Mandaatbesluit gemeenschappelijke landelijke diensten R.O. en rechterlijke ambtenaren in opleiding

De Minister van Justitie,
Gehoord de gemeenschappelijke ondernemingsraad van de directie Rechtspleging;
Gehoord het sectoroverleg Rechterlijke Macht;

Besluit:

Hoofdstuk

I

Algemeen

Artikel

1

(Definities)

In dit besluit wordt verstaan onder:

a)
de Minister:

de Minister van Justitie

b)
de Raad:
c)
het College:

het College van procureurs-generaal, bedoeld in artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie;

d)
een dienst:

een gemeenschappelijke landelijke dienst als bedoeld in artikel 3 van dit besluit;

e)
de Raad van Opdrachtgevers:

elke dienst heeft een Raad van Opdrachtgevers bestaande uit een lid van de Raad en een lid van het College;

f)
de leiding:

de directie of het college van bestuur van een dienst.

Artikel

2

(Reikwijdte mandaat)

De bevoegdheden toegedeeld krachtens dit besluit kunnen uitsluitend worden aangewend ter uitvoering van het Convenant gemeenschappelijke landelijke diensten rechterlijke organisatie van 13 maart 2002, dan wel in het kader van het aanstellen en opleiden van rechterlijke ambtenaren in opleiding.

Hoofdstuk

II

Gemeenschappelijke landelijke diensten

Artikel

3

(Instellen en instandhouden)

Artikel

4

(Personeelsmandaat)

De Raad en het College gezamenlijk zijn bevoegd de bij of krachtens de Ambtenarenwet aan het bevoegde gezag toegekende bevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van de bij artikel 3, eerste lid, genoemde diensten werkzame ambtenaren.

Artikel

5

(Volmacht)

De Raad en namens de Minister het College gezamenlijk zijn bevoegd om namens de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover die voortvloeien uit het beheer van het deel van de Justitiebegroting dat betrekking heeft op de in artikel 3 genoemde diensten, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een andere minister dan onze minister de rechtshandeling verricht.

Artikel

6

(Vertegenwoordiging in rechte)

De Voorzitter van de Raad en de Voorzitter van het College gezamenlijk zijn bevoegd de Staat in rechte te vertegenwoordigen ten aanzien van besluiten, genomen op grond van de bevoegdheden die ingevolge dit besluit zijn gemandateerd.

Artikel

7

(Ondermandaat of nadere volmacht)

Hoofdstuk

III

Rechterlijke ambtenaren in opleiding (Raio's)

Artikel

8

(Mandaat inzake rechterlijke ambtenaren in opleiding)

Aan de Raad en het College gezamenlijk wordt mandaat verleend om namens de Minister besluiten te nemen met betrekking tot de individuele rechtspositie van rechterlijke ambtenaren in opleiding.

Artikel

9

(Ondermandaat)

Artikel

10

(Intrekken mandaatbesluit)

Het Mandaatbesluit opleiding rechterlijke ambtenaren van 2 juni 1998 wordt ingetrokken.

Hoofdstuk

IV

Slotbepalingen

Artikel

11

(Behandeling bezwaarschriften)

Vervallen

Artikel

13

(Inwerkingtreding)

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

Artikel

14

(Citeertitel)

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit gemeenschappelijke landelijke diensten R.O. en rechterlijke ambtenaren in opleiding.

Den Haag
De Minister voornoemd,A.H. Korthals
Mede-ondertekenaars:
De voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak,A.H. vanDelden
De voorzitter van het College van procureurs- generaal,J.L. deWijkerslooth