Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar UWV 2002

De Minister van Justitie,
Gelezen het verzoek van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 10 december 2001, kenmerk PO/2001/82710;
Handelende in overeenstemming met de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Algemene Zaken, van Buitenlandse Zaken, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Financiën, van Economische Zaken, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Verkeer en Waterstaat, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Besluit:

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a.
buitengewoon opsporingsambtenaar:

de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2;

c.
UWV:

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

d.
coördinatiecommissie:

de commissie zoals genoemd in de circulaire van de Minister van Justitie van 12 januari 2001, kenmerk 5074483/501/AJT.

Artikel

2

Maximaal 450 ambtenaren, werkzaam bij het UWV en belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

6

De directeur van het directoraat Bijzonder Onderzoek van het UWV brengt jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, aan de Minister van Justitie verslag uit over:

  • a.

    het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij het UWV;

  • b.

    de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;

  • c.

    de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen voor dat examen zijn geslaagd.

Artikel

7

Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 2 van dit besluit, die reeds éénmaal met goed gevolg het examen buitengewoon opsporingsambtenaar heeft afgelegd, wordt onder de navolgende voorwaarden ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar:

  • a.

    hij neemt deel aan een bijscholingsprogramma waarin tenminste de eindtermen zoals vastgesteld bij circulaire van de Minister van Justitie van 10 augustus 2000, kenmerk 5045239/500/CBK, zijn verwerkt;

  • b.

    de verschillende onderdelen van het bijscholingsprogramma worden afgesloten met een toets;

  • c.

    de onder b. bedoelde toetsing van de buitengewoon opsporingsambtenaar geschiedt onder verantwoordelijkheid van een coördinatiecommissie waarin een lid van het Openbaar Ministerie is opgenomen;

  • d.

    hij heeft alle periodieke toetsen als bedoeld onder b. met goed gevolg afgelegd, waarbij echter de buitengewoon opsporingsambtenaar die is beëdigd vóór 15 februari 1999 bij de aanvraag tot verlenging van de toegekende opsporingsbevoegdheid tot uiterlijk 15 februari 2004 kan volstaan met overlegging van een bewijs van inschrijving van deelname aan, of het bewijs van inschrijving in het permanente bijscholingsprogramma van de sociale zekerheidsinstanties;

  • e.

    door middel van een systeem van periodieke toetsing of bijscholing wordt gewaarborgd dat bij de buitengewoon opsporingsambtenaar het verworven kennisniveau blijft gehandhaafd.

Artikel

8

De volgende besluiten worden ingetrokken:

  • a.

    Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar CADANS Uitvoeringsinstelling B.V. (Stcrt. 1997, 73);

  • b.

    Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar USZO BV 1998 (Stcrt. 1998, 136);

  • c.

    Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar SFB 2000 (Stcrt. 2000, 99);

  • d.

    Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar GAK 2000 (Stcrt. 2000, 99);

  • e.

    Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar GUO 2000 (Stcrt. 2000, 111).

Artikel

9

De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging, de legitimatiebewijzen buitengewoon opsporingsambtenaar en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van de in artikel 8 genoemde besluiten, worden voor de duur van hun geldigheid, tot daarover nader zal zijn beslist of tot uiterlijk één jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het onderhavige besluit, geacht akten en legitimatiebewijzen of overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van het onderhavige besluit te zijn.

Artikel

10

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002 en vervalt met ingang van 1 januari 2007.

Artikel

11

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar UWV 2002.

Dit besluit wordt in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad geplaatst.

Binnen zes weken na publicatie van dit besluit kan een belanghebbende daartegen een bezwaarschrift indienen bij de Minister van Justitie, postbus 20301, 2500 EH, Den Haag. Het bezwaarschrift dient te zijn gemotiveerd.

Den Haag
De Minister van Justitie,
Namens deze,
De Directeur-Generaal Rechtshandhaving, C.W.M. Dessens