Regeling houdende voorschriften met betrekking tot de orde en veiligheid op het luchtvaartterrein Midden Zeeland (Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Midden Zeeland)

Aanvullend luchthavenreglement Midden Zeeland

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    dienstwegen: de wegen, gelegen buiten het landingsterrein;

  • b.

    exploitant: Zeeland Airport B.V.;

  • c.

    motorvoertuigen: alle gelede en ongelede voertuigen, behalve bromfietsen en invalidevoertuigen uitgerust met een motor, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht op of aan dit voertuig zelf aanwezig;

  • d.

    randwegen: de wegen gelegen langs de platformen;

  • e.

    voertuigen: alle gelede en ongelede motorvoertuigen, fietsen en andere rij- of voertuigen, met uitzondering van die welke bestemd zijn om langs spoorstaven te worden voortbewogen, waaronder tevens is begrepen al het rijdend of rollend verplaatsbaar, al dan niet gemotoriseerd, materieel, dat als hulpmiddel bij de afhandeling van vliegtuigen en passagiers wordt gebruikt.

Artikel

2

Dit reglement is van toepassing op het aangewezen luchtvaartterrein Midden Zeeland.

Artikel

3

Een ieder die zich op het luchtvaartterrein bevindt is verplicht:

  • a.

    zich overeenkomstig de bepalingen van dit reglement te gedragen;

  • b.

    de aan hem door of namens de havenmeester dan wel de exploitant door middel van woorden, gebaren of tekens gegeven aanwijzingen direct gevolg te geven;

  • c.

    de door of namens de exploitant ingevolge dit reglement aan hem gevraagde inlichtingen te verschaffen.

Artikel

4

Het is verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de exploitant op het luchtvaartterrein:

  • a.

    bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten uit te oefenen dan wel te doen of te laten verrichten of een standplaats voor verhuur of verkoop in te nemen;

  • b.

    te venten of te colporteren.

Hoofdstuk

2

Niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Hoofdstuk

3

Voertuigen

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

De exploitant kan verplicht stellen dat bestuurders van voertuigen, welke worden gebruikt in het landingsterrein, voorzien zijn van verbindingsmiddelen. Bestuurders van deze voertuigen brengen, voordat het landingsterrein wordt ingereden, tweezijdige verbinding tot stand en luisteren in het landingsterrein voortdurend op de daarvoor toegewezen frequentie uit.

Hoofdstuk

4

Vervoer en opslag van gevaarlijke stoffen; tanken en aanverwante handelingen

Artikel

17

Vliegtuigen met explosieven aan boord worden geparkeerd op de daartoe door de exploitant aangewezen plaatsen.

Artikel

18

Artikel

19

Het is verboden:

  • a.

    te tanken met passagiers aan boord, wanneer het betreffende vleugelvliegtuig een capaciteit heeft van minder dan 20 passagiers;

  • b.

    te tanken over de vleugel van het betreffende vliegtuig heen, terwijl er zich passagiers aan boord bevinden;

  • c.

    kerosine Jet B, AVGAS of MOGAS te tanken met passagiers aan boord.

Artikel

20

Het is verboden hefschroefvliegtuigen te tanken:

  • a.

    met passagiers aan boord;

  • b.

    met draaiende rotors;

  • c.

    met draaiende motor(en), behoudens verkregen toestemming door de exploitant.

Artikel

21

Hoofdstuk

5

Gebruik van het luchtvaartterrein

Artikel

22

Het uitvoeren van circuit- en oefenvluchten kan door de exploitant worden beperkt tot bepaalde delen van de dag of tot bepaalde dagen van de week.

Artikel

23

Artikel

24

Gebruikers van het luchtvaartterrein en organisaties die op het luchtvaartterrein werkzaamheden verrichten ten aanzien van de vlucht- of vliegtuigafhandeling zijn verplicht om incidenten op het luchtvaartterrein en defecten en gebreken die van aanmerkelijk belang zijn in relatie met de veiligheid onverwijld te melden bij de dienstdoende functionaris van de havendienst.

Artikel

25

Indien zich tijdens het opstijgen, landen, slepen of taxiën een incident of ongeval voordoet mag de gezagvoerder of de bestuurder van een voertuig, het luchtvaartuig dan wel voertuig eerst weer verplaatsen nadat daartoe toestemming is verleend door de bevoegde instanties en na verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.

Hoofdstuk

6

Reclamesleepactiviteiten

Artikel

26

Hoofdstuk

7

Zweefvliegactiviteiten

Artikel

27

Hoofdstuk

8

Slotbepalingen

Artikel

29

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

30

Deze regeling wordt aangehaald als: Aanvullend luchthavenreglement Midden Zeeland.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, M.H.Schultz van Haegen