Artikel
1
Er is een Commissie Ruim baan voor talent, hierna te noemen: de commissie.
Besluit:
Er is een Commissie Ruim baan voor talent, hierna te noemen: de commissie.
De commissie heeft de volgende taken:
Het beoordelen van voorstellen voor experimenten in de studiejaren 2005–2006 en 2006–2007 met betrekking tot flexibele toelating, selectie van studenten en collegegelddifferentiatie bij opleidingen in het hoger onderwijs met erkende evidente meerwaarde en het monitoren van het verloop van die experimenten;
Het beoordelen van voorstellen voor initiatieven in het studiejaar 2004–2005, waarmee universiteiten en hogescholen zich op deze experimenten voorbereiden;
Het uitvoeren van overige activiteiten die verband houden met een nieuw toelatingsbeleid in het hoger onderwijs, zijnde organiseren van discussiebijeenkomsten en functioneren als loket voor toelatingsvraagstukken.
De commissie biedt rapportages aan over de experimenten en het verloop daarvan aan voor 1 januari 2005, vóór 1 januari 2006 en vóór 1 januari 2007. De commissie brengt vóór 1 december 2007 haar eindrapport uit.
De Commissie overlegt met betrokken organisaties, waaronder die uit het voortgezet onderwijs.
De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na zijn instelling een begroting aan de staatssecretaris aan.
Onder de in het eerste lid bedoelde kosten worden in ieder geval verstaan:
De kosten voor vergaderen, materiële en secretariële ondersteuning;
Een vergoeding voor door de leden van de commissie te maken reis- en verblijfkosten;
De kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek; en
De kosten van publicatie van rapportages.
Op de leden van de commissie is het Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en het Vacatiegeldenbesluit 1988 van toepassing, tenzij anders overeengekomen.
De commissie kan zich laten bijstaan door deskundigen en instanties.
De commissie verstrekt aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap desgevraagd de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de directie hoger onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan:
De leden van de commissie;
De President van de Algemene Rekenkamer;
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
De VSNU;
De HBO-raad;
Het PAEPON;
De Vereniging voor Voortgezet Onderwijs;
Het ISO en de LSVb.