Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 december 2004, nr. KVI2004128141, houdende bepalingen met betrekking tot het bepalen en registreren van broeikasgasemissies ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) (Regeling monitoring handel in emissierechten)

Regeling monitoring handel in emissierechten

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Gelet op Richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) en artikel 16.6, derde lid, van de Wet milieubeheer en de artikelen 5, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 7, 8, 9, eerste en tweede, 11, tweede lid, en 12, vierde lid, van het Besluit handel in emissierechten;

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemeen

Artikel

1

Begripsbepalingen

Hoofdstuk

2

Broeikasgasemissies

Afdeling

2.1

Inrichtingen

§

2.1.1

Begripsbepalingen

Artikel

2

Begripsbepalingen

§

2.1.2

Aanvraag vergunning en inhoud monitoringsplan CO2-emissies

Artikel

3

Aanvraag vergunning, wijziging, aanvulling of intrekking

Artikel

3a

Inhoud monitoringsplan algemeen

Artikel

4

Invulling monitoringsplan voor de CO2-installatie

Onverminderd artikel 3a wordt in het monitoringsplan tevens afzonderlijk voor de CO2-installatie die zich in de inrichting bevindt, vermeld:

  • a.

    de te monitoren bronstromen of CO2-eenheden binnen de CO2-installatie alsmede de naam, de identificatie en het identificatienummer;

  • b.

    indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de CO2-installatie bevinden;

  • c.

    het thermisch vermogen van CO2-eenheden met verbrandingsemissies binnen de CO2-installatie;

  • d.

    de productiecapaciteit van CO2-eenheden met procesemissies binnen de CO2-installatie;

  • e.

    de klassenbepaling van de CO2-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV;

  • f.

    indien artikel 4a, derde lid, of artikel 9a, tweede lid, van toepassing is: de geschatte omvang van de CO2-emissies per bronstroom en de geschatte omvang van de CO2-emissies van de CO2-installatie, uitgedrukt in absolute waarden en percentages van de totale emissies;

  • g.

    de wijze waarop met behulp van berekening of meting de totale CO2-jaarvracht wordt bepaald, alsmede de gehanteerde formules;

  • h.

    de methode waarmee per bronstroom de CO2-emissies worden berekend met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing van de formule;

  • i.

    de methode waarmee per bron de CO2-emissies worden gemeten alsmede een onderbouwing van deze methode;

  • j.

    de wijze waarop de onder g, h en i bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;

  • k.

    bij berekening van de CO2-emissies: een overzicht van de vereiste, toegepaste en behaalde niveaus, alsmede een onderbouwing van de toegepaste niveaus;

  • l.

    een beschrijving van de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de CO2-jaarvracht worden gebruikt;

  • m.

    een beschrijving van de meetsystemen en een specificatie met inbegrip van de typen, het meetprincipe, het meetbereik en de specifieke locatie van de meetinstrumenten, die voor elke te monitoren bronstroom worden gebruikt;

  • n.

    indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: een overzicht van de vereiste, toegepaste en behaalde niveaus alsmede een onderbouwing van de toegepaste niveaus;

  • o.

    een beschrijving van de systemen en elementen voor continue meting, ten minste bestaande uit de meetpunten, de meetfrequentie, de gebruikte apparatuur, de kalibratieprocedures, de procedures voor gegevensverzameling en opslag van deze gegevens, de procedure voor de bepaling van ontbrekende gegevens, alsmede de methode die wordt gevolgd om de resultaten van de continue metingen te controleren;

  • p.

    de methode om voor de bemonstering van elke bronstroom de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de emissiefactoren, de oxidatie- en conversiefactor en het biomassagehalte te bepalen;

  • q.

    de analysemethoden of informatiebronnen om voor elke bronstroom de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de emissiefactoren, de oxidatie- en conversiefactor of de biomassafractie te bepalen;

  • r.

    de gegevens waaruit blijkt dat de toepasselijke onzekerheidsniveaus voor de variabelen voor elke bronstroom worden nageleefd;

  • s.

    indien de methode, bedoeld in artikel 12b wordt toegepast: de methode en de onzekerheidsanalyse;

  • t.

    indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem;

  • u.

    indien toepassing wordt gegeven aan artikel 13, eerste lid: de onderbouwing van de monitoringsmethodiek van de CO2 die wordt overgedragen.

Artikel

4a

Uitzondering eisen monitoringsplan voor CO2-installaties met een lage CO2-emissie

Artikel

5

Model monitoringsplan

Artikel

5a

Verzoek tot intrekking vergunning

Vervallen

§

2.1.3

Monitoringsmethodiek CO2

Artikel

6

Bepalen van de CO2-emissies

Artikel

6a

Continue meetmethode

Artikel

7

Bepaling activiteitgegevens

Artikel

8

Bepaling emissiefactoren

Artikel

9

Bepaling oxidatie- of conversiefactoren

Artikel

9a

Klassenindeling

Artikel

10

Te hanteren niveaus

Artikel

11

Lagere niveaus voor kleinere bronnen

Artikel

11a

Lagere niveaus zuivere biobrandstoffen en materialen

In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mogen voor de hoeveelheid en de calorische onderwaarde van zuivere biobrandstoffen en materialen schattingsmethoden worden toegepast waarvoor geen nauwkeurigheidsniveau is bepaald, tenzij de geschatte CO2-emissies worden gebruikt voor het in mindering brengen van de CO2-emissies die door middel van continue meting als bedoeld in artikel 6, tweede lid, zijn bepaald. Gemengde brandstoffen en materialen die biomassa bevatten, worden gekarakteriseerd overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.4, tenzij de bronstroom als de minimis wordt geselecteerd.

Artikel

12

Tijdelijke niet haalbaarheid van het niveau

Artikel

12a

Lagere niveaus voor CO2-installaties met een lage CO2-emissie

In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, eerste lid, voldoet, voor bronstromen lagere niveaus toepassen voor de variabelen die worden gebruikt om CO2-emissies uit bronstromen te berekenen.

Artikel

12b

Afwijkende monitoringsmethodiek

Artikel

13

Overgedragen CO2

Artikel

14

Biomassa

Het deel van de berekende of gemeten CO2-emissies, afkomstig van biomassa, wordt in mindering gebracht op de totale CO2-emissies van de CO2-installatie door middel van de ingevolge artikel 6, eerste lid, toegepaste rekenmethode.

Artikel

15

Normen voor de meting van CO2-emissies

Artikel

15a

Beoordeling van de onzekerheid van de meetinstrumenten

Artikel

15b

Beoordeling van de onzekerheid van het meetsysteem

Artikel

15c

Onzekerheid van commercieel verhandelbare brandstoffen en materialen

In afwijking van de artikelen 15a en 15b mag degene die een inrichting drijft, zich voor de bepaling van de jaarlijkse hoeveelheid commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbaar materiaal baseren op overeenkomstig artikel 27 geregistreerde facturen, indien hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de onzekerheidseisen die voor commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbare materialen zijn neergelegd in relevante nationale of internationale normen, voldoen aan de onzekerheidseisen die in de bij deze regeling behorende bijlage II zijn neergelegd voor de hoeveelheid commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbare materiaal.

Artikel

15d

Bepaling van de onzekerheid van een meetinstrument dat gemoeid is met de overschatting van de CO2-emissie

Artikel

16

Combinatie rekenmethode en meetmethode

§

2.1.4

Meetinstanties CO2-emissies

Artikel

17

Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie

Artikel

17a

Eisen aan meetinstantie

§

2.1.5

Kwaliteitsborging meetvoorzieningen CO2-emissies

Artikel

18

Kwaliteitsborging CO2-metingen

Artikel

19

Metingen m.b.v. apparatuur

Artikel

20

Meetvoorzieningen

Bij een CO2-installatie worden de voorzieningen aangebracht die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de voorgeschreven metingen.

