Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 20 februari 2004, nr. EV 2004017428, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Externe Veiligheid, houdende Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004

Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Besluit:

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    lont: onderdeel van het vuurwerk waardoor de gebruiker in staat wordt gesteld het vuurwerk tot ontbranding te brengen;

  • b.

    lading: samenstelling van de sas en de hoeveelheid sas in vuurwerk;

  • c.

    zwart buskruit: mengsel bestaande uit houtskool en natriumnitraat of kaliumnitraat met of zonder zwavel, met een maximale verontreiniging van 3%;

  • d.

    knal: het beoogde geluidseffect ten gevolge van een explosieve verbranding van zwart buskruit opgesloten in een afzonderlijk compartiment;

  • e.

    burst: het effect ten gevolge van een explosieve verbranding van een lading met als doel om effectladingen aan te steken en te verspreiden;

  • f.

    indoortheatervuurwerk: theatervuurwerk dat geschikt is voor de realisatie van pyrotechnische speciale effecten in besloten ruimten;

  • g.

    elektrische ontsteker: een voorwerp waarmee, middels een gespecificeerde minimale hoeveelheid elektrische energie, een stof of voorwerp tot ontbranding of ontsteking gebracht wordt;

  • h.

    sterren: delen of onderdelen van pyrotechnische voorwerpen in vaste vorm (bol, cilinder, korrel) die bij verbranding een lichtspoor of een spoor van vonken veroorzaken;

  • i.

    vonken: hete deeltjes die een kortstondig lichteffect veroorzaken;

  • j.

    scherven: delen of onderdelen van de constructieve elementen van pyrotechnische stoffen en voorwerpen, die een (onbedoeld) gevaar voor personen kunnen opleveren in de vorm van verwonding of ander letsel;

  • k.

    scherfwerking: een eigenschap van stoffen, voorwerpen of producten om scherven te veroorzaken;

  • l.

    bijlage: bij deze regeling behorende bijlage;

  • m.

    pyrotechnische unit: afzonderlijke eenheid die een pyrotechnisch effect teweegbrengt;

  • n.

    compartiment: afgesloten deel van vuurwerk dat een of meer pyrotechnische units bevat.

Artikel

2

Artikel

3

Consumentenvuurwerk en theatervuurwerk mag niet de stoffen bevatten vermeld in bijlage II.

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Consumentenvuurwerk dat een roterende beweging maakt, is niet aan een stok of een draad bevestigd.

Artikel

8

Consumentenvuurwerk is niet herlaadbaar.

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Consumentenvuurwerk mag niet door gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen de indruk wekken dat het vuurwerk niet voldoet aan de in deze regeling aan consumentenvuurwerk gestelde eisen.

Artikel

12

Artikel

13

Het in bijlage V vermelde vuurwerk wordt aangewezen als theatervuurwerk voor zover het voldoet aan de in die bijlage gestelde eisen met betrekking tot de lading.

Artikel

14

Artikel

16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Kuala Lumpur
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerP.L.B.A . van Geel

Bijlage

I

Fop- en schertsvuurwerk (artikel 2, eerste en tweede lid)

  • 1.

    Booby-traps en trektouwtjes – lading kaliumchloraat en een brandbare stof tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 50 milligram;

  • 2.

    Confetti- en tafelbommen, knalbonbons en cotillonvruchten – lading tot een gewicht van ten hoogste 1 gram;

  • 3.

    Flitswatten – lading uitsluitend collodiumwol tot een gewicht van ten hoogste 1 gram;

  • 4.

    Serpents – lading tot een gewicht van ten hoogste 3 gram;

  • 5.

    Bengaalse lucifers – lading tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram;

  • 6.

    Bengaalse handfakkels – lading tot een gewicht van ten hoogste 25 gram;

  • 7.

    Sterretjes – lading uitsluitend aluminiumpoeder tot ten hoogste 15%, nitraten of ijzerpoeder, eventueel met toevoeging van een bindmiddel, tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 30 gram;

  • 8.

    Knalerwten en knalduiveltjes – lading zilverfulminaat tot een gewicht van ten hoogste 2,5 milligram;

  • 9.

    IJsfonteinen – lading nitraatcellulose tot een gewicht van 7,5 gram;

  • 10.

    Schertslucifers – lading tot een gewicht van ten hoogste 50 milligram voor het vuureffect en ten hoogste 3,0 milligram voor het knaleffect.

