Subsidieregeling technische assistentie in opkomende markten

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Besluit:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
minister:

de Minister van Economische Zaken;

b.
ondernemer:

een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming in stand houdt;

c.
project:

een managementondersteuningsproject of een scholingsproject;

d.
managementondersteuningsproject:

een activiteit gericht op kennisontwikkeling of op het oplossen van een concreet probleem van tijdelijke aard op het gebied van management, techniek of arbeidsomstandigheden in een onderneming, die is gevestigd in een opkomende markt, ter ondersteuning van het management, dan wel daarmee rechtstreeks samenhangende training in de arbeidssituatie, uitgevoerd door één of meer adviseurs die niet in dienst zijn van die onderneming;

e.
scholingsproject:

het deelnemen van werknemers van een onderneming, die is gevestigd in een opkomende markt, aan een praktijkgerichte opleiding of training aan een vakschool of opleidingsinstituut of in het bedrijf van een ondernemer, of aan een seminar of stage, gericht op specialisering of verdieping van vakkennis, in de desbetreffende opkomende markt of in Nederland, dan wel, bij gebrek aan adequate mogelijkheden, in een ander land;

f.
Nederlandse deelneming:

een duurzame en risicovolle investering in een onderneming, die is gevestigd in een opkomende markt, door een of meer in Nederland gevestigde ondernemers die een kleine of middelgrote onderneming in stand houden in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), bestaande uit ten minste:

  • 1º.

    tien procent van het risicodragend vermogen, bestaande uit achtergesteld vreemd vermogen en uit eigen vermogen, of

  • 2º.

    tien procent van de waarde van de materiële vaste activa, bedoeld in artikel 366, eerste lid, onderdelen a en b, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

g.
opkomende markt:

Albanië, Argentinië, Armenië, Azerbeidzjan, Bosnië-Herzegovina, Brazilië, Bulgarije, China, Egypte, Estland, Filippijnen, Georgië, Ghana, Hongarije, India, Indonesië, Ivoorkust, Kazachstan, Kirgizistan, Kroatië, Letland, Litouwen, Macedonië, Mexico, Moldavië, Montenegro, Nederlandse Antillen, Oekraïne, Oezbekistan, Polen, Roemenië, Rusland, Servië, Slovenië, Slowakije, Tadzjikistan, Thailand, Tsjechië, Turkmenistan, Turkije, Wit-Rusland, Zimbabwe en Zuid-Afrika;

h.
groep:

een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1º.

    een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • volledig aansprakelijk vennoot is van, of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

  • 2º.

    laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

§

2

Aanvraag en beslissing op de aanvraag

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:

  • a.

    de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;

  • b.

    hij het onaannemelijk acht, dat:

    • 1º.

      een managementondersteuningsproject binnen drie jaren kan worden voltooid;

    • 2º.

      een scholingsproject binnen 18 maanden kan worden voltooid en niet langer duurt dan drie maanden per te scholen werknemer;

  • c.

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;

  • d.

    gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;

  • e.

    onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;

  • f.

    hij het onaannemelijk acht dat het project een wezenlijke bijdrage levert aan het doel met het oog waarop het project wordt uitgevoerd;

  • g.

    hij het onaannemelijk acht dat het project zal bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van de economie van de opkomende markt;

  • h.

    de met het project gemoeide kosten niet in redelijke verhouding staan tot de resultaten die met dat project beoogd worden;

  • i.

    ingeval van een scholingsproject, de opleiding niet relevant is voor de functie van de te scholen werknemer;

  • j.

    ingeval van een scholingsproject, geen sprake is van een duurzaam dienstverband van de te scholen werknemer;

  • k.

    gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen met het oog op verkrijging van de subsidie dan wel bij de uitvoering van het project of de toepassing van de resultaten daarvan omkoping in de zin van de artikelen 177 en 177a jo. 178a van het Wetboek van Strafrecht hebben gepleegd respectievelijk zullen plegen;

  • l.

    gegronde vrees bestaat dat de resultaten van het project zullen worden aangewend ten behoeve van activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben;

  • m.

    gegronde vrees bestaat dat bij de uitvoering van het project of de toepassing van de resultaten daarvan de fundamentele arbeidsnormen, neergelegd in de Verdragen nrs. 29, 87, 98, 100, 105, 111, 138 en 182 van de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, niet zullen worden nageleefd, tenzij naleving niet mogelijk is als gevolg van wetgeving in de desbetreffende opkomende markt.

Artikel

9

De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

§

3

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

De subsidieontvanger brengt steeds na afloop van een bij de subsidieverlening bepaalde periode aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.

Artikel

14

Artikel

15

De subsidieontvanger brengt desgevraagd aan de minister verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project en verleent desgevraagd medewerking aan het geven van bekendheid aan deze resultaten.

§

4

Voorschotten

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

De minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.

§

5

Subsidievaststelling

Artikel

19

§

6

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

20

De Subsidieregeling investeringsbevordering en technische assistentie Oost-Europa wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling en op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt.

Artikel

21

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

22

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling technische assistentie in opkomende markten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 2, 3 en 4, die ter inzage worden gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

's-Gravenhage
De Staatssecretaris van Economische Zaken, G.Ybema

Bijlage

1

Tarieven als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling technische assistentie in opkomende markten

1

Advieskosten en kosten van training

De onder 1 vermelde tarieven hebben betrekking op de kosten voor tijdsbesteding van adviseurs en trainers, alsmede op de kosten inzake:

  • visa en vaccinatie,

  • transport van en naar het vliegveld,

  • inklaring,

  • luchthavenbelasting,

  • verzekering,

  • verlof,

  • sociale verzekeringen en pensioenen,

  • communicatiemiddelen,

  • overhead,

  • in het geval, bedoeld in onderdeel B, subonderdeel 1° onder II, lokale reis- en verblijfskosten.

In het geval, bedoeld in onderdeel A, subonderdeel 2°, of onderdeel B, subonderdeel 2°, hebben de onder 1 vermelde tarieven bovendien betrekking op:

  • lokale verblijfskosten,

  • de kosten voor huur van woningen in de desbetreffende opkomende markt, en

  • verhuiskosten,

alsmede in het geval, bedoeld in onderdeel A, subonderdeel 2°, voorzover het maximumtarief reeds is bereikt, en in het geval, bedoeld in onderdeel B, subonderdeel 2°, op:

  • internationale reiskosten en

  • lokale reiskosten.

A

Adviseur of trainer die in dienst is van de Nederlandse ondernemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, of van een onderneming waarmee deze ondernemer in een groep verbonden is.

  • 1º.

    Ingeval de adviseur of trainer de assistentie verleent of de training verzorgt voor een periode van minder dan of gelijk aan zes maanden aaneengesloten dan wel minder dan of gelijk aan 150 declarabele werkdagen per jaar, wordt uitgegaan van het aantal werkdagen per adviseur of trainer met een maximum van vijf declarabele werkdagen per week en acht declarabele uren per dag. Het dagtarief wordt berekend door het bruto maandsalaris van de adviseur of trainer te vermenigvuldigen met een factor 3,45 en te delen door 21,67 dagen, met een maximum van € 900 per dag. Onder het bruto maandsalaris wordt verstaan het bruto jaarsalaris conform de verzamelloonstaat gedeeld door een factor 12,96.

  • 2º.

    Ingeval de adviseur of trainer de assistentie verleent of de training verzorgt voor een periode van langer dan zes maanden aaneengesloten dan wel meer dan 150 declarabele werkdagen per jaar, wordt uitgegaan van het bruto maandsalaris van de adviseur of trainer, te vermenigvuldigen met een factor 2,3 en te vermenigvuldigen met het aantal declarabele maanden. Hierbij geldt een maximum per jaar van € 172.000 of een evenredig deel daarvan, berekend naar rato van het aantal declarabele maanden.

B

Adviseur of trainer die niet in dienst is van de Nederlandse ondernemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, of van een onderneming waarmee deze ondernemer in een groep verbonden is.

  • 1º.

    Ingeval de adviseur of trainer de assistentie verleent of de training verzorgt voor een periode van minder dan of gelijk aan zes maanden aaneengesloten dan wel minder dan of gelijk aan 150 declarabele werkdagen per jaar, wordt uitgegaan van vijf declarabele werkdagen per week en acht declarabele uren per dag. Het tarief wordt berekend door het aantal declarabele werkdagen te vermenigvuldigen met een vast dagtarief overeenkomstig onderstaande overzichten. Hierbij wordt verstaan onder:

    • junior: een adviseur of trainer die onder begeleiding de betreffende assistentie verleent of training verzorgt en een ter zake doende afgeronde studie c.q. opleiding heeft genoten en tenminste 1 jaar relevante ervaring heeft opgedaan;

    • medior: een adviseur of trainer die zelfstandig de assistentie verleent of training verzorgt, daarbij al dan niet gebruikmakend van de kennis en ervaring van anderen, een ter zake doende studie c.q. opleiding heeft afgerond en tenminste 3 jaar relevante ervaring heeft opgedaan;

    • senior: een adviseur of trainer die aantoonbaar geheel zelfstandig de assistentie verleent of training verzorgt en daarover aantoonbaar de volledige verantwoordelijkheid draagt, een ter zake doende studie heeft afgerond en tenminste 5 jaar relevante ervaring heeft opgedaan.

    • I.

      Adviseur of trainer, niet permanent gevestigd in de desbetreffende opkomende markt:

      • junior: dagtarief € 500

      • medior: dagtarief € 800

      • senior: dagtarief € 1100.

    • II.

      Adviseur of trainer, permanent gevestigd in de desbetreffende opkomende markt:

      • junior: dagtarief € 81

      • medior: dagtarief € 180

      • senior: dagtarief € 333.

  • 2º.

    Ingeval de adviseur of trainer de assistentie verleent of de training verzorgt voor een periode van langer dan zes maanden aaneengesloten dan wel meer dan 150 declarabele werkdagen per jaar, wordt het tarief berekend door het aantal declarabele maanden te vermenigvuldigen met een vast maandtarief overeenkomstig onderstaande overzichten.

    • I.

      Adviseur of trainer, niet permanent gevestigd in de desbetreffende opkomende markt:

      • junior: maandtarief € 8000

      • medior: maandtarief € 12.750

      • senior: maandtarief € 17.500.

    • II.

      Adviseur of trainer, permanent gevestigd in de desbetreffende opkomende markt:

      • junior: maandtarief € 1755

      • medior: maandtarief € 3900

      • senior: maandtarief € 7216.

2

Reiskosten

Dit tarief heeft geen betrekking op de kosten, die reeds onder het in 1 bedoelde tarief (Advieskosten en kosten van training) zijn begrepen.

A. Internationaal

  • 1.

    Ingeval van een reis per vliegtuig wordt niet meer vergoed dan de reiskosten per business class.

  • 2.

    Ingeval van een reis per trein wordt niet meer vergoed dan de reiskosten eerste klas.

  • 3.

    Ingeval van een reis per auto wordt niet meer vergoed dan het fiscaal onbelaste maximum conform het Reisbesluit binnenland en niet meer dan de reiskosten per vliegtuig business class of per trein eerste klas.

B. Lokaal

Vergoeding vindt plaats van de werkelijk gemaakte kosten met een maximum van € 500 per persoon per maand of € 23 per persoon per dag. Lokale transportkosten in verband met verplaatsing binnen de standplaats worden niet vergoed.

3

Verblijfskosten

Dit tarief heeft geen betrekking op de kosten, die reeds onder het in 1 bedoelde tarief (Advieskosten en kosten van training) zijn begrepen.

Vergoeding geschiedt op basis van de op het moment van subsidieverlening geldende Daily Subsistence Allowance-tarieven van de Verenigde Naties. Hierbij wordt uitgegaan van het aantal verbleven nachten in de desbetreffende opkomende markt.