikel 29 wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage I.
Artikel
31
1
Een aanvraag als bedoeld in artikel 29 voor het jaar 2001 wordt vóór 1 juni van dat jaar ingediend bij Onze Minister.
2
Een aanvraag als bedoeld in artikel 29 voor de jaren 2002 tot en met 2004 wordt vóór 1 april van elk van die jaren ingediend bij Onze Minister.
3
Burgemeester en wethouders van de aanvragende gemeente zenden een aanvraag als bedoeld in artikel 29, met inachtneming van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, genoemde indieningstermijnen, in afschrift aan de provincie waarbinnen die gemeente is gelegen.
4
Gedeputeerde staten van de provincie, bedoeld in het derde lid, kunnen, voor de aanvang van de maand volgende op de maand, genoemd in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, Onze Minister berichten omtrent de in artikel 9, onder d, ten derde, bedoelde strijdigheid met het provinciaal beleid, de meerwaarde van de ingediende voorstellen in regionaal verband, de eventuele samenhang tussen verschillende ingediende projecten binnen die provincie en, voorzover van toepassing, de in artikel 9, onder d, ten vierde, bedoelde strijdigheid met het gemeentelijk ontwikkelingsprogramma.
5
Indien geen bericht als bedoeld in het vierde lid is uitgebracht, vormt Onze Minister zich op basis van de hem beschikbare informatie een oordeel over de aanvraag in relatie tot de in het vierde lid genoemde onderwerpen.
Artikel
32
1
Onze Minister kan de in artikel 29 bedoelde aanvragende gemeente, waarvan de aanvraag niet op grond van artikel 9 wordt afgewezen, om nadere informatie verzoeken omtrent de in de aanvraag opgenomen gegevens.
2
Onze Minister beslist, gelet op artikel 7, over een voorlopige rangorde ten aanzien van de ingediende aanvragen.
3
Onze Minister bepaalt, de rangorde, bedoeld in het tweede lid, in aanmerking genomen, welke aanvragende gemeenten door hem zullen worden verzocht het overeenkomstig de aanvraag ingediende project nader uit te werken.
4
Onze Minister laat een verzoek als bedoeld in het derde lid vergezeld gaan van voorstellen met betrekking tot:
a.
aanpassing van de in de aanvraag opgenomen gegevens of van het project waarop de aanvraag betrekking heeft, en
b.
de wijze waarop het project nader kan worden uitgewerkt.
5
Een verzoek als bedoeld in het derde lid wordt niet gedaan dan nadat de aanvragende gemeente in de gelegenheid is gesteld haar project toe te lichten.
Artikel
33
1
De ingevolge artikel 32, derde lid, nader uitgewerkte projecten worden, waar het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 31, eerste lid, vóór 15 september 2001 ingediend bij Onze Minister.
2
De ingevolge artikel 32, derde lid, nader uitgewerkte projecten worden, waar het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 31, tweede lid, vóór 15 juli van elk van de jaren, genoemd in laatstgenoemd lid, ingediend bij Onze Minister.
Artikel
34
Onze Minister beslist, gelet op artikel 7, alsmede gelet op de resultaten van zijn bemoeienissen ingevolge artikel 32, vierde lid, over een definitieve rangorde ten aanzien van de ingevolge artikel 33 ingediende projecten.
Artikel
35
1
Onze Minister verleent, waar het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 31, eerste lid, vóór 1 november 2001, gelet op de rangorde, bedoeld in artikel 34, en voorzover de beschikbare middelen een verlening van een subsidie voor de ingevolge artikel 33 ingediende projecten toelaten, de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder c, onder de voorwaarde dat de ontvanger van de subsidie meewerkt aan de totstandkoming van een uitvoeringsprotocol.
2
Onze Minister verleent, waar het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 31, tweede lid, vóór 1 oktober van elk van de jaren, genoemd in dat lid, gelet op de rangorde, bedoeld in artikel 34, en voorzover de beschikbare middelen een verlening van een subsidie voor de ingevolge artikel 33 ingediende projecten toelaten, de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder c, onder de voorwaarde dat de ontvanger van de subsidie meewerkt aan de totstandkoming van een uitvoeringsprotocol.
vermelding van de verplichtingen die aan een verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder c, zijn verbonden, en
b.
een concept voor een uitvoeringsprotocol.