Bijlage

II

Stoffen die niet mogen voorkomen in consumentenvuurwerk en theatervuurwerk (artikel 3)

  • 1.

    arseen of arseenverbindingen;

  • 2.

    mengsels die meer dan 80 massa-% chloraten bevatten;

  • 3.

    mengsels van chloraten met meer dan 0,15 massa-% bromaten;

  • 4.

    mengsels van chloraten met metalen;

  • 5.

    mengsels van chloraten met rode fosfor;

  • 6.

    mengsels van chloraten met kalium hexacyanoferraat(II);

  • 7.

    mengsels van chloraten met zwavel of sulfides;

  • 8.

    lood of loodverbindingen;

  • 9.

    kwikverbindingen;

  • 10.

    witte fosfor;

  • 11.

    picraten of picrinezuur;

  • 12.

    zwavel met een zuurgraad (uitgedrukt als massa fractie zwavelzuur) groter dan 0,002%;

  • 13.

    zirkonium met een deeltjesgrootte van minder dan 40 µm.

Bijlage

III

Eisen met betrekking tot de lading, constructie en eigenschappen per categorie consumentenvuurwerk (artikel 9, eerste lid)

A. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten;

A1. niet-gecompartimenteerd – lading: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram;

A2. gecompartimenteerd, zoals snoeren, strengen of zevenklappers – lading: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2500 gram mits elk compartiment niet meer bevat dan ten hoogste 0,5 gram.

B. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten met een geleidelijke uitstoot van het effect op de grond tot een maximale hoogte van 5 meter;

B1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 100 gram;

B2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 200 gram mits elk compartiment niet meer bevat dan ten hoogste 100 gram.

C. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten; indien zich in het vuurwerk een bursteffect bevindt, dient dit pas boven een hoogte van 5 meter tot ontbranding te komen;

C1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk met niet meer dan een pyrotechnische unit zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 50 gram; de totale lading van de burst mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal;

C2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram en een lading per compartiment van ten hoogste 15 gram; de totale lading van de burst mag per compartiment maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal;

C3. niet-gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met twee of meer pyrotechnische units tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 50 gram waarbij de lading per pyrotechnische unit niet meer bedraagt dan 10 gram; de totale lading van de bursteffecten mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal; de constructie dient zodanig te zijn uitgevoerd dat het vuurwerk eenvoudig in de grond is te plaatsen.

D. Zichzelf voortdrijvend, verticaal opstijgend vuurwerk;

D1. met knal – lading voor knaleffect: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2 gram; overige lading: zwart buskruit of een andere lading waarvan het gezamenlijk gewicht, met inbegrip van het gewicht van de lading voor het knaleffect, ten hoogste 5 gram mag bedragen; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten;

D2. met bursteffect dat na de ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten – lading: zwart buskruit of een andere lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 40 gram; de totale lading van de burst mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten;

D3. met een geluid- of lichteffect anders dan een burst of een knal – lading: zwart buskruit tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 40 gram; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten.

E. Zichzelf voortdrijvend, roterend vuurwerk;

E1. dat niet opstijgt en na de ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten – lading voor knaleffect: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 1 gram; overige lading: zwart buskruit of een andere lading waarvan het gezamenlijk gewicht, met inbegrip van het gewicht van de lading voor het knaleffect, ten hoogste 5 gram mag bedragen;

E2. dat niet opstijgt en na de ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten – lading: zwart buskruit of een andere lading, waarvan het gezamenlijk gewicht ten hoogste mag bedragen:

  • a.

    indien het vuurwerk voor het goed functioneren moet worden vastgezet: 40 gram;

  • b.

    indien het vuurwerk voor het goed functioneren niet moet worden vastgezet: 15 gram;

E3. dat opstijgt en na de ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten – lading: zwart buskruit of een andere lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 5 gram.

F. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten met een effect dat per pyrotechnische unit gelijktijdig geheel wordt uitgestoten en vanaf de grond tot een maximale hoogte van 10 meter reikt;

F1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk met niet meer dan een pyrotechnische unit zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 50 gram;

F2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 200 gram mits elke pyrotechnische unit niet meer lading bevat dan 15 gram.

G. Vuurwerk bestaande uit door de fabrikant samengestelde combinaties van B1, C2, C3 of F2 zijn toegestaan mits ieder type afzonderlijk functioneert en voldoet aan de individuele eisen die gesteld zijn – lading: tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram.

Bijlage

IV

Methode van onderzoek in verband met omvallen van vuurwerk (artikel 9, zesde lid, alsmede artikel 12, achtste lid)

1. Het te testen artikel wordt overeenkomstig de gebruiksaanwijzing geplaatst op een houten blok. Het bovenvlak van dit blok heeft een helling van 10 graden ten opzichte van het horizontale vlak en is bekleed met schuurpapier met grit P80 volgens ISO 6344-2.

2. Plaats de basis van het artikel op het houten blok en ontsteek de lont. Voor een polygone basis (bijvoorbeeld een driehoek of ruit): plaats één zijde van de basis evenwijdig aan de bovenrand van het blok.

3. Observeer of het artikel eerder omvalt dan na het uitstoten van het laatste pyrotechnische effect en dit omvallen de werking van een of meer pyrotechnische effecten in enigerlei opzicht heeft beïnvloed. Wanneer dit het geval is, kan de test worden gestaakt.

4. Plaats het volgende exemplaar van het artikel 90° met de klok mee gedraaid ten opzichte van de oriëntatie in de vorige test op het houten blok en ontsteek de lont.

5. Herhaal stap 4. voor ieder artikel uit de steekproef, tenzij het artikel eerder omvalt dan na het uitstoten van het laatste pyrotechnische effect en dit omvallen de werking van een of meer pyrotechnische effecten in enigerlei opzicht heeft beïnvloed.

Bijlage

V

Theatervuurwerk (artikel 13)

  • AA.

    Binair mengsel: een heterogeen mengsel van minimaal twee vaste stoffen in poedervorm, welke volgens veiligheidsinstructies van importeur of leverancier op locatie kan worden aangemaakt voor direct gebruik.

    • AA.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

    • AA.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.

  • BB.

    Draadraket of lijnraket: een voorwerp dat door een pyrotechnische sas wordt voortgestuwd en dat zodanig aan een geleidedraad bevestigd is, dat voorkomen wordt dat het voorwerp tijdens het functioneren van de draad kan loskomen. Tijdens functioneren kan de draadraket een (gespecificeerd) geluid, vuur, licht, vonk of combinatie van deze effecten veroorzaken.

    • BB.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

    • BB.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 20 gram.

  • CC.

    Fakkel (flare): een pyrotechnisch voorwerp met een vlam of vuureffect dat gedurende een bepaalde tijdsduur kan aanhouden.

    • CC.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.

    • CC.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

  • DD.

    Stroboscoop fakkel (strobe flare, flash flare): een pyrotechnisch voorwerp met een vlam of vuureffect dat gedurende een bepaalde tijdsduur kan aanhouden en waarbij een pulserend of stroboscopisch vlam- of vuureffect wordt gevormd.

    • DD.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.

    • DD.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

  • EE.

    Fontein: een pyrotechnisch voorwerp van waaruit een langdurende of kortdurende stroom van vonken wordt uitgeworpen.

    • EE.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 250 gram.

    • EE.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 200 gram.

  • FF.

    Komeet: een pyrotechnisch voorwerp met een éénmalige uitstoot van een of meerdere (geperste) sterren die tot aan het hoogst bereikbare punt een spoor van vonken of lichtsporen achterlaten met een geringe spreiding.

    • FF.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

    • FF.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 50 gram.

  • GG.

    Mijn: een pyrotechnisch voorwerp met een éénmalige uitstoot van (losse) sterren of andere voorwerpen zoals, serpentines of confetti.

    • GG.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.

    • GG.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 135 gram.

  • HH.

    Confetti of serpentine effecten: een uitworp van confetti of serpentines op basis van een pyrotechnische sas waarbij de effectlading geen vuur vat.

    • HH.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

    • HH.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 10 gram.

  • II.

    Vlamprojector (flame projector): een pyrotechnisch voorwerp met een lading rookzwak kruit dat een kortstondig vuureffect veroorzaakt in de vorm van een vuurbal of vuurzuil. Het effect mag niet gebaseerd zijn op een brandbare vloeistof.

    • II.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.

    • II.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 250 gram.

  • JJ.

