Richtlijnen voor buitenlandse verbindingsofficieren in Nederland op het gebied van de politiële en justitiële samenwerking
Regeling buitenlandse verbindingsofficieren
Besluit:
§
1
Algemene bepalingen
Artikel
2
Artikel
3
De Minister van Buitenlandse Zaken zendt de staat die een buitenlandse verbindingsofficier in Nederland heeft aangemeld, onverwijld een afschrift van deze regeling onder verwijzing naar de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 41, eerste lid, van het op 18 april 1961 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 101).
Artikel
4
1
Conform artikel 41, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, vervult een buitenlandse verbindingsofficier zijn taken binnen het raam van zijn bevoegdheden met inachtneming van de bepalingen van de Nederlandse wet- en regelgeving. Daarbij worden, voorzover van toepassing, tevens de voor Nederland en de zendstaat geldende en relevante verdragen in acht genomen.
§
2
Taakomschrijving
Artikel
5
1
Een buitenlandse verbindingsofficier heeft primair tot taak bijstand te verlenen bij:
-
a.
de informatie-uitwisseling ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten;
-
b.
het verzoeken tot de uitvoering van rechtshulp in strafzaken;
-
c.
de informatie-uitwisseling ten behoeve van het voorkomen of tegengaan van verstoringen van de openbare orde.
2
Onder deze taak wordt begrepen:
-
a.
het verstrekken van informatie uit de zendstaat aan de Nederlandse politie en justitie en overige opsporingsdiensten, voorzover verenigbaar met de wetten en regelingen van de zendstaat;
-
b.
het begeleiden van door de zendstaat bij Nederland ingediende rechtshulpverzoeken en het bemiddelen ter bevordering van de uitvoering ervan (inkomende rechtshulpverzoeken).
3
Onder deze taak wordt mede begrepen:
-
a.
het in ontvangst nemen en doorgeleiden van Nederlandse informatie aan opsporingsdiensten en -autoriteiten in de zendstaat;
-
b.
het begeleiden van Nederlandse rechtshulpverzoeken aan de zendstaat en het bemiddelen ter bevordering van de uitvoering ervan (uitgaande rechtshulpverzoeken).
§
3
Taakuitvoering
Artikel
6
1
Een buitenlandse verbindingsofficier onthoudt zich bij zijn taakuitvoering van het zelfstandig verrichten van onderzoeks- en opsporingshandelingen als onder meer bedoeld in het Wetboek van Strafvordering, daaronder begrepen het onderhouden van contacten met burgerinformanten en infiltranten.
2
Indien ten behoeve van de zendstaat in Nederland informatie moet worden ingewonnen of verzameld of een andere opsporingshandeling is vereist, vindt dit slechts plaats na overleg met en onder het gezag van het Nederlandse openbaar ministerie door Nederlandse opsporingsambtenaren. Indien het onderzoek en de omstandigheden dit vereisen, kunnen deze opsporingsambtenaren zo nodig worden bijgestaan door speciaal voor dat doel uit het buitenland overgekomen opsporingsambtenaren, echter nimmer door de buitenlandse verbindingsofficier.
Artikel
7
Artikel
8
De buitenlandse verbindingsofficier kan door tussenkomst van de centrale Nederlandse autoriteit een beroep doen op de officier van justitie van het landelijk parket verantwoordelijk voor internationale samenwerking indien zulks voor zijn taakuitvoering gewenst is, in het bijzonder in geval van gewenste bemiddeling door of afstemming met justitiële autoriteiten.
Artikel
9
1
Wanneer door tussenkomst van de buitenlandse verbindingsofficier gegevens anders dan in het kader van de toepasselijke uitleverings- en rechtshulpverdragen tussen Nederland en de zendstaat worden uitgewisseld, bepaalt de staat waaruit de gegevens afkomstig zijn de voorwaarden waaronder van deze gegevens gebruik mag worden gemaakt.
2
De buitenlandse verbindingsofficier draagt er zorg voor dat de ontvangende staat over deze voorwaarden wordt geïnformeerd.
3
Gebruik van de hiervoor genoemde gegevens in strafzaken is slechts mogelijk indien een daartoe strekkend rechtshulpverzoek, gebaseerd op het toepasselijke rechtshulpverdrag, door de staat waaruit de gegevens afkomstig zijn, is ingewilligd.
§
4
Gezag en toezicht
Artikel
10
Artikel
11
De verbindingsofficier voert in het belang van een goede samenwerking op nader af te spreken tijdstippen overleg met de centrale Nederlandse autoriteit en het bevoegde gezag. Hij informeert daarnaast periodiek de centrale Nederlandse autoriteit over zijn werkzaamheden.
Artikel
12
1
De centrale Nederlandse autoriteit ondersteunt de buitenlandse verbindingsofficier bij zijn taakvervulling en neemt de nodige maatregelen teneinde:
-
a)
de buitenlandse verbindingsofficier bij aanvang van zijn tewerkstelling in Nederland te instrueren omtrent de voor zijn taakuitvoering van belang zijnde Nederlandse wettelijke voorschriften, in het bijzonder die op het gebied van gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
-
b)
gehoor te geven aan zijn verzoeken om raad en hem, indien mogelijk de nodige bijstand te verlenen;
-
c)
daar waar mogelijk, oplossingen te vinden voor de problemen die zich bij het verrichten van zijn taken plegen voor te doen.
Artikel
13
De centrale Nederlandse autoriteit houdt de buitenlandse verbindingsofficier op de hoogte van ontwikkelingen die van belang kunnen zijn voor zijn zendstaat of zijn taakuitvoering.
Artikel
14
Ten behoeve van een goede internationale strafrechtelijke samenwerking zal de buitenlandse verbindingsofficier bij gerechtelijke procedures en eventuele onderzoeken naar opsporingsactiviteiten zijn medewerking verlenen aan Nederlandse autoriteiten. Dit laat onverlet de mogelijkheid om op basis van artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer een beroep te doen op diplomatieke onschendbaarheid.
Artikel
15
Alvorens de buitenlandse verbindingsofficier met betrekking tot zijn taakuitoefening als omschreven in artikel 5 informatie aan de media verstrekt, informeert hij de centrale Nederlandse autoriteit met het oog op de eerbiediging van Nederlandse belangen.
Artikel
16
Bij handelen in strijd met deze regeling kan, als uiterste consequentie, worden besloten tot het nemen van maatregelen, waaronder die als bedoeld in artikel 9 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
§
5
Slotbepalingen
Artikel
17
De richtlijn met betrekking tot de stationering van liaison officers in Nederland van 21 maart 1994 wordt ingetrokken.
Artikel
18
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2002.
Artikel
19
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling buitenlandse verbindingsofficieren.
Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.