Artikel
37
1
Onze Minister stelt na overleg met de aanvrager een uitvoeringsprotocol in tweevoud op en zendt dit ter ondertekening aan de aanvrager.
2
Beide exemplaren van het uitvoeringsprotocol, bedoeld in het eerste lid, dienen vóór 1 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend, door de ontvanger van de subsidie ondertekend te zijn teruggezonden aan Onze Minister.
3
Onze Minister ondertekent vervolgens beide exemplaren van het uitvoeringprotocol, bedoeld in het tweede lid, en zendt vervolgens een exemplaar van dat protocol aan de ontvanger van de subsidie.
Artikel
38
Indien het uitvoeringsprotocol niet overeenkomstig artikel 37 tot stand is gekomen, of een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder c, het project niet meer wenst uit te voeren, of anderszins niet meer in aanmerking kan komen voor een zodanige subsidie, kan Onze Minister de in artikel 36 bedoelde beschikking intrekken. Onze Minister kan vervolgens, gelet op de ingevolge artikel 34 vastgestelde rangorde en de beschikbare middelen in aanmerking genomen, een subsidie verlenen aan een van de andere indieners van een aanvraag. Onze Minister kan daarbij afwijken van de termijnen, genoemd in de artikelen 35 en 37.
Artikel
39
Aanvragen die niet ingevolge de procedure, bedoeld in de artikelen 35 tot en met 38, zijn gehonoreerd met een verlening van een subsidie, worden afgewezen vóór 1 februari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 29, is ingediend.
Hoofdstuk
5
Aan de verlening van de subsidies verbonden verplichtingen
Artikel
40
1
Aan de verlening van de subsidies, bedoeld in artikel 3, kunnen verplichtingen worden verbonden.
2
Aan de verlening van de subsidies, bedoeld in artikel 3, is in elk geval de verplichting verbonden dat:
a.
de rechtspersoon aan wie de subsidie is verleend, gegevens over de voortgang van de idee- en planvorming voor een project dan wel gegevens over de voortgang van het project, aan Onze Minister zendt, zo vaak als Onze Minister dit verzoekt, en
b.
de rechtspersoon aan wie de subsidie is verleend, zo spoedig mogelijk mededeling aan Onze Minister doet van nieuwe omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de realisatie van de idee- en planvorming voor een project dan wel de realisatie van het project, en op de vaststelling van de subsidie, onder overlegging van de relevante stukken.
3
Onverminderd artikel 42 kan Onze Minister, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, wijzigen of aanvullen, indien uit gegevens over de voortgang of uit zich na de verlening van de subsidie voordoende omstandigheden blijkt dat de idee- en planvorming voor een project, dan wel een project, niet overeenkomstig de ten tijde van de verlening van de subsidie vigerende gegevens zal worden gerealiseerd.
Hoofdstuk
6
Voorschotverlening
Artikel
41
1
Onze Minister kan voorschotten verlenen op de verleende subsidies.
2
Op een verleende subsidie als bedoeld in artikel 3, onder c, kunnen slechts voorschotten worden verleend indien een uitvoeringsprotocol tot stand is gekomen.
Hoofdstuk
7
Intrekking en wijziging van verleende subsidies en terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten
Artikel
42
Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan Onze Minister de verlening van de subsidie intrekken indien:
a.
uit zich na de verlening van de subsidie voordoende omstandigheden blijkt dat een van de gronden, genoemd in artikel 9, onder a, b, d, e of f, van toepassing is, of
Onverminderd artikel 42 kan Onze Minister, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de verlening van de subsidie ten nadele van de rechtspersoon aan welke de subsidie is verleend wijzigen, indien uit gegevens over de voortgang of uit nieuwe omstandigheden blijkt, dat de idee- en planvorming voor een project dan wel een project, niet overeenkomstig de ten tijde van de verlening van de subsidie vigerende gegevens zal worden gerealiseerd.
De verantwoording en de vaststelling en betaling van de subsidie
Artikel
45
1
Binnen zes maanden nadat de idee- en planvorming voor een project dan wel een project is voltooid, dient de rechtspersoon aan welke een subsidie is verleend bij Onze Minister een aanvraag in tot vaststelling van de verleende subsidie.