    Fireball of Mortar Hit: kortstondige (gekleurde) vuurbal (vuur- of vlameffect) van vonken of sterren, al dan niet met knal of rookwolk, dat middels een éénmalige uitstoot van een brandbare effectlading ontstaat en enige seconden kan aanhouden.

    • JJ.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.

    • JJ.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

  • KK.

    Waterval: een pyrotechnisch voorwerp met een effect van vonken dat bedoeld is om over enige breedte en vanaf enige meters hoogte het effect te veroorzaken.

    • KK.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.

    • KK.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

  • LL.

    Theaterknal (maroon, cannon simulator, concussion): pyrotechnische stof of voorwerp bedoelt om een knal te bewerkstelligen met dien verstande dat de lading hier in afwijking van artikel 1, onder d, niet beperkt is tot zwart buskruit.

    • LL.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.

    • LL.2

      Indoor-theatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.

  • MM.

    Batterijen en combinaties (Multi Shot Boards, Tracer Boards, Mine Plates, Comet Plates, Fanracks): pyrotechnische voorwerpen bestaande uit combinaties van CC, DD, EE, FF, GG, JJ en OO waarbij de effectladingen gelijktijdig of achtereenvolgens, middels een vertragingslont, tot ontbranding worden gebracht en waarbij ieder type voldoet aan de individuele eisen die in deze bijlage gesteld zijn.

    • MM.1

      Theatervuurwerk – lading: tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 200 gram.

    • MM.2

      Theatervuurwerk – lading, onder de voorwaarde dat de kokers met effect (tubes) deugdelijk zijn geborgd op een basis van hout of kunststof en zich op een onderlinge afstand van minimaal 12,7 mm van elkaar bevinden: tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram.

    • MM.3

      Indoortheatervuurwerk – lading: tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 200 gram

  • NN.

    Draaizon (Wheel, Saxon, Merry go Round): een pyrotechnisch voorwerp bestaande uit één of meerdere aan elkaar bevestigde fonteinen of branders die op een zodanige wijze gemonteerd worden dat het voorwerp bij ontbranding een roterende beweging maakt. Het vonk- of vuureffect wordt bij rotatie van het voorwerp spiraalsgewijs uitgeworpen.

    • NN.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 200 gram.

    • NN.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.

  • OO.

    Flitspot (Flashpot, Flashpots, Sparkle Pots, Flash Trays, SPD’s): een pyrotechnisch voorwerp dat door de fabrikant of importeur voor direct gebruik aangeboden wordt en dat bij ontbranding een lichtflits veroorzaakt al dan niet vergezeld van een rook-, vonk-, ster- of knaleffect van korte duur.

    • OO.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.

    • OO.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.

  • PP.

    Theatervuur: een pyrotechnische stof die in daartoe geschikte houders (open vlamschalen) tot ontbranding wordt gebracht ter verkrijging van een (gekleurd) licht- of vlameffect van enige duur.

    • PP.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 1000 gram per houder.

    • PP.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram per houder.

  • QQ.

    Airburst (RTG’s, Coloured Airbursts): een pyrotechnisch voorwerp dat door een fabrikant of importeur voor direct gebruik wordt aangeboden en dat middels de ontstekerdraad op de door de fabrikant aangegeven hoogte aangebracht dient te worden. Bij ontbranding veroorzaakt het product een vonk-, licht- of stereffect al dan niet vergezelt van een knaleffect. De effectlading kan ook bestaan uit confetti of serpentines.

    • QQ.1

      Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 75 gram.

    • QQ.2

      Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 35 gram.

  • RR.

    RR. Bombette: een pyrotechnisch voorwerp met een eenmalige uitstoot van een effectlading en burst vervat in een separaat compartiment dat na de initiële uitstoot vertraagd tot ontsteking gebracht wordt en waarbij het compartiment door de reactie uiteen wordt gereten.

    • RR.1.

      Theatervuurwerk: lading ten hoogste 150 gram.

    • RR.2.

      Indoortheatervuurwerk: niet toegestaan.

Bijlage

VI

Methode van onderzoek geluidsniveau (artikel 14, tweede lid)

1. Testlocatie

  • a.

    De test wordt uitgevoerd in de buitenlucht op een plaats met een vlakke, harde, geluidreflecterende en onbrandbare bodem van ten minste 4 bij 6 meter.

  • b.

    Binnen een straal van 20 meter vanaf de plaats van het vuurwerk moet het maaiveld vlak zijn en mogen geen obstakels boven het maaiveld uitsteken die geluid kunnen reflecteren, zoals gebouwen, schuttingen, stoepranden, wallen of muurtjes. Dit geldt ook indien de obstakels door begroeiing aan het oog worden onttrokken.

2. Weersomstandigheden

De test moet worden uitgevoerd bij droog weer. De windsnelheid, gemeten op 1,5 meter hoogte boven de grond, mag niet groter zijn dan 5 meter per seconde.

3. Meetsysteem

  • a.

    Het geluidmeetsysteem bestaat uit een microfoon met flat random-incidence response, die aan een geluidmeter is bevestigd of via een kabel aan een geluidmeter is gekoppeld. De geluidmeter en de microfoon moeten voldoen aan IEC 61672-1:2002 (NEN-EN-IEC 61672-1), onder klasse 1. Voor de ijking van het meetsysteem moet gebruik worden gemaakt van een akoestische kalibrator, waarvan de afwijking niet meer bedraagt dan 0,5 dB.

  • b.

    Het meetsysteem en de akoestische kalibrator worden geacht aan de onder a. gestelde eisen te voldoen, indien zij binnen een periode van twee jaren voorafgaande aan de meting bij een onderzoek ter zake door de krachtens artikel 22 van de IJkwet aangewezen rechtspersoon, blijkens een door die rechtspersoon afgegeven verklaring, aan de hierboven gestelde eisen hebben voldaan en in die periode geen herstellingen of veranderingen van de instrumenten hebben plaatsgehad die van invloed kunnen zijn op het meetresultaat.

4. Meetopstelling

  • a.

    Het vuurwerk wordt geplaatst op de harde bodem als omschreven onder punt 1. Vuurwerk dat zich tijdens de ontbranding kan verplaatsen wordt op een hoogte van ten minste 0,2 meter boven de bodem vastgezet.

  • b.

    De microfoon, dan wel de geluidmeter met microfoon, wordt verticaal opgesteld op een statief, zodanig dat de hoogte van het membraan van de microfoon zich bevindt op 1,0 meter hoogte boven de harde bodem en de horizontale afstand tussen de microfoon en het te testen vuurwerk 2,0 meter bedraagt.

  • c.

    in afwijking van b. geldt voor vuurwerk dat behoort tot de categorie A2 van bijlage III dat de microfoon wordt geplaatst haaks op het midden van het uitgelegde vuurwerk op een horizontale afstand van 6 meter.

  • d.

    Binnen een straal van 2,0 meter van de plaats van het vuurwerk en binnen een straal van 2,0 meter van de plaats van de microfoon moet het bodemvlak homogeen zijn en voldoen aan de onder punt 1 gestelde eisen.

5. Meetmethode

  • a.

    De geluidmeter wordt ingesteld op het meten van het A-gewogen geluidexpositieniveau LAE (in Engels: A-weighted sound exposure level, ASEL).

  • b.

    Voorafgaand aan het ontsteken van het vuurwerk wordt de meting gestart en binnen 5 seconden nadat het vuurwerk volledig tot ontbranding is gekomen wordt de meting gestopt.

  • c.

    Nadat de meting is gestopt, wordt de gemeten waarde afgelezen.

6. Testrapport

Het testrapport moet ten minste de volgende informatie bevatten:

  • a.

    identificatie van het vuurwerk: soort vuurwerk, fabrikant, lotnummer;

  • b.

    datum, tijdstip en locatie van de test;

  • c.

    beschrijving van het type bodemverharding waarop het vuurwerk is getest;

  • d.

    beschrijving van de meetketen met fabrikaat en typenummer van de apparatuur;

  • e.

    plattegrond met schematische weergave van de testlocatie, waarop zijn aangegeven: de hierboven bedoelde bodemverharding met afmetingen, de plaats van het vuurwerk en de plaats en oriëntatie van de microfoon;

  • f.

    windsnelheid tijdens de test en de methode en apparatuur waarmee de windsnelheid is gemeten;

  • g.

    wijze van ontsteking;

  • h.

    wijze waarop het vuurwerk is vastgezet (indien van toepassing);

  • i.

    gemeten geluidexpositieniveaus LAE;

  • j.

    de toetsing van de gemeten geluidsniveaus.