Besluit van 22 januari 2002, houdende vaststelling van regels omtrent de toepassing van enige maatregelen in het belang van het onderzoek (Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek)

Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 oktober 2001, nr. 512753/01/6;
De Raad van State gehoord (advies van 2 januari 2002, no. W03.01.0555/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 15 januari 2002, nr. 5143486/02/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

  • b.

    confrontatie: een onderzoek waarbij het uiterlijk van een verdachte door een getuige wordt geobserveerd om vast te stellen of de verdachte door deze persoon wordt herkend als betrokkene bij een strafbaar feit;

  • c.

    meervoudige confrontatie: een confrontatie waarbij de verdachte en minimaal vijf andere personen die uiterlijk gelijkenis vertonen met de verdachte, worden getoond;

  • d.

    geuridentificatieproef: een onderzoek waarbij door een daarvoor gecertificeerde politiespeurhond onder leiding van zijn vaste geleider een geurvergelijking wordt uitgevoerd;

  • e.

    observatiecel: een cel waarin de ingeslotene permanent kan worden geobserveerd;

  • f.

    permanente observatie: het stelselmatig waarnemen, al dan niet via technische hulpmiddelen, van het gedrag van een ingeslotene;

  • g.

    gewezen verdachte: een persoon die bij onherroepelijke einduitspraak is vrijgesproken van een misdrijf als bedoeld in artikel 482a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering, waarbij opzettelijk de dood van een ander is veroorzaakt, dan wel daarvoor is ontslagen van alle rechtsvervolging zonder dat daarbij een maatregel als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

§

2

Het maken van foto’s en video-opnamen

Artikel

2

Degene die een bevel geeft tot het maken van een of meer foto’s of video-opnamen kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.

Artikel

3

Vervallen

Artikel

4

Het maken van een of meer foto’s of video-opnamen geschiedt door daartoe door de korpschef onderscheidenlijk werkgever aangewezen terzake deskundige personen.

§

2a

Het nemen van handpalmafdrukken

Artikel

4a

Artikel

4b

Artikel

4c

Artikel

4d

Artikel

4e

Artikel

4f

Artikel

4g

Met de handpalmafdrukken, bedoeld in artikel 4c tot en met 4f, worden tevens de daarbij behorende identificerende persoonsgegevens vernietigd.

Artikel

4h

De Justitiële Informatiedienst verstrekt de informatie die deze dienst ingevolge artikel 8 van het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden van het openbaar ministerie heeft verkregen, aan een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012, voor zover die informatie nodig is om te kunnen voldoen aan de artikelen 4c, 4d en 4e, eerste lid, onder a tot en met c en e, en tweede lid. Het openbaar ministerie verstrekt aan een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012 de informatie die nodig is om te kunnen voldoen aan de artikelen 4e, eerste lid, onder d, en 4f.

§

3

De toepassing van een confrontatie

Artikel

5

Degene die een bevel tot een confrontatie geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.

Artikel

6

De confrontatie wordt geleid door een daartoe door de korpschef onderscheidenlijk werkgever aangewezen terzake deskundige ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012 of een daartoe aangewezen terzake deskundige militair van de Koninklijke marechaussee.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

De officier van justitie en de raadsman van de verdachte worden in de gelegenheid gesteld de uitvoering van een meervoudige confrontatie te volgen en worden in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de meervoudige confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen selectie, een en ander zonder dat de meervoudige confrontatie daardoor mag worden opgehouden. De gemaakte opmerkingen worden opgenomen in het in artikel 8, eerste lid, bedoelde proces-verbaal of rapport.

Artikel

10

Indien ten behoeve van een confrontatie een bevel is gegeven tot het afscheren of afknippen van snor, baard of hoofdhaar wordt het daarbij verwijderde haar vernietigd.

§

4

De toepassing van de geuridentificatieproef

Artikel

11

Degene die een bevel tot een geuridentificatieproef geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.

Artikel

13

Als helper bij het uitvoeren van de geuridentificatieproef kunnen optreden opsporingsambtenaren die in het bezit zijn van een getuigschrift helper geuridentificatieproeven of politiespeurhondengeleiders die in het bezit zijn van een krachtens artikel 9 van de Regeling politiespeurhonden 1997 verstrekt certificaat inzake de geuridentificatie.

Artikel

14

De helper, bedoeld in artikel 13, en de geleider, bedoeld in artikel 12, maken van de geuridentificatieproef een proces-verbaal op, waarin in elk geval wordt opgenomen:

  • a.

    een verslag van de helper omtrent de gevolgde procedure;

  • b.

    de naam van de verdachte;

  • c.

    de naam en de hoedanigheid van de helper, de begeleider en de speurhond;

  • d.

    een beschrijving van het voorwerp;

  • e.

    een beschrijving van het gedrag en de werkwijze van de speurhond alsmede het eindresultaat van de proef.

§

5

De plaatsing in een observatiecel

Artikel

15

Artikel

16

Van het bevel wordt mededeling gedaan aan de verdachte. Degene die de mededeling doet maakt hiervan proces-verbaal op.

§

6

Slotbepalingen

Artikel

17

Dit besluit is niet van toepassing op bevelen tot toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek die zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel

18

Indien de wet van 1 november 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek en enige andere onderwerpen (Stb. 532) in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

Artikel

19

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Justitie, A. H. Korthals
De Minister van Justitie, A. H. Korthals