Regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 december 2003, nr. WJZ 3070411, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies ter bevordering van projectmatige samenwerking (Regeling innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten opkomende markten)

Regeling innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten opkomende markten

De Minister van Economische Zaken,

Besluit:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. 

    de minister: de Minister van Economische Zaken;

  • b. 

    project: een voor Nederland nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit industrieel onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling, of een combinatie van beide;

  • c. 

    industrieel onderzoek: onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;

  • d. 

    preconcurrentiële ontwikkeling: het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten;

  • e. 

    ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt;

  • f. 

    groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

    • 1°.

      een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

      • – 

        meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

      • – 

        volledig aansprakelijk vennoot is van of

      • – 

        overwegende zeggenschap heeft overeen of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

    • laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

  • g. 

    samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, onder wie ten minste één in Nederland gevestigde ondernemer en één ondernemer of kennisinstelling gevestigd in een opkomende markt, met dien verstande dat elke andere deelnemer in Nederland of in een opkomende markt is gevestigd;

  • h. 

    opkomende markt: Brazilië, China, India, Indonesië, Maleisië, Thailand, Zuid-Afrika, Zuid-Korea;

  • i. 

    kennisinstelling:

    • 1°.

      een onder a, of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder i van de bijlage van die wet bedoeld academisch ziekenhuis;

    • 2°.

      een andere dan onder 1° bedoelde geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • 3°.

      een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs en een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder 1°;

    • 4°.

      een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden, of

    • 5°.

      een onder c, f, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

§

2

Aanvraag en beslissing op de aanvraag

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

De minister geeft op een aanvraag om een subsidie een beschikking binnen dertien weken na afloop van de in artikel 6 bedoelde periode.

Artikel

9

Artikel

10

De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

  • a.

    indien de aanvraag niet voldoet aan deze regeling en de daarop berustende bepalingen;

  • b.

    indien hij het onnaannemelijk acht dat het project binnen vier jaren kan worden uitgevoerd, met dien verstande dat hij die periode op verzoek van de subsidie-ontvanger met ten hoogste een jaar kan verlengen;

  • c.

    indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren.

Artikel

11

Artikel

12

§

3

Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

De minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:

  • a.

    het geven van bekendheid aan het project en de resultaten ervan;

  • b.

    de samenwerking met derden bij of in verband met de uitvoering van het project;

  • c.

    het verlenen van medewerking aan een door hem over de toepassing en de effecten van deze regeling ingesteld evaluatie-onderzoek, voor zover hij aan die medewerking redelijkerwijs behoefte heeft;

  • d.

    de tenaamstelling, verwerving, instandhouding, exploitatie en vervreemding van rechten van intellectuele eigendom en de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.

§

4

Voorschotten

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

De minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag om een voorschot, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.

§

5

Subsidievaststelling

Artikel

22

De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

§

6

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

23

Artikel

24

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten opkomende markten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Economische ZakenL.J.Brinkhorst