Regeling van de Minister van Economische Zaken van 26 maart 2004, nr. WJZ 4004565, houdende de Uitvoeringsregeling BSE-2004 programma energiebesparing door innovatie

Uitvoeringsregeling BSE-2004 programma energiebesparing door innovatie

De Minister van Economische Zaken,

Besluit:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

4

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling BSE-2004 programma energiebesparing door innovatie.

Deze regeling zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Economische ZakenL.J.Brinkhorst

Bijlage

, behorende bij artikel 1

Programma energiebesparing door innovatie

A

Doel, afbakening

In het kader van het Besluit subsidies energieprogramma’s wordt via diverse energieprogramma’s subsidie verleend voor activiteiten op het gebied van energiebesparing en duurzame energie. Het doel van het programma energiebesparing door innovatie (hierna: het programma) is het realiseren van energiebesparing in de in Nederland gevestigde industrie, dienstverlenende bedrijven en instellingen.

Om dit doel te realiseren is het programma gericht op de ontwikkeling van nieuwe technologie, de toepassing hiervan, of de nieuwe toepassing van bestaande technologie.

In het kader van het programma is verstrekking van subsidie mogelijk voor de volgende typen projecten (nadere omschrijving in artikel 1 van het Besluit subsidies energieprogramma’s):

  • praktijkexperimenten;

  • demonstratieprojecten;

  • marktintroductieprojecten.

Projecten in de primaire agrarische sector (BIK 1995, secties 01, 02 en 05), projecten gericht op het besparen van energie benodigd voor transport, anders dan intern transport dat plaatsvindt binnen een bepaalde locatie, en projecten betreffende duurzame energie, komen in het kader van dit programma niet voor subsidie in aanmerking.

Toelichting

Het doel van het programma is niet de vermindering van productievolume, maar de vermindering van de energiebehoefte per eenheid product of per geleverde dienst.

Onder duurzame energie wordt verstaan (combinaties van) windenergie, fotovoltaïsche zonne-energie, thermische zonne-energie, passieve zonne-energie, aardwarmte, thermische energieopslag in de bodem, omgevingswarmte, waterkracht, energie uit biomassa en energie uit afval van organische oorsprong.

Ook non-profit instellingen kunnen van dit programma gebruik maken.

Terreinen waarop projecten kunnen worden ingediend zijn bijvoorbeeld het verbeteren van het rendement van procesapparatuur, het verbeteren van de besturing van productieprocessen, procesintegratie, dematerialisatie, optimalisatie van energiestromen, conversie van energie, of energiegerichte geïntegreerde ketenaanpak.

B

Beoordeling

1. Aanvragen die niet voldoen aan het Besluit subsidies energieprogramma’s en het gestelde in onderdeel A van dit programma, worden door de minister afgewezen.

2. De minister wint omtrent de aanvragen betreffende praktijkexperimenten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten, die voldoen aan de voorschriften van het Besluit subsidies energieprogramma’s en het gestelde in onderdeel A van dit programma, advies in bij de Adviescommissie energiebesparing door innovatie.

3. De commissie geeft de minister een negatief advies over de aanvragen, bedoeld onder 2 van dit onderdeel, die op grond van onderdeel C van dit programma niet voor subsidie in aanmerking komen.

4. De commissie geeft inzake de aanvragen, bedoeld onder 2 van dit onderdeel, waarover de commissie geen negatief advies als bedoeld onder 3 van dit onderdeel heeft gegeven, een advies over de volgorde van rangschikking aan de hand van de criteria, bedoeld in onderdeel D van dit programma.