2
De aanvraag tot vaststelling van de verleende subsidie gaat vergezeld van een verantwoordingsverslag.
3
De aanvraag tot vaststelling van een op basis van artikel 3, onder b of c, verleende subsidie gaat, behoudens het in het tweede lid bedoelde verantwoordingsverslag, tevens vergezeld van een bestedingsverklaring.
4
De aanvraag tot vaststelling van een op basis van artikel 3, onder a, verleende subsidie gaat, behoudens het in het tweede lid bedoelde verantwoordingsverslag, tevens vergezeld van:
a.
een verslag over de besteding van de verleende voorschotten en
Onze Minister kan een controle doen instellen op de ingevolge dit artikel verstrekte gegevens.
Artikel
46
1
De aanvraag tot vaststelling van de verleende subsidie wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage II.
2
Het verantwoordingsverslag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage III.
3
De bestedingsverklaring, bedoeld in artikel 45, derde lid, wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage IV.
4
Het verslag over de besteding van de verleende voorschotten, bedoeld in artikel 45, vierde lid, onder a, wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage V.
5
De accountantsverklaring, bedoeld in artikel 45, vierde lid, onder b, heeft betrekking op de juistheid van het verslag over de besteding van de verleende voorschotten en wordt opgesteld met inachtneming van de bij dit besluit behorende bijlage VI.
Artikel
47
1
Onze Minister stelt de subsidie vast binnen vier weken nadat de aanvraag tot vaststelling door hem is ontvangen. De subsidie wordt vastgesteld op het bedrag van de verleende subsidie, indien geen van de in artikel 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, of artikel 42, bedoelde omstandigheden zich voordoet en de ingevolge artikel 45 aan Onze Minister verstrekte gegevens daaraan niet in de weg staan.
2
De vaststelling geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag.
3
De subsidie wordt overeenkomstig de vaststelling ervan betaald onder verrekening van de betaalde voorschotten.
Artikel
48
1
Indien de in artikel 45, eerste lid, bedoelde termijn is verstreken zonder dat een aanvraag tot vaststelling van de subsidie is ingediend, kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.
2
Onze Minister gaat niet over tot ambtshalve vaststelling dan nadat de rechtspersoon, die de in artikel 45, eerste lid, bedoelde termijn heeft overschreden, in de gelegenheid is gesteld alsnog een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in te dienen binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.
Hoofdstuk
9
Slotbepalingen
Artikel
49
De bij dit besluit behorende bijlagen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd.
Artikel
50
Wijzigt dit besluit.
Artikel
51
Wijzigt dit besluit.
Artikel
52
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel
53
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage
Beatrix
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. W. Remkes
De Minister van Justitie,A. H. Korthals
Bijlage
I
Bijlage I ligt ter inzage bij de bibliotheek van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Bijlage
II
behorende bij artikel 46, eerste lid, van het Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing
MODEL BESTEDINGSVERKLARING VAN EEN RECHTSPERSOON AAN WELKE EEN SUBSIDIE IS VERLEEND ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, ONDER B OF C
Naam rechtspersoon:
Vestigingsplaats rechtspersoon:
Afhankelijk van de feitelijke situatie 1A of 1B invullen:
1A
Ondergetekende verklaart hierbij dat de verleende voorschotten zijn besteed overeenkomstig de (meest recente) beschikking en de eventuele daaraan verbonden verplichtingen en afspraken.
Naam ondergetekende:
..........
Functie ondergetekende:
..........
Handtekening:
..........
Plaats:
..........
Datum: ..........
1B
Ondergetekende verklaart hierbij dat de verleende voorschotten niet zijn besteed overeenkomstig de (meest recente) beschikking en de eventuele daaraan verbonden verplichtingen en afspraken.
De redenen daartoe zijn aangegeven in een bijlage bij deze verklaring.
Naam ondergetekende:
..........
Functie ondergetekende:
..........
Handtekening:
..........
Plaats:
..........
Datum: ..........
Bijlage
V
behorende bij artikel 46, vierde lid, van het Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing
MODEL VERSLAG OVER DE BESTEDING VAN DE VERLEENDE VOORSCHOTTEN, VAN EEN RECHTSPERSOON AAN WELKE EEN SUBSIDIE IS VERLEEND ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, ONDER A
N.B. Voor het jaar 2001 dienen bedragen in guldens te worden vermeld, voor de jaren daarna in euro's
Naam rechtspersoon:
Vestigingsplaats rechtspersoon:
1.
Bedragen
1.1
Verleende subsidie € /f ........
1.2
Overzicht kosten idee- en planvorming project ............ (benaming project)
€ /f ........
€ /f ........
€ /f ........
€ /f ........
€ /f ........
€ /f ........
1.3
Toelichting op de verschillen in kolom 4
2.
Verantwoording, voorzover van toepassing, over aan de verlening van de subsidie verbonden verplichtingen met betrekking tot de besteding van de verleende voorschotten
3.
Vermelding bijlage(n)
4.
Ondertekening
4.1
Naam ondergetekende:
..........
4.2
Functie ondergetekende:
..........
4.3
Handtekening:
..........
4.4
Plaats:
..........
Datum: ..........
Bijlage
VI
behorende bij artikel 46, vijfde lid, van het Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing
ONDERDEEL A
PROTOCOL TEN AANZIEN VAN ACCOUNTANTSVERKLARINGEN BIJ HET VERSLAG OVER DE BESTEDING VAN DE VERLEENDE VOORSCHOTTEN OP EEN SUBSIDIE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, ONDER A
Richtlijnen
1. De accountantsverklaring wordt afgegeven met als doel Onze Minister in staat te stellen de juistheid van de verstrekte subsidie voor idee- en planvorming te beoordelen.
2. De accountant controleert bij een verslag over de besteding van de verleende voorschotten voor idee- en planvorming, die nauw verbonden zijn met de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder a, van het Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing, in elk geval of de kosten feitelijk betrekking hebben op c.q. juist zijn toegerekend aan het project waarvoor de subsidie is verleend.
4. De accountant controleert, voorzover van toepassing blijkens de beschikking tot subsidieverlening, de naleving van de verplichtingen met betrekking tot de besteding van de verleende voorschotten.
5. De accountant stelt de juistheid van het verslag vast in overeenstemming met de hiervoor gestelde eisen. De accountant vermeldt in aanvulling op zijn verklaring, in een afzonderlijk rapport zijn bevindingen ten aanzien van de controle, voorzover die van belang zijn geweest bij de oordeelsvorming.
6. De accountant verstrekt slechts een goedkeurende verklaring indien naar het oordeel van de accountant de som van de fouten en onzekerheden in de gerealiseerde kosten niet meer dan één procent bedraagt van deze kosten. De accountant stelt de goedkeurende verklaring op conform het model dat hierna in onderdeel B van deze bijlage VI bij het Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing is opgenomen.
7. De accountant laat een niet goedkeurende accountantsverklaring zo goed mogelijk aansluiten op de indeling die in het hierna in onderdeel B opgenomen model is gegeven. De accountant richt die verklaring in met inachtneming van de door het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants vastgestelde gedrags- en beroepsregels voor registeraccountants, dan wel van de door de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten vastgestelde gedrags- en beroepsregels voor accountantsadministratieconsulenten.
ONDERDEEL B
MODEL VAN EEN ACCOUNTANTSVERKLARING BIJ HET VERSLAG OVER DE BESTEDING VAN DE VERLEENDE VOORSCHOTTEN OP EEN SUBSIDIE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, ONDER A
Accountantsverklaring
Opdracht:
Op grond van artikel 45, vierde lid, van het Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing, hebben wij het bijgevoegde en door ons gewaarmerkte verslag over de besteding van de verleende voorschotten op een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder a, van genoemd besluit, van .................... (naam aanvrager) ten behoeve van project .................... (naam project) gecontroleerd. Het overzicht is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de te dezen gerechtigde vertegenwoordigers van de rechtspersoon waaraan de subsidie is verleend. Het is onze verantwoordelijkheid om een accountantsverklaring inzake dit verslag te verstrekken.
Werkzaamheden
Onze controle is verricht overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten. Verder hebben wij in onze werkzaamheden betrokken de richtlijnen zoals opgenomen in het in onderdeel A van bijlage VI van het Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing opgenomen protocol. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat het verslag geen onjuistheden van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van relevante gegevens. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.
Oordeel
Wij zijn van oordeel dat de gegevens vermeld in het verslag juist zijn weergegeven.