Samenstelling en werkwijze Bedrijfscommissie voor de Overheid 2002
Besluit:
§
1
Samenstelling van de bedrijfscommissie
Artikel
2
1
De bedrijfscommissie bestaat uit 10 leden en 10 plaatsvervangende leden. Van de leden en de plaatsvervangende leden worden:
-
a.
5 leden en 5 plaatsvervangende leden benoemd door het Verbond Sectorwerkgevers Overheid, waarvan
-
2 leden en 2 plaatsvervangende leden op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken;
-
1 lid en 1 plaatsvervangend lid op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
-
1 lid en 1 plaatsvervangend lid op voordracht van het Interprovinciaal Overleg;
-
1 lid en 1 plaatsvervangend lid op voordracht van de Unie van Waterschappen;
-
-
b.
5 leden en 5 plaatsvervangende leden benoemd door de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel.
Artikel
3
1
De leden en de plaatsvervangende leden van de bedrijfscommissie treden om de vier jaar tegelijk af en kunnen terstond opnieuw worden benoemd.
2
Het tijdstip waarop de eerste zittingsperiode aanvangt, wordt bepaald door de WOR-Kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
Artikel
4
1
De bedrijfscommissie wijst uit haar midden een lid, benoemd door een werkgever of vereniging van werkgevers, en een lid, benoemd door een centrale van overheidspersoneel, aan die bij toerbeurt volgens een door de bedrijfscommissie op te maken rooster als voorzitter en plaatsvervangend voorzitter optreden.
Artikel
5
De bedrijfscommissie kan al dan niet uit haar midden kamers vormen. Aan deze kamers kunnen, geheel of gedeeltelijk en al dan niet voorwaardelijk, bevoegdheden van de bedrijfscommissie worden overgedragen.
Artikel
6
De bedrijfscommissie voorziet in haar secretariaat.
§
2
De werkwijze van de bedrijfscommissie
Artikel
7
De bedrijfscommissie vergadert niet indien blijkens de presentielijst niet meer dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen. Nadat eenmaal tot een vergadering is opgeroepen, zonder dat meer dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen wordt de daarna uitgeschreven vergadering gehouden, ongeacht het aantal opgekomen leden.
Artikel
8
De leden van de bedrijfscommissie stemmen zonder last of ruggespraak.
Artikel
9
De leden van een bedrijfscommissie onthouden zich van medestemmen over zaken die hen, hun echtgenoten of hun geregistreerde partners of hun bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten, persoonlijk aangaan, dan wel op grond van andere feiten of omstandigheden waardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
Artikel
10
Artikel
11
1
Een stemming is nietig, indien niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, die zich niet van medestemmen moeten onthouden, aan de stemming heeft deelgenomen.
2
Bij stemming over personen worden leden die blanco briefjes hebben ingeleverd, voor de toepassing van dit artikel geacht aan de stemming te hebben deelgenomen.
3
In geval van een nietige stemming vindt in een volgende vergadering herstemming plaats. Deze is geldig, ongeacht het aantal leden dat eraan heeft deelgenomen.
4
Een stemming gehouden in een vergadering als bedoeld in de tweede volzin van artikel 7 is geldig, ongeacht het aantal leden dat aan de stemming heeft deelgenomen.
Artikel
12
Artikel
13
Artikel
14
1
Na ontvangst van een verzoek om bemiddeling als bedoeld in artikel 36, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden, gaat de bedrijfscommissie na of zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en of het verzoek voldoende is omschreven, gemotiveerd en gedocumenteerd.
2
De bedrijfscommissie zendt een verzoek als bedoeld in het eerste lid, tot behandeling waarvan kennelijk een andere bedrijfscommissie bevoegd is, onverwijld door naar die commissie, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de verzoeker.
3
Verklaart de bedrijfscommissie zich onbevoegd op een andere grond dan in het tweede lid bedoeld, of verklaart zij de verzoeker niet ontvankelijk, dan geeft zij daarvan onverwijld een gemotiveerde mededeling aan de verzoeker.
4
Acht de bedrijfscommissie een verzoek onvoldoende omschreven, gemotiveerd en gedocumenteerd, dan bericht zij aan verzoeker op welke punten en met welke documenten deze zijn verzoek dient aan te vullen. Zij stelt daarbij aan de verzoeker een termijn. Een verzoek om bemiddeling is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, wanneer de verzoeker daarin niet zijn zienswijze weergeeft op hetgeen blijkens de door hem overgelegde documenten zijn wederpartij in het geschil schriftelijk heeft aangevoerd.
5
De termijn waarbinnen een bedrijfscommissie overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden, schriftelijk verslag van haar bevindingen dient uit te brengen, vangt aan op de dag waarop het verzoek bij de bevoegde bedrijfscommissie is ontvangen, maar wordt opgeschort met ingang van de dag waarop een bedrijfscommissie krachtens het vierde lid de verzoeker uitnodigt het verzoek aan te vullen, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
6
Acht de bedrijfscommissie zich bevoegd en acht zij het verzoek voldoende omschreven, gemotiveerd en gedocumenteerd, dan doet zij daarvan mededeling aan de verzoeker en diens wederpartij, en informeert hen daarbij over de procedure en de vermoedelijke duur daarvan, alsmede de aanvang van de termijn, bedoeld in het vijfde lid, en de eventuele opschorting daarvan.
7
Onverminderd artikel 36, derde lid, laatste volzin, van de Wet op de ondernemingsraden verlengt de bedrijfscommissie de termijn in elk geval indien een van de partijen zulks verzoekt en de andere partij daarmee instemt
Artikel
15
1
Aangaande de wijze waarop zij, gelet op de betrokken omstandigheden, tussen de partijen in het geschil zal bemiddelen, beslist de bedrijfscommissie naar eigen oordeel, met dien verstande dat zij daarbij het bepaalde in artikel 36, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden in acht neemt en voorts partijen in de gelegenheid stelt hun standpunten op een hoorzitting toe te lichten.
2
Het schriftelijk verslag dat de bedrijfscommissie overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden opmaakt van de bevindingen waartoe zij bij haar bemiddeling is gekomen, bevat ten minste de volgende onderdelen:
-
de datum waarop de bemiddeling is gevraagd;
-
een duidelijke vermelding van de partijen in het geschil;
-
een omschrijving van het geschil en van de standpunten en argumenten van partijen, onder vermelding van het artikel of de artikelen van de Wet op de ondernemingsraden waarop het geschil betrekking heeft;
-
een mededeling over de wijze waarop de bedrijfscommissie tussen partijen heeft bemiddeld;
-
een advies aan partijen over de oplossing van het geschil;
-
de datum van het verslag.
Artikel
16
1
De bedrijfscommissie dient de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de WOR-Kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid desgevraagd of uit eigen beweging van bericht en advies over alle zaken haar werkterrein betreffende.
Artikel
17
1
De bedrijfscommissie houdt een register bij van de tot haar werkterrein behorende ondernemingen waarvoor met inachtneming van de Wet op de ondernemingsraden een ondernemingsraad is ingesteld. Onder ondernemingsraad wordt tevens verstaan: centrale ondernemingsraad en groepsondernemingsraad.
2
Bij elke inschrijving van een onderneming in dit register worden vermeld:
-
naam en adres van de onderneming;
-
naam van de ondernemer die de onderneming in stand houdt;
-
datum waarop de ondernemingsraad het reglement van de ondernemingsraad heeft vastgesteld;
-
datum waarop de ondernemingsraad wijzigingen van het reglement heeft ontvangen.
3
De bedrijfscommissie deelt aan een ieder desgevraagd schriftelijk mede of voor een tot haar werkterrein behorende onderneming een ondernemingsraad is ingesteld.
4
De bedrijfscommissie verschaft desgevraagd inzage in het register aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de WOR-Kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen alsmede de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel.
Artikel
18
De bedrijfscommissie brengt jaarlijks verslag uit aan de WOR-Kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het verslag wordt door de bedrijfscommissie, zo nodig tegen betaling van kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel
19
1
De bedrijfscommissie kan nadere regels stellen over haar werkwijze. Deze regels behoeven de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2
De in het eerste lid bedoelde goedkeuring wordt verleend na overleg met de WOR-Kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
Artikel
20
De Regeling samenstelling en werkwijze Bedrijfscommissie voor de Overheid wordt ingetrokken.
Artikel
21
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling samenstelling en werkwijze Bedrijfscommissie voor de Overheid 2002.
Artikel
22
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.