Beleidsregel voor het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel 35a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Beleidsregel ontheffingverlening afgifte scheepsafval)

Beleidsregel ontheffingverlening afgifte scheepsafval

De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Artikel

2

Deze beleidsregel is niet van toepassing op vissersschepen en pleziervaartuigen waarmee niet meer dan 12 passagiers mogen worden vervoerd.

Artikel

3

Aan de exploitant van een schip wordt op een daartoe strekkende aanvraag een ontheffing verleend van de verplichtingen, neergelegd in de artikelen 6a, 12a en 12b van de wet, indien hij ten genoegen van de inspecteur-generaal aantoont dat:

  • 1)

    een geëxploiteerd schip gedurende een bij die ontheffing bepaalde periode in het jaar ten minste eenmaal per 14 dagen,

    • a)

      dezelfde Nederlandse haven(s) aanloopt en

    • b)

      door hem een overeenkomst is gesloten met de houder van een in die haven gevestigde havenontvangstvoorziening met betrekking tot het tegen betaling afgeven van scheepsafval afkomstig van het schip in die haven , dan wel een dergelijke overeenkomst gesloten is met de houder van een havenontvangstvoorziening in een andere Nederlandse haven of een andere haven gelegen in de Europese Unie, Noorwegen, IJsland, of de Russische Federatie, die tijdens de vaart volgens de dienstregeling regelmatig wordt aangedaan.

  • 2)

    een bewijs van de op grond van het onder b) genoemde contract verschuldigde betalingen kan worden getoond.

Artikel

4

Artikel

5

Aan een ontheffing worden in ieder geval de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

  • a.

    de houder stelt de inspecteur-generaal onverwijld op de hoogte van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de geldigheid van de ontheffing;

  • b.

    de geldigheidsduur van de ontheffing bedraagt maximaal vijf jaar, gerekend vanaf de datum van afgifte.

Artikel

6

De ontheffing wordt ingetrokken indien:

  • a.

    de dienstregeling van het schip waarop de ontheffing betrekking heeft komt te vervallen of een ingrijpende wijziging heeft ondergaan;

  • b.

    indien de overeenkomst met de houder van de havenontvangstvoorziening wordt ontbonden;

  • c.

    indien het schip waarop de ontheffing betrekking heeft, zodanig is of wordt verbouwd dat de ruimte geschikt en bestemd voor de opslag van scheepsafval in volume of capaciteit afneemt.

Artikel

7

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 15 oktober 2004.

Artikel

8

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ontheffingverlening afgifte scheepsafval.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De inspecteur-generaal Verkeer en Waterstaat,
F.J.H. Mertens