C

Voorwaarden

5. De minister kan afwijken van een advies van de commissie, indien een advies van de commissie in strijd is met het Besluit subsidies energieprogramma's dan wel op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Geen subsidie wordt verstrekt:

  • 1.

    indien het project niet bijdraagt aan de doelstelling van het programma;

  • 2.

    indien het project niet is gericht op de ontwikkeling van een nieuwe technologie, de toepassing hiervan, of de nieuwe toepassing van bestaande technologie;

  • 3.

    voor projectkosten voor zover met betrekking tot deze kosten verplichtingen zijn aangegaan voor de indiening van de aanvraag;

  • 4.

    indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;

  • 5.

    indien het onaannemelijk is dat een project binnen drie jaar na subsidieverlening kan worden voltooid.

Toelichting

Ad 4. Bij de beoordeling van de haalbaarheid van een project kunnen worden betrokken de belemmeringen en mogelijkheden voortvloeiend uit regelgeving, normen of certificatie. Daarnaast zal een projectuitvoerder moeten beschikken over de noodzakelijke financiële middelen en de benodigde organisatorische en technisch-wetenschappelijke kwaliteiten.

D

Criteria rangschikking

1. Rangschikking vindt plaats op grond van de volgende criteria: de potentiële energiebesparing van het project in relatie tot de gevraagde subsidie; de innovativiteit van het project.

2. Voor de rangschikking kan voor criterium b de helft van het aantal punten worden behaald als voor criterium a.

Toelichting

Ad 1a. De potentiële energiebesparing wordt beoordeeld in relatie tot de gevraagde subsidie. Hiermee wordt een zo effectief mogelijke inzet van de subsidie gerealiseerd. Aspecten die meespelen bij de beoordeling van de potentiële energiebesparing zijn met name:

  • 1.

    de omvang van de besparing bij de toepassing van het eerste resultaat van dit project;

  • 2.

    het herhalingspotentieel van het project en de kans dat dit wordt benut;

  • 3.

    de mate van kennisoverdracht en betrokkenheid van relevante partijen;

  • 4.

    de economische terugverdientijd van een toekomstige investering

    • bij herhaling van het project (demonstratie- of marktintroductieprojecten), of

    • in het resultaat van een project (praktijkexperiment);

  • 5.

    de mogelijke spin-off effecten van het project.

Bij de berekening van de energiebesparing worden de volgende equivalenten toegepast:

  • 1 kWh elektrische energie komt overeen met 0,28 m3 aardgas;

  • 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 m3 aardgas;

  • 1 ton stookolie komt overeen met 1300 m3 aardgas;

  • 1 ton steenkool komt overeen met 925 m3 aardgas;

  • 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 m3 aardgas.

Ad 1b. Bepalend is in hoeverre de projecten innovatief zijn ten opzichte van de huidige stand der techniek binnen de branche.

E

Subsidiepercentages en maximumbedragen

1. Praktijkexperiment: 50 procent van de projectkosten, maar niet meer dan € 900 000 per project.

2. Demonstratieproject:

  • a.

    40 procent van de projectkosten, voor zover de projectkosten niet meer dan € 454 000 bedragen;

  • b.

    25 procent van de projectkosten, voor zover de projectkosten meer dan € 454 000 bedragen, maar niet meer dan € 1 135 000 per project.

3. Marktintroductieproject: 25 procent van de projectkosten, maar niet meer dan € 675 000 per project.

F

Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het in 2004 verlenen van subsidies op grond van het Programma energiebesparing door innovatie voor aanvragen inzake praktijkexperimenten, demonstratie- en marktintroductieprojecten, ontvangen in de periode, bedoeld in onderdeel G van dit programma, bedraagt € 3 000 000.

G

Aanvraagperiode

Als periode na afloop waarvan de aanvragen op grond van het Programma energiebesparing door innovatie voor praktijkexperimenten, demonstratie- en marktintroductieprojecten, die in die periode zijn ontvangen, worden behandeld, wordt vastgesteld: de dag van inwerkingtreding van de Uitvoeringsregeling BSE-2004 programma energiebesparing door innovatie tot en met 28 mei 2004, 18.00 uur.

Niet-elektronische aanvragen moeten worden ingediend bij: Senter, Postbus 30732, 2500 GS Den Haag.

Voor informatie: www.senter.nl.