Artikel

21

Melding periodieke of parallelmeting

Artikel

22

Melding indien geen gebruik wordt gemaakt van de meetresultaten

Artikel

23

Bedrijfsinterne validatieprocedure

§

2.1.6

Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en organisaties CO2-installaties

Artikel

24

Kwaliteitsborging

Artikel

25

Interne audit

Artikel

26

Documentenbeheer

Artikel

27

Bedrijfsinterne registraties

Artikel

28

Opslag van informatie

Artikel

29

Uitbesteding

§

2.1.7

Interne bedrijfsorganisatie CO2-installaties

Artikel

30

Verdeling taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden

§

2.1.8

Registratie veranderingen in en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan CO2-emissies

Artikel

31

Registratie veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Alle veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 33, eerste lid, en alle tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, worden opgenomen in het register operationele registraties of het register kwaliteitsregistraties als bedoeld in artikel 27, eerste lid.

Artikel

32

Veranderingen in het monitoringsplan

§

2.1.9

Melden van veranderingen en tijdelijke afwijkingen monitoringsplan CO2-emissies

Artikel

33

Significante veranderingen monitoringsplan

Artikel

33a

Tijdelijke afwijkingen monitoringsplan

Artikel

33b

Formulier

Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 33 en 33a, wordt gebruikgemaakt van het ter zake door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde standaardformulier.

§

2.1.9a

Toepassing artikel 16.34a van de wet

Artikel

33c

Aanleveren gegevens

§

2.1.9b

Wijzigingen broeikasgasinstallatie

Artikel

33d

Het geheel beëindigen werking broeikasgasinstallatie

Artikel

33e

Het gedeeltelijk beëindigen werking broeikasgasinstallatie

Artikel

33f

Hervatten productie broeikasgasinstallatie

Artikel

33g

Vermindering capaciteit broeikasgasinstallatie

Artikel

33h

Melding buiten reikwijdte

Indien afdeling 16.2.1 van de wet door een omstandigheid niet meer van toepassing is op de inrichting, meldt de houder van de vergunning dit binnen zes weken schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de datum waarop bedoelde omstandigheid zich heeft voorgedaan.

Artikel

33j

Melden wijzigingen periode 1 juli 2011 tot 1 juli 2012

In afwijking van de termijnen, genoemd in de artikelen 33d, tweede lid, 33e, tweede lid, 33f, tweede lid, en 33g, tweede lid, worden de bedoelde meldingen uiterlijk 15 augustus 2012 gedaan, indien de wijziging zich heeft voorgedaan in de periode die loopt van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012.

§

2.1.10

Emissieverslag CO2

Artikel

34

Emissieverslag CO2

§

2.1.11

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten CO2-emissies

Artikel

34a

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

§

2.1.12

Toewijzing aan nieuwkomers

Artikel

34b

Toewijzing aan nieuwkomers

§

2.1.13

Verstrekken en kwaliteitsborging van emissiegegevens ten behoeve van de aanpassing van de hoeveelheid broeikasgasemissierechten voor de hele Unie voor de periode 2013–2020

Artikel

34ba

Gegevensverstrekking

Vervallen

§

2.1.14

Verstrekken en kwaliteitsborging van gegevens ten behoeve van de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten voor de periode 2013–2020

Artikel

34bb

Begripsbepalingen

Vervallen

Artikel

34bc

Toepassingsbereik

Artikel

34bd

Gegevensverstrekking

Artikel

34be

Overleggen methodologieverslag

Artikel

34bf

Standaardformulier

De in artikel 34bd bedoelde gegevens worden verstrekt en het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag wordt opgesteld en overgelegd op een door het bestuur van de emissieautoriteit aangegeven wijze en met gebruikmaking van een door dat bestuur op de website van de emissieautoriteit geplaatst standaardformulier.

Artikel

34bg

Algemene eisen inzake monitoring

Artikel

34bh

Ontbreken van gegevens

Indien met betrekking tot de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 of, voor zover van toepassing, 2011 geen gegevens als bedoeld in artikel 34bd beschikbaar zijn of indien deze gegevens niet volledig of onduidelijk zijn, worden deze gegevens door degene die de inrichting drijft, overeenkomstig Besluit 2011/278/EU op een zodanige wijze geschat dat deze schatting niet leidt tot een te hoge kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten. De wijze waarop tot de schatting is gekomen, wordt opgenomen in het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag.

Artikel

34bi

Verklaring verificateur

De in artikel 34bd bedoelde gegevens en het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag gaan vergezeld van een verklaring van een verificateur, waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem uitgevoerde beoordeling overeenkomstig artikel 34bj.

Artikel

34bj

Verificatiewerkzaamheden

Artikel

34bk

Verplichtingen van de inrichting met betrekking tot verificatie

Artikel

34bl

Eisen aan verificateur

Afdeling

2.2

Luchtvaartactiviteiten

§

2.2.1

Algemeen

Artikel

34d

Begripsbepalingen

§

2.2.2

Monitoringsplan

Artikel

34e

Indiening monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens

Artikel

34f

Standaardformulier

Artikel

34g

Inhoud monitoringsplan voor emissies

Het monitoringsplan bevat in elk geval de volgende gegevens:

  • a.

    de identificatiegegevens van de vliegtuigexploitant en een beschrijving van de activiteiten, bedoeld in onderdeel 2 van het standaardformulier, bedoeld in artikel 34f, eerste lid, alsmede de contactgegevens van de vliegtuigexploitant en van een binnen de onderneming ter zake verantwoordelijke persoon als bedoeld in onderdeel 3 van dat standaardformulier;

  • b.

    een vermelding van de versie van het monitoringsplan;

  • c.

    een initiële lijst van luchtvaartuigtypen in de vloot van de vliegtuigexploitant die op het tijdstip van indiening van het ontwerp van het monitoringsplan in bedrijf zijn alsmede het aantal luchtvaartuigen per type;

  • d.

    een indicatieve lijst van extra luchtvaartuigtypen die naar verwachting zullen worden gebruikt, zo mogelijk met vermelding van het geraamde aantal luchtvaartuigen per type en de bij ieder luchtvaartuigtype behorende brandstofstromen;

  • e.

    een beschrijving van de gebruikte procedures en systemen en de verantwoordelijkheden inzake controle van de volledigheid van de lijst van luchtvaartuigen die de vliegtuigexploitant tijdens het kalenderjaar heeft gebruikt en waarvoor hij overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is;

  • f.

    een beschrijving van de procedures die worden gebruikt ter controle van de volledigheid van de lijst van vluchten die per luchtvaartterreincombinatie plaatsvinden onder de eenduidige ICAO-aanduiding van de vliegtuigexploitant of, indien deze aanduiding niet aanwezig is, onder de registratiemarkering van de luchtvaartuigen die door hem worden geëxploiteerd;

  • g.

    een beschrijving van de procedures die worden gebruikt om vast te stellen of een vlucht onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten valt;

  • h.

    een schatting van de totale jaarlijkse emissies van fossiel CO2 voor vluchten die onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vallen;

  • i.

    een beschrijving van de methoden voor het bepalen van het brandstofverbruik van de luchtvaartuigen waarvoor de vliegtuigexploitant overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is, omvattende in elk geval:

    • 1°.

      de gekozen methodiek voor de berekening van het brandstofverbruik, te weten methode A of B als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.2;

    • 2°.

      een onderbouwing van de aanpak indien niet voor alle luchtvaartuigtypen dezelfde methode wordt toegepast, onder toevoeging van een lijst waarin wordt gespecificeerd welke methode in welke omstandigheden wordt toegepast;

    • 3°.

      de gegevensbron die wordt gebruikt ter bepaling van de gegevens over de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, alsmede de methoden voor overdracht, opslag en raadpleging van die gegevens;

    • 4°.

      procedures voor de meting van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, inclusief de gekozen niveaus, alsmede een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten en, indien van toepassing, de procedures voor registratie, aflezing, overdracht en opslag van de informatie betreffende de metingen;

    • 5°.

      de onzekerheid van de meetapparatuur die wordt gebruikt om het brandstofverbruik te bepalen en de onderbouwing, bedoeld in artikel 34q;

    • 6°.

      een procedure die garandeert dat de totale aan de brandstofmetingen verbonden onzekerheid zodanig is dat wordt voldaan aan de eisen van het gekozen niveau, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.3, met verwijzing naar de kalibratiecertificaten van de meetsystemen, nationale wetgeving, clausules in overeenkomsten of door de brandstofleveranciers gehanteerde nauwkeurigheidsnormen;

    • 7°.

      de methode ter bepaling van de dichtheid van brandstof;

    • 8°.

      indien de vliegtuigexploitant bij het bepalen van de dichtheid van brandstof gebruik maakt van standaard dichtheid-temperatuurcorrelatietabellen: een aanduiding van de bron van die tabellen;

    • 9°.

      de procedures voor de bepaling van de dichtheid van brandstof die bij de bepaling van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks worden toegepast, met inbegrip van een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten, of, indien meting niet mogelijk is, de gebruikte standaardwaarde en een motivering daarvan;

    • 10°.

      de procedure die wordt gebruikt om te controleren of de hoeveelheid getankte brandstof zoals vermeld in de door de brandstofleverancier verstrekte informatie overeenstemt met de hoeveelheid getankte brandstof zoals gemeten aan boord van het luchtvaartuig;

    • 11°.

      een lijst van met bijzondere omstandigheden verband houdende afwijkingen van de van toepassing zijnde monitoringsmethodiek zoals opgenomen in de onderdelen 1° tot en met 8° voor specifieke luchtvaartterreinen of typen luchtvaartterreinen;

  • j.

    de emissiefactoren voor ieder brandstoftype, of, in het geval van alternatieve brandstoffen, de methodiek ter bepaling van de emissiefactoren, inclusief de aanpak inzake bemonstering en analysemethoden, en een beschrijving van de gebruikte meetinstanties en hun accreditatie of hun kwaliteitsborgingsprocedures als bedoeld in artikel 34s;

  • k.

    een beschrijving van de methode waarmee ontbrekende gegevens worden vastgesteld, bedoeld in artikel 34r;

  • l.

    een beschrijving van de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34u, en de controleactiviteiten, bedoeld in artikel 34x en de artikelen 34z tot en met 34af, met inbegrip van een verwijzing naar de procedures voor het vaststellen van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34v, en een beschrijving van de procedures voor controleactiviteiten als bedoeld in artikel 34y;

  • m.

    indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieubeheerssysteem.

Artikel

34h

Identificatie vliegtuigexploitant

Artikel

34i

Inhoud monitoringsplan voor kleine emittenten

Artikel

34j

Inhoud monitoringsplan voor tonkilometergegevens

§

2.2.3

Monitoringsmethodiek broeikasgasemissies

Artikel

34k

Bepaling CO2-emissies

De vliegtuigexploitant bepaalt per vlucht de CO2-emissies van het luchtvaartuig overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII.

Artikel

34l

Bepaling brandstofverbruik

Artikel

34m

Bepaling emissiefactor

Artikel

34n

Bepaling calorische onderwaarde en koolstofgehalte

Artikel

34o

Bepaling biomassafractie

Artikel

34p

Bepaling hoeveelheid zuivere biomassa

Artikel

34q

Beoordeling onzekerheid bij bepaling CO2-emissies

Artikel

34r

Ontbrekende gegevens

§

2.2.4

Meetinstanties bij de bepaling van CO2-emissies

Artikel

34s

Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie

Artikel

34sa

Eisen aan meetinstantie

§

2.2.5

Monitoringsmethodiek tonkilometergegevens

§

2.2.6

Gegevensverzameling en controleactiviteiten

Artikel

34u

Gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten

Artikel

34v

Procedures voor het vaststellen van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten

De vliegtuigexploitant stelt procedures voor de in artikel 34u, eerste lid, bedoelde gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten op. In deze procedures zijn ten minste de volgende elementen opgenomen:

  • a.

    in een schematische weergave de opeenvolging en interactie tussen de afzonderlijke gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten waarbij de koppeling tussen de voorgaande en volgende activiteit wordt aangegeven;

  • b.

    degene die verantwoordelijk is voor elke gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteit;

  • c.

    de informatiesystemen en andere systemen die zijn gebruikt voor het verwerken en implementeren van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten;

  • d.

    de wijze waarop de gegevens die verband houden met specifieke gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten manueel in het systeem worden ingevoerd;

  • e.

    de wijze waarop gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten worden geregistreerd;

  • f.

    de frequentie waarmee gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten worden uitgevoerd;

  • g.

    de inherente risico’s van de desbetreffende gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten;

  • h.

    de controleactiviteiten die overeenkomstig artikel 34x worden toegepast om het inherente risico bij de desbetreffende gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten te beperken.

Artikel

34w

Controlesysteem

Artikel

34x

Controleactiviteiten

Artikel

34y

Procedures voor de risicobeoordeling en controleactiviteiten

De vliegtuigexploitant stelt voor de in artikel 34w, tweede lid, onder a, bedoelde risicobeoordeling en de in artikel 34x bedoelde controleactiviteiten procedures vast. In deze procedures zijn ten minste de volgende elementen opgenomen:

  • a.

    de activiteiten die worden uitgevoerd ten behoeve van de desbetreffende risicobeoordeling en controleactiviteit;

  • b.

    de wijze waarop de risicobeoordeling en de controleactiviteit worden uitgevoerd;

  • c.

    de procedures voor het uitvoeren van de desbetreffende risicobeoordeling en controleactiviteit;

  • d.

    degene die verantwoordelijk is voor de risicobeoordeling en de controleactiviteiten;

  • e.

    de informatiesystemen die zijn gebruikt voor het uitvoeren van de risicobeoordeling en de controleactiviteiten;

  • f.

    de wijze waarop de risicobeoordeling en de controleactiviteiten worden geregistreerd;

  • g.

    de frequentie waarmee of het tijdstip waarop de risicobeoordeling en de controleactiviteiten worden uitgevoerd;

  • h.

    de controlerisico’s die samenhangen met de controleactiviteiten.

Artikel

34z

Kwaliteitsborging meetapparatuur

Artikel

34aa

Toetsing en controle van gegevens

Artikel

34ab

Kwaliteitsborging van uitbestede processen

Artikel

34ac

Correcties en bijsturingsmaatregelen

Artikel

34ad

Documentenbeheer

De vliegtuigexploitant ziet toe op het beheer van alle documenten die zijn vereist in het kader van de uitvoering van de in afdeling 16.2.2 van de wet vervatte regeling en beheert deze documenten overeenkomstig de procedure voor documentenbeheer, bedoeld in artikel 34y.

Artikel

34ae

Register

Artikel

34af

Verdeling taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden

§

2.2.7

Opslag van informatie

Artikel

34ah

Opslag van informatie

§

2.2.8

Wijzigingen van het monitoringsplan

Artikel

34ai

Registratie veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan voor emissies en tonkilometers

Alle veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan en het plan, bedoeld in artikel 16.39j, derde lid, onder a, van de wet, worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 34ae.

Artikel

34aj

Veranderingen in het monitoringsplan voor emissies en tonkilometers

Artikel

34ak

Aanpassing monitoringsplan voor emissies

Artikel

34al

Melding en goedkeuring veranderingen van het monitoringsplan voor emissies

§

2.2.9

Goedkeuring van het monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens

Artikel

34am

Termijn goedkeuring monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens

Het bestuur van de emissieautoriteit beslist omtrent goedkeuring van een monitoringsplan als bedoeld in de artikelen 16.39d, 16.39j, vierde lid, en 16.39n, tweede lid, tweede volzin, in verbinding met artikel 16.39j, vierde lid, van de wet binnen vier maanden na de dag waarop het bestuur van de emissieautoriteit het ontwerp van het monitoringsplan heeft ontvangen.

§

2.2.10

Emissieverslag en aanleveren tonkilometergegevens

Artikel

34an

Emissieverslag

Artikel

34ao

Aanleveren tonkilometergegevens

§

2.2.11

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel

34ap

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Hoofdstuk

3

Emissies van stikstofoxiden

§

3.1

Begripsbepalingen

Artikel

35

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

ISO-luchtcondities: temperatuur van 288 Kelvin (K), een druk van 101.3 kiloPascal (Pa) en een relatieve vochtigheid van 60 procent;

monitoringsmethodiek: het geheel van methoden, waaronder de klassenindeling, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, dat door degene die een inrichting drijft, wordt gebruikt om de jaarvracht van NOx van een NOx-installatie te bepalen;

monitoringsplan: monitoringsplan voor NOx-emissies;

NOx-meetsysteem: meetsysteem waarmee de NOx-concentratie, genormaliseerd naar normaal omstandigheden en gecorrigeerd voor zuurstof, in de schoorsteen wordt gemeten.

§

3.2

Monitoringsplan

Artikel

36

Inhoud monitoringsplan algemeen

Artikel

37

Invulling monitoringsplan inrichting

Artikel

37a

Uitzonderingen eisen monitoringsplan voor inrichtingen met een lage NOx-emissie

Artikel

38

Model monitoringsplan

Artikel

38a

Geen gegevensverstrekking bij vergunningaanvraag

De aanvrager behoeft de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 36 en 37, niet te verstrekken voorzover het bestuur van de emissieautoriteit op zijn verzoek heeft beslist dat de verstrekking van die gegevens voor het nemen van de beslissing op de aanvraag niet nodig is.

Artikel

38b

Verzoek tot intrekking vergunning

Vervallen

§

3.3

Monitoringsmethodiek NOx

Artikel

39

Bepaling jaarvracht van NOx

Artikel

40

Bepalingsmethoden NOx-emissies voor NOx-installaties in klasse 1

Artikel

41

Bepalingsmethoden NOx-emissies voor NOx-installaties in klassen 2, 3 en 4

Artikel

42

Bepaling afgasdebiet

Artikel

43

Normen voor de meting van NOx-emissies

Artikel

44

Bepaling van kentallen

Artikel

44a

Periode bepaling kental

Indien degene die een inrichting drijft, tussen 1 juli en 1 december van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 2, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen van 1 juli tot en met 31 december van het betrokken kalenderjaar.

Artikel

46

Bepaling brandstofverbruik

§

3.4

Meetinstanties

Artikel

47

Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie

Artikel

47a

Eisen aan meetinstantie

§

3.5

Kwaliteitsborging meetvoorzieningen

Artikel

48

Kwaliteitsborging NOx-metingen

Artikel

49

Metingen met behulp van apparatuur

Artikel

50

Meetvoorzieningen

Bij een NOx-installatie worden de voorzieningen aangebracht die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de voorgeschreven metingen.

Artikel

51

Melding periodieke of parallelmeting

Artikel

52

Melding indien geen gebruik van de meetresultaten

Artikel

53

Bedrijfsinterne validatieprocedure

§

3.6

Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en organisaties

Artikel

54

Kwaliteitsborging

Artikel

55

Interne audit

Artikel

56

Documentenbeheer

Artikel

57

Bedrijfsinterne registraties

Artikel

58

Opslag van informatie

Artikel

59

Uitbesteding

§

3.7

Interne bedrijfsorganisatie

Artikel

60

Verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden

§

3.8

Registratie van veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Artikel

61

Registratie veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Alle veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 63, eerste lid, en alle tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 63a, eerste lid, worden opgenomen in het register overeenkomstig artikel 57, eerste lid.

Artikel

62

Veranderingen van het monitoringsplan

§

3.9

Melden van veranderingen en tijdelijke afwijkingen monitoringsplan en wijzigingen NOx-installatie

Artikel

63

Significante veranderingen monitoringsplan

Artikel

63a

Tijdelijke afwijkingen monitoringsplan

Artikel

63b

Melding buiten reikwijdte

Indien titel 16.3 van de wet door een omstandigheid niet meer van toepassing is op de inrichting, meldt de houder van de vergunning dit binnen zes weken schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de datum waarop de bedoelde omstandigheid zich heeft voorgedaan.

Artikel

63c

Formulier

Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 63 tot en met 63b, wordt gebruikgemaakt van het ter zake door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde standaardformulier.

§

3.10

Emissieverslag

Artikel

64

Emissieverslag NOx

§

3.11

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel

64a

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Hoofdstuk

4

Emissies van distikstofoxide

§

4.1

Begripsbepalingen

Artikel

65

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

monitoringsmethodiek: het geheel van methoden, dat door degene die een inrichting drijft, wordt gebruikt om de jaarvracht van N2O van een N2O-installatie te bepalen;

N2O-installatie: broeikasgasinstallatie waarin activiteiten worden verricht, die behoren tot een categorie van activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van het besluit.

§

4.2

Monitoringsplan

Artikel

66

Inhoud monitoringsplan algemeen

Artikel

67

Invulling monitoringsplan inrichting

Artikel

68

Model monitoringsplan

§

4.3

Monitoringsmethodiek N2O

Artikel

69

Bepaling jaarvracht van N2O

Artikel

70

CEN-normen bij de continue meting van N2O–emissies

§

4.4

Meetinstanties

Artikel

71

Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie

Artikel

71a

Eisen aan meetinstantie

§

4.5

Kwaliteitsborging meetvoorzieningen

Artikel

72

Kwaliteitsborging N2O-metingen

Artikel

73

Metingen met behulp van apparatuur

Artikel

74

Meetvoorzieningen en meldingen

De artikelen 20 tot en met 22 zijn van overeenkomstige toepassing op N2O- emissies en N2O-installaties.

Artikel

75

Bedrijfsinterne validatieprocedure

§

4.6

Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en interne organisatie

§

4.7

Registratie van veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Artikel

77

Veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

De artikelen 31 en 32 zijn van overeenkomstige toepassing op N2O-emissies.

§

4.8

Melden van veranderingen en tijdelijke afwijkingen monitoringsplan N2O-installatie

Artikel

78

Significante veranderingen monitoringsplan

Artikel

78a

Tijdelijke afwijkingen monitoringsplan

Artikel

78b

Formulier

Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 78 en 78a, wordt gebruikgemaakt van het ter zake door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde standaardformulier.

§

4.9

Emissieverslag

Artikel

79

Emissieverslag N2O

§

4.10

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel

79a

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Hoofdstuk

5

Slotbepalingen

Artikel

80

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.

Artikel

81

Titel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling monitoring handel in emissierechten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. vanGeel

Bijlage

I

bij de Regeling monitoring handel in emissierechten

Het model van het monitoringsplan, bedoeld in de artikelen 5 en 38 van de Regeling monitoring handel in emissierechten

Inhoudsopgave

Niet-technische samenvatting

Deel A: Systeeminrichting

1

Algemene bedrijfsgegevens

1.1

Algemene gegevens van de bedrijfslocatie

1.2

Hoofdlijnen van de bedrijfsactiviteiten binnen de bedrijfslocatie

1.3

Identificatie en afbakening van de CO2-installatie, CO2-eenheden, NOx-installaties en bronnen alsmede N2O-installaties en bronnen

2

Monitoringsmethodiek

2.1

CO2-monitoringsmethodiek:

– Klassebepaling CO2-installatie

– Gebruikte bepalingsmethode

– Keuze berekenen of meten

– Berekenen CO2-emissies

– Meten CO2-emissies

– Onzekerheidsbepaling

2.2

N2O- monitoringsmethodiek

– Identificatie van de N2O-installaties

– Bepalingsmethode

– Parameters

– N2O-emissies

2.3

NOx-monitoringsmethodiek

– Identificatie en klassenbepaling van de NOx-installaties

– Bepalingsmethode

– Parameters

– NOx-emissies

2.4

Opbouw NOx-emissierechten

2.5

Onderbouwingen en beschrijvingen

3

Afwijkingen en wijzigingen in monitoringsplan

3.1

Afwijkingen ten opzichte van de vereiste structuur

3.2

Wijzigingen ten opzichte van de laatst gevalideerde versie van het monitoringsplan

Deel B: Operationele procedures

4

Van meten tot rapporteren

4.1

Procedures van meten tot rapporteren

4.2

Werkomschrijvingen van meten tot rapporteren

4.3

Beschrijving van middelen

5

Bedrijfsinterne validatie

5.1

Procedures bedrijfsinterne validatie

5.2

Werkomschrijvingen bedrijfsinterne validatie

5.3

Beschrijving van middelen

5.4

Inspecties en onderhoud

6

Kwaliteitsborging van bedrijfsinterne organisatie en opslag van informatie

6.1

Interne audits

6.2

Documentenbeheer

6.3

Register van registraties

6.4

Opslag van informatie

6.5

Uitbesteding

7

Bedrijfsinterne organisatie

8

Lijst met gebruikte afkortingen en definities

Bijlage

II

Specifieke eisen voor de monitoring van CO2-emissies

Deze bijlage behoort bij de artikelen 6, eerste lid, 8, tweede lid, 9, derde lid, en artikel 23, derde lid van de regeling.

Hoofdstuk

II.1

Eisen voor CO2-eenheden met verbrandingsemissies en verbrandingsemissies

Dit hoofdstuk is van toepassing op CO2-eenheden met verbrandingsemissies en de monitoring van verbrandingsemissies van andere activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.2.2, 2.2.2.3.1, eerste alinea, derde volzin, paragraaf 3.1, derde alinea, paragraaf 3.2.2.2, paragraaf 4.1, derde alinea, paragraaf 4.2.2.2, paragraaf 5.1, vierde alinea, paragraaf 5.2.2.2, paragraaf 6.1, paragraaf 6.2.2.1 eerste en tweede volzin, paragraaf 7.1, paragraaf 7.2.2.1, eerste en tweede volzin, paragraaf 8.1, paragraaf 8.2.2.1, paragraaf 9.2.2.1, paragraaf 10.1, tweede volzin, paragraaf 10.2.2.1 van deze bijlage.

§

1.1

Toepassing specifieke eisen

1.1.1

Monitoring van CO2-emissies

De monitoring van CO2-emissies van een verbrandingsproces omvat de CO2-emissies vanuit de verbranding van alle brandstoffen in de CO2-installatie alsmede de CO2-emissies vanuit gasreinigingsprocessen, zoals voor de verwijdering van zwaveldioxide.

Van de monitoring zijn uitgezonderd de CO2-emissies uit verbrandingsmotoren voor vervoersdoeleinden.

1.1.2

Toewijzing en overdragen van CO2-emissies

Alle CO2-emissies uit de verbranding van brandstoffen in de CO2-installatie worden toegewezen aan de CO2-installatie, zonder rekening te houden met de afvoer van warmte of elektriciteit naar andere CO2-installaties.

CO2-emissies die samenhangen met de opwekking van warmte of elektriciteit die afkomstig is van andere CO2-installaties, mogen niet aan de ontvangende CO2-installatie worden toegewezen.

De CO2-emissies van een CO2-eenheid met verbrandingsemissies die aan een geïntegreerde staalfabriek grenst en daaruit het grootste deel van haar brandstof verkrijgt, maar waarvoor een afzonderlijke vergunning als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet is afgegeven, mogen worden berekend als onderdeel van de massabalans voor die staalfabriek, indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit heeft aangetoond dat daardoor de totale onzekerheid van de emissiebepalingen afneemt.

§

1.2

Bepaling van CO2-emissies

1.2.1

CO2-eenheden

CO2-eenheden waarbij CO2-emissies vrijkomen als gevolg van verbranding en verbrandingsprocessen zijn in ieder geval:

  • verwarmingsketels;

  • branders;

  • turbines;

  • verwarmingstoestellen;

  • smeltovens;

  • verbrandingsovens;

  • keramiekovens;

  • bakovens;

  • drogers;

  • motoren;

  • fakkels;

  • gasreinigers (procesemissies);

  • alle andere toestellen of machines die brandstof verbruiken.

1.2.2

Verbrandingsemissies

1.2.2.1

Algemene verbrandingsactiviteiten

CO2-emissies van CO2-eenheden met verbrandingsemissies worden berekend door de energie-inhoud van elke gebruikte brandstof te vermenigvuldigen met een emissiefactor en een oxidatiefactor. Voor elke brandstof en voor elke activiteit wordt de volgende berekening uitgevoerd:

CO2-emissies = activiteitsgegevens x emissiefactor x oxidatiefactor

a) Activiteitsgegevens

De activiteitsgegevens worden in het algemeen uitgedrukt als de netto-energie-inhoud van de in het kalenderjaar verbruikte brandstof [TJ]. De energie-inhoud van het brandstofverbruik wordt berekend met behulp van de volgende formule:

energie-inhoud van het brandstofverbruik [TJ] = verbruikte brandstof [t of Nm3] x calorische onderwaarde van de brandstof [TJ/t of TJ/Nm3]

Ingeval een massa- of volumegerelateerde emissiefactor [t CO2/t of t CO2/Nm3] wordt gebruikt, worden de activiteitsgegevens uitgedrukt als hoeveelheid verbruikte brandstof [t of Nm3].

a1) Verbruikte brandstof

Niveau 1:

Het brandstofverbruik over het kalenderjaar wordt door degene die de inrichting drijft, of de brandstofleverancier bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%, rekening houdend met eventuele voorraadwijzigingen.

Niveau 2:

Het brandstofverbruik over het kalenderjaar wordt door degene die de inrichting drijft, of de brandstofleverancier bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5%, rekening houdend met eventuele voorraadwijzigingen.

Niveau 3:

Het brandstofverbruik over het kalenderjaar wordt door degene die de inrichting drijft, of de brandstofleverancier bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%, rekening houdend met eventuele voorraadwijzigingen.

Niveau 4:

Het brandstofverbruik over het kalenderjaar wordt door degene die de inrichting drijft, of de brandstofleverancier bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 1,5%, rekening houdend met eventuele voorraadwijzigingen.

a2) Calorische onderwaarde

Niveau 1:

Voor elke brandstof wordt de referentiewaarde gebruikt zoals aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage IV.

Niveau 2a:

Degene die de inrichting drijft, past voor elke brandstof de voor Nederland specifieke calorische onderwaarde toe die door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 2b:

Voor de commercieel verhandelbare brandstoffen wordt de calorische onderwaarde gebruikt die wordt ontleend aan de door de brandstofleverancier voor de betrokken brandstof afgegeven aankoopbescheiden, voorzover die waarde is verkregen op basis van aanvaarde nationale of internationale normen.

Niveau 3:

De calorische onderwaarde die representatief is voor de brandstof die in een installatie wordt gebruikt, wordt gemeten door degene die de inrichting drijft, een hiervoor ingeschakelde meetinstantie of de brandstofleverancier, in overeenstemming met de bepalingen van de bij deze regeling behorende bijlage V.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

Voor elke brandstof wordt de referentiewaarde gebruikt zoals aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage IV.

Niveau 2a:

Degene die de inrichting drijft, past voor elke brandstof de voor het betrokken land specifieke emissiefactor toe die door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 2b:

Degene die de inrichting drijft, leidt voor elke brandstof de emissiefactor af op basis van één van de volgende algemeen aanvaarde proxies:

  • dichtheidsmeting van specifieke oliën of gassen, zoals gebruikelijk in raffinaderijen of in de staalindustrie, en

  • de calorische onderwaarde van specifieke soorten steenkool,

in combinatie met een empirische correlatie die ten minste een keer per jaar wordt bepaald in overeenstemming met de bepalingen van bijlage V van de regeling. Degene die de inrichting drijft, staat er voor in dat de correlatie voldoet aan de eisen van een goede technische praktijk en dat deze alleen wordt toegepast voor proxy-waarden die vallen binnen het toepassingsgebied van de proxy.

Niveau 3:

Activiteitsspecifieke emissiefactoren voor de brandstof worden bepaald door degene die de inrichting drijft, een externe meetinstantie of de brandstofleverancier, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage V van de regeling.

c) Oxidatiefactor

Degene die de inrichting drijft, mag het voor zijn monitoringmethodiek geschikte niveau kiezen.

Niveau 1:

Er wordt een oxidatiefactor van 1,0 gebruikt.

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past voor elke brandstof de oxidatiefactor toe die door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

Voor brandstoffen leidt degene die de inrichting drijft, de activiteitspecifieke factoren af op basis van relevante parameters zoals het koolstofgehalte van as, effluenten en andere afval- en bijproducten alsook andere relevante niet volledig geoxideerde gasvormige koolstofspecies in de uitstoot. De samenstellingsgegevens worden bepaald overeenkomstig bijlage V van de regeling.

1.2.2.2

Massabalansmethode: CO2-installaties die carbon black produceren en gasverwerkingsterminals

Voor CO2-installaties die carbon black produceren en voor gasverwerkingsterminals kan de massabalansmethode worden toegepast. Daarbij wordt voor de bepaling van de CO2-emissies rekening gehouden met alle koolstof in de ingezette materialen, de voorraden, de procucten en de andere materialen die uit de CO2-installatie wordt afgevoerd, middels de volgende vergelijking:

CO2-emissies [t CO2] = (ingezette materialen – producten – afgevoerde materialen – voorraadwijzigingen) x conversiefactor CO2/C

waarin:

  • ingezette materialen [t C]: alle koolstof die over de grenzen de CO2-installatie binnenkomt

  • producten [t C]: alle koolstof in producten en materialen, inclusief bijproducten, die over de grenzen de CO2-installatie verlaat

  • afgevoerde materialen [t C]: koolstof die over de grenzen uit de CO2-installatie wordt afgevoerd, bijvoorbeeld door lozen op de riolering, storten op een afvalstortplaats of verliezen. Tot de afgevoerde materialen behoort niet de emissie van CO2 naar de atmosfeer

  • voorraadwijzigingen [t C]: toename van de koolstofvoorraad binnen de grenzen van de CO2-eenheid

De berekening moet dan als volgt plaatsvinden:

CO2-emissies [t CO2] =

(Σ (activiteitsgegevensingezette materialenx koolstofgehalteingezette materialen) – Σ (activiteitsgegevensproductenx koolstofgehalteproducten) – Σ (activiteitsgegevensafgevoerde materialenx koolstofgehalteafgevoerde materialen) – Σ (activiteitsgegevensvoorraadwijzigingenx koolstofgehaltevoorraadwijzigingen)) x 3,664

a) Activiteitsgegevens

Degene die de inrichting drijft, analyseert en rapporteert voor alle relevante brandstoffen en materialen afzonderlijk de massastromen vanuit en naar de CO2-eenheid en de bijbehorende voorraadwijzigingen. Ingeval het koolstofgehalte van een massastroom gewoonlijk wordt gerelateerd aan de energie-inhoud (brandstoffen) is het degene die de inrichting drijft, toegestaan om de relatie tussen koolstofgehalte en energie-inhoud [t C/TJ] voor de betrokken massastroom te bepalen en te gebruiken voor de berekening van de massabalans.

Niveau 1:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5%.

Niveau 3:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

Niveau 4:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 1,5%.

b) Koolstofgehalte

Niveau 1:

Het koolstofgehalte van de input- en outputstromen wordt afgeleid uit de standaardemissiefactoren voor brandstoffen of materialen die in de bij deze regeling behorende bijlage IV of in de hoofdstukken II.3 tot en met hoofdstuk II.5 van deze bijlage worden vermeld. Het koolstofgehalte wordt als volgt afgeleid:

Niveau 2:

Het koolstofgehalte van een input- of outputstroom wordt afgeleid volgens de bepalingen van bijlage V van de regeling ten aanzien van de representatieve bemonstering van brandstoffen, producten en bijproducten en van de bepaling van het koolstofgehalte en de biomassafractie ervan.

1.2.2.3

Fakkels

Bij emissies van fakkels gaat het om routinematig affakkelen en operationeel affakkelen (uitschakelen, opstarten en stopzetten) alsmede om noodprocedures voor drukontlasting.

CO2-emissies moeten worden berekend op basis van de hoeveelheid afgefakkeld gas [Nm3] en het koolstofgehalte van het afgefakkelde gas [t CO2/Nm3] (met inbegrip van inherente koolstof).

CO2-emissies = activiteitsgegevens x emissiefactor x oxidatiefactor

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

De hoeveelheid afgefakkeld gas over het kalenderjaar wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van 17,5%.

Niveau 2:

De hoeveelheid afgefakkeld gas over het kalenderjaar wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van 12,5%.

Niveau 3:

De hoeveelheid afgefakkeld gas over het kalenderjaar wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van 7,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

Met behulp van een referentiewaarde van 0,00393 t CO2/m3 voor de emissiefactor (onder standaardomstandigheden), afgeleid uit de verbranding van zuiver ethaan dat als conservatieve proxy voor afgefakkelde gassen fungeert.

Niveau 2a:

Degene die de inrichting drijft, past voor de brandstof in kwestie de voor het betrokken land specifieke emissiefactor toe die door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 2b:

Er worden CO2-eenheidspecifieke emissiefactoren afgeleid uit een schatting van de molecuulmassa van het afgefakkelde gas, via procesmodellering aan de hand van industrie-standaardmodellen. Uit het relatieve aandeel van de diverse deelstromen en de overeenkomstige molecuulmassa’s wordt een gewogen jaargemiddelde voor de molecuulmassa van het afgefakkelde gas afgeleid.

Niveau 3:

Emissiefactor [t CO2/m3 afgefakkeld gas] berekend uit het koolstofgehalte van het afgefakkelde gas volgens de bepalingen van bijlage V van de regeling.

c) Oxidatiefactor

Er mag een lager niveau worden toegepast.

Niveau 1:

De waarde 1,0 wordt gebruikt.

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past de oxidatiefactor toe die door de betrokken lidstaat is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

1.2.3

Procesemissies

Procesemissies, afkomstig van het gebruik van carbonaat voor de verwijdering van zwaveldioxide uit de rookgassen door middel van rookgasreiniging, worden berekend op basis van het aangekochte carbonaat met behulp van rekenmethode A of op basis van het geproduceerde gips met behulp van rekenmethode B. Deze twee rekenmethoden zijn gelijkwaardig. De berekening vindt als volgt plaats:

CO2-emissies [t] = activiteitsgegevens x emissiefactor

Rekenmethode A: carbonaat

De CO2-emissies worden berekend op basis van de hoeveelheid gebruikt carbonaat:

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

Massa [t] droog carbonaat die in de loop van het kalenderjaar is gebruikt als voor het proces ingezet materiaal, door degene die de inrichting drijft, of de leverancier bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

De emissiefactoren worden berekend en gerapporteerd in massa-eenheden vrijkomend CO2 per ton carbonaat. Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in onderstaande tabel 1 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt.

De bepaling van de hoeveelheid CaCO3 en MgCO3 in de diverse in de oven ingezette materialen geschiedt overeenkomstig de richtsnoeren van de beste industriële praktijk.

Tabel 1: Stoichiometrische verhoudingen

CaCO3

0,440

MgCO3

0,522

algemeen:

XY(CO3)Z

Emissiefactor =

[MCO2] / {Y x [Mx] + Z x [MCO3 2-]}

X = alkali- of aardalkalimetaal

Mx = molecuulmassa van X [in g/mol]

MCO2 = molecuulmassa van CO2 = 44 [g/mol]

MCO3= = molecuulmassa van CO32- = 60 [g/mol]

Y = stoichiometrische coëfficiënt van X

= 1 (voor aardalkalimetalen)

= 2 (voor alkalimetalen)

Z = stoichiometrische coëfficiënt van CO32- = 1

Rekenmethode B: gips

De emissies worden berekend op basis van de hoeveelheid geproduceerd gips:

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

Massa [t] droog gips (CaSO4 • 2H2O) die jaarlijks als eindmateriaal van het proces wordt verkregen, door degene die de inrichting drijft, of de verwerker van het gips bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

Stoichiometrische verhouding van droog gips (CaSO4 • 2H2O) en CO2 in het proces: 0,2558 t CO2/t gips

Hoofdstuk

II.2

Eisen voor installaties in aardolieraffinaderijen

Dit hoofdstuk is van toepassing op installaties in aardolieraffinaderijen als bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 1, onder 1.1, bij het besluit.

§

2.1

Grenzen

De monitoring van de CO2-emissies uit een installatie omvat alle CO2-emissies uit de verbrandingsprocessen en productieprocessen die in raffinaderijen voorkomen.

CO2-emissies afkomstig van een CO2-eenheid met procesemissies die wordt gerekend tot de chemische industrie en die binnen een aardolieraffinaderij geen deel uitmaakt van de raffinage, worden niet meegeteld.

§

2.2

Bepaling van CO2-emissies

2.2.1

CO2-eenheden

CO2-eenheden van raffinaderijen zijn in ieder geval:

  • a.

    verbranding in het kader van energieactiviteiten:

    • verwarmingsketels;

    • procesverhitters of procesbehandelingstoestellen;

    • verbrandingsmotoren of verbrandingsturbines;

    • installaties voor katalytische en thermische oxidatie;

    • cokesroostovens;

    • brandbluspompen;

    • nood- en reservegeneratoren;

    • affakkelinrichtingen;

    • verbrandingsovens;

    • krakers.

  • b)

    proces:

    • installaties voor de productie van waterstof;

    • katalytische regeneratie dat afkomstig is van katalytisch kraken en andere katalytische processen;

    • cokers waaronder flexicoking en delayed coking.

2.2.2

Verbrandingsemissies

Verbrandingsemissies worden gemonitord overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

2.2.3

Procesemissies

Specifieke processen waaruit CO2-emissies voortkomen, zijn onder andere:

1. Katalytische-krakerregeneratie, andere katalysatorregeneratie en flexi-coking

De cokes die zich als bijproduct van het kraakproces op de katalysator heeft verzameld, wordt in de regenerator verbrand om de activiteit van de katalysator te herstellen. Voor verdere raffinageprocessen is een katalysator nodig die wordt geregenereerd, bijvoorbeeld door katalytisch reformeren.

De CO2-emissies worden berekend aan de hand van een materiaalbalans, rekening houdend met de samenstelling van de aangevoerde lucht en van het rookgas. Alle CO in het rookgas wordt in de balans opgevoerd als CO2.

De analyse van de aangevoerde lucht en het rookgas en de keuze van het niveau vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van bijlage V van de regeling.

Niveau 1:

Voor elke bron wordt een totale onzekerheid van de totale CO2-emissies over het kalenderjaar van minder dan 10% bereikt.

Niveau 2:

Voor elke bron wordt een totale onzekerheid van de totale CO2-emissies over het kalenderjaar van minder dan 7,5% bereikt.

Niveau 3:

Voor elke bron wordt een totale onzekerheid van de totale CO2-emissies over het kalenderjaar van minder dan 5% bereikt.

Niveau 4:

Voor elke bron wordt een totale onzekerheid van de totale CO2-emissies over het kalenderjaar van minder dan 2,5% bereikt.

2.2.4

Productie van raffinaderijwaterstof

Het uitgestoten CO2 is afkomstig van de koolstof in het als grondstof gebruikte gas. De CO2-emissies moeten worden berekend op basis van het ingezette materiaal.

CO2-emissies = activiteitsgegevensingezet materiaalx emissiefactor

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

Hoeveelheid als grondstof gebruikte koolwaterstoffen [t grondstof] die gedurende het kalenderjaar is verwerkt, afgeleid met een maximale onzekerheid van 7,5%.

Niveau 2:

Hoeveelheid als grondstof gebruikte koolwaterstoffen [t grondstof] die gedurende het kalenderjaar is verwerkt, afgeleid met een maximale onzekerheid van 2,5%.

b) Emissiefactor:

Niveau 1:

Gebruik een referentiewaarde van 2,9 t CO2 per t verbruikte grondstof; deze conservatieve waarde is gebaseerd op ethaan.

Niveau 2:

Gebruik een activiteitspecifieke emissiefactor [CO2/t grondstof] die is berekend op basis van het koolstofgehalte van het als grondstof gebruikte gas, bepaald in overeenstemming met bijlage V van de regeling.

Hoofdstuk

II.3

Specifieke eisen voor installaties in cokesfabrieken

Dit hoofdstuk is van toepassing op installaties in cokesfabrieken als bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 1, onder 1.2, bij het besluit. Deze installaties worden hieronder aangeduid als cokesovens.

§

3.1

Grenzen en volledigheid

Cokesfabrieken kunnen deel uitmaken van staalfabrieken die technisch rechtstreeks zijn gekoppeld met sinterinstallaties en installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continu gieten.

Wanneer de cokesoven deel uitmaakt van een geïntegreerde staalfabriek, mogen de CO2-emissies ook met behulp van de massabalansmethode, zoals gespecificeerd in 3.2.2.1 van deze bijlage, voor de staalfabriek als geheel worden gemonitord.

Wanneer rookgasreiniging in de CO2-installatie wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende CO2-emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de CO2-installatie, worden deze berekend overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

§

3.2

Bepaling van CO2-emissies

3.2.1

Bronnen van CO2-emissies

In cokesovens zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronstromen:

grondstoffen

conventionele brandstoffen

procesgassen

overige brandstoffen

rookgasreiniging

3.2.2

Berekening van CO2-emissies

Wanneer de cokesoven deel uitmaakt van een geïntegreerde staalfabriek, kan degene die de inrichting drijft, emissies berekenen

  • a.

    voor de geïntegreerde staalfabriek als geheel, met behulp van de massabalansmethode, of

  • b.

    voor de cokesoven als afzonderlijke activiteit van de geïntegreerde staalfabriek.

3.2.2.1

Massabalansmethode

In het kader van de massabalansmethode wordt voor de bepaling van de CO2-emissies over het kalenderjaar rekening gehouden met alle koolstof in de ingezette materialen, de voorraden, de procucten en de andere materialen die uit de CO2-installatie worden afgevoerd, middels de volgende vergelijking:

CO2-emissies [t CO2] = (ingezette materialen – producten – afgevoerde materialen – voorraadwijzigingen) x conversiefactor CO2/C

waarin:

  • ingezette materialen [t C]: alle koolstof die over de grenzen de CO2-installatie binnenkomt

  • producten [t C]: alle koolstof in producten en materialen, inclusief bijproducten, die over de grenzen de CO2-installatie verlaat

  • afgevoerde materialen [t C]: koolstof die over de grenzen uit de CO2-installatie wordt afgevoerd,bijvoorbeeld door lozen op de riolering, storten op een afvalstortplaats of verliezen. Tot de afgevoerde materialen behoort niet de emissie van broeikasgassen naar de atmosfeer

  • voorraadwijzigingen [t C]: toename van de koolstofvoorraad binnen de grenzen van de CO2-installatie

De berekening moet dan als volgt plaatsvinden:

CO2-emissies [t CO2] =

(Σ (activiteitsgegevensingezette materialenx koolstofgehalteingezette materialen) –

Σ (activiteitsgegevensproductenx koolstofgehalteproducten) –

Σ (activiteitsgegevensafgevoerde materialenx koolstofgehalteafgevoerde materialen) –

Σ (activiteitsgegevensvoorraadwijzigingenx koolstofgehaltevoorraadwijzigingen)) x 3,664

a) Activiteitsgegevens

Degene die de inrichting drijft, analyseert en rapporteerd voor alle relevante brandstoffen en materialen afzonderlijk de massastromen vanuit en naar de CO2-installatie en de bijbehorende voorraadwijzigingen. Ingeval het koolstofgehalte van een massastroom gewoonlijk wordt gerelateerd aan de energie-inhoud (brandstoffen) is het degene die de inrichting drijft, toegestaan om de relatie tussen koolstofgehalte en energie-inhoud [t C/TJ] voor de betrokken massastroom te bepalen en te gebruiken voor de berekening van de massabalans.

Niveau 1:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5%.

Niveau 3:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

Niveau 4:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 1,5%.

b) Koolstofgehalte

Niveau 1:

Het koolstofgehalte van de input- en outputstromen wordt afgeleid uit de standaardemissiefactoren voor brandstoffen of materialen die in bijlage IV van de regeling of in de hoofdstuk II.3 tot en met II.9 van deze bijlage worden genoemd. Het koolstofgehalte wordt als volgt afgeleid:

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past voor de brandstof of het materiaal in kwestie het voor het betrokken land specifieke koolstofgehalte toe dat door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

Het koolstofgehalte van een input- of outputstroom wordt afgeleid volgens de bepalingen van bijlage V van de regeling ten aanzien van de representatieve bemonstering van brandstoffen, producten en bijproducten en van de bepaling van het koolstofgehalte en de biomassafractie ervan.

3.2.2.2

Verbrandingsemissies

Verbrandingsprocessen in cokesovens waar brandstoffen niet in de massabalans worden meegenomen, worden gemonitord en gerapporteerd overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

3.2.3.3

Procesemissies

Tijdens het carboniseren in de cokeskamer van de cokesoven wordt steenkool onder uitsluiting van lucht omgezet in cokes en ruw cokesovengas. Steenkool vormt de belangrijkste stroom koolstofhoudend ingezet materiaal, maar dit kan ook zijn cokesgruis, petroleumcokes, olie en procesgassen zoals hoogovengas. Het proces levert als een van de eindmaterialen onder meer ruw cokesovengas op, dat veel koolstofhoudende componenten zoals kooldioxide (CO2), koolmonoxide (CO), methaan (CH4) en koolwaterstoffen (CxHy) bevat.

De totale CO2-emissie uit cokesovens wordt als volgt berekend:

CO2-emissie [t CO2] = Σ (activiteitsgegevensINGEZETTE MATERIALENx emissiefactorINGEZETTE MATERIALEN) – Σ (activiteitsgegevensEINDMATERIALENx emissiefactorEINDMATERIALEN)

a) Activiteitsgegevens

De activiteitsgegevens INGEZETTE MATERIALEN kunnen betrekking hebben op steenkool als grondstof, cokesgruis, petroleumcokes, olie, hoogovengas, cokesovengas en dergelijke. De activiteitsgegevens EINDMATERIALEN kunnen betrekking hebben op cokes, teer, lichte olie, cokesovengas en dergelijke.

A1) Brandstof gebruikt als ingezet materiaal voor het proces

Niveau 1:

De massastromen van brandstoffen vanuit en naar de CO2-installatie over een kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De massastromen van brandstoffen vanuit en naar de CO2-installatie over een kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 3:

De massastromen van brandstoffen vanuit en naar de CO2-installatie over een kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

Niveau 4:

De massastromen van brandstoffen vanuit en naar de CO2-installatie over een kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 1,5%.

A2) Calorische onderwaarde

Niveau 1:

Voor elke brandstof wordt de referentiewaarde gebruikt zoals aangegeven in bijlage IV van de regeling.

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past voor elke brandstof de voor het betrokken land specifieke calorische onderwaarde toe die door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

De calorische onderwaarde die representatief is voor elke partij brandstof die in een CO2-installatie wordt gebruikt, wordt gemeten door degene die de inrichting drijft, een hiervoor ingeschakelde meetinstantie of de brandstofleverancier, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage V van de regeling.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

Gebruik voor de emissiefactoren de in bijlage IV van de regeling vermelde referentiewaarden.

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past voor de brandstoffen in kwestie de voor het betrokken land specifieke emissiefactoren toe die door Nederland zijn aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

Specifieke emissiefactoren worden bepaald in overeenstemming met de bepalingen van bijlage V van de regeling.

Hoofdstuk

II.4

Eisen voor installaties voor het roosteren of sinteren van metaalerts

Dit hoofdstuk is van toepassing op installaties voor het roosteren of sinteren van metaalerts bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 2, onder 2.1, bij het besluit. Deze installaties worden hieronder aangeduid als roost- respectievelijk sinterinstallaties.

§

4.1

Grenzen en volledigheid

In roost-, sinter- of pelletiseerinstallaties voor metaalerts kunnen integraal deel uitmaken van staalfabrieken die technisch rechtstreeks zijn gekoppeld met cokesovens en installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continu gieten.

Wanneer roost-, sinter- of pelletiseerinstallaties voor metaalerts deel uitmaken van de staalfabriek, mogen de CO2-emissies voor de geïntegreerde staalfabriek als geheel worden gemonitord. In deze gevallen mag gebruik worden gemaakt van de massabalansmethode overeenkomstig 4.2.2.1 van deze bijlage.

Wanneer rookgasreiniging in de CO2-installatie wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende CO2-emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de CO2-installatie, worden deze berekend overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

§

4.2

Bepaling van CO2-emissies

4.2.1

Bronstromen van CO2-emissies

In roost- respectievelijk sinterinstallaties voor metaalerts zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronstromen:

  • grondstoffen zoals het branden van kalksteen of dolomiet;

  • conventionele brandstoffen zoals aardgas, cokes of cokesbries;

  • procesgassen zoals cokesovengas of hoogovengas;

  • residu’s van processen die worden gebruikt als uitgangsmateriaal inclusief gefilterd stof van de sinterinstallatie, de convertor en de hoogoven;

  • overige brandstoffen;

  • rookgasreiniging.

4.2.2

Berekening van CO2-emissies

Als een roost-, sinter- of pelletiseerinstallatie voor metaalerts deel uitmaakt van een geïntegreerde staalfabriek, kan degene die de inrichting drijft, emissies berekenen

  • a.

    voor de geïntegreerde staalfabriek als geheel, met behulp van de massabalansmethode, of

  • b.

    voor de roost-, sinter- of pelletiseerinstallatie als afzonderlijke activiteit van de geïntegreerde staalfabriek.

4.2.2.1

Massabalansmethode

In het kader van de massabalansmethode wordt voor de bepaling van de CO2-emissies over het kalenderjaar rekening gehouden met alle koolstof in de ingezette materialen, de voorraden, de procucten en de andere materialen die uit de installatie worden afgevoerd, middels de volgende vergelijking:

CO2-emissies [t CO2] = (ingezette materialen – producten – afgevoerde materialen – voorraadwijzigingen) x conversiefactor CO2/C

waarin:

  • ingezette materialen [t C]: alle koolstof die over de grenzen de CO2-installatie binnenkomt

  • producten [t C]: alle koolstof in producten en materialen, inclusief bijproducten, die over de grenzen de CO2-installatie verlaat

  • afgevoerde materialen [t C]: koolstof die over de grenzen uit de CO2-installatie wordt afgevoerd, bijvoorbeeld door lozen op de riolering, storten op een afvalstortplaats of verliezen. Tot de afgevoerde materialen behoort niet de emissie van broeikasgassen naar de atmosfeer

  • voorraadwijzigingen [t C]: toename van de koolstofvoorraad binnen de grenzen van de installatie

De berekening moet dan als volgt plaatsvinden:

CO2-emissies [t CO2] =

(Σ (activiteitsgegevensingezette materialenx koolstofgehalteingezette materialen) –

Σ (activiteitsgegevensproductenx koolstofgehalteproducten) –

Σ (activiteitsgegevensafgevoerde materialenx koolstofgehalteafgevoerde materialen) –

Σ (activiteitsgegevensvoorraadwijzigingenx koolstofgehaltevoorraadwijzigingen)) x 3,664

a) Activiteitsgegevens

Degene die de inrichting drijft, analyseert en rapporteert voor alle relevante brandstoffen en materialen afzonderlijk de massastromen vanuit en naar de CO2-installatie en de bijbehorende voorraadwijzigingen. Ingeval het koolstofgehalte van een massastroom gewoonlijk wordt gerelateerd aan de energie-inhoud (brandstoffen) is het degene die de inrichting drijft, toegestaan om de relatie tussen koolstofgehalte en energie-inhoud [t C/TJ] voor de betrokken massastroom te bepalen en te gebruiken voor de berekening van de massabalans.

Niveau 1:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5%.

Niveau 3:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

Niveau 4:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 1,5%.

b) Koolstofgehalte

Niveau 1:

Het koolstofgehalte van de input- en outputstromen wordt afgeleid uit de standaardemissiefactoren voor brandstoffen of materialen die in bijlage IV van de regeling of in de hoofdstukken II.3 tot en met II.9 van deze bijlage worden genoemd. Het koolstofgehalte wordt als volgt afgeleid:

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past voor de brandstof of het materiaal in kwestie het voor het betrokken land specifieke koolstofgehalte toe dat door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

Het koolstofgehalte van een input- of outputstroom wordt afgeleid volgens de bepalingen van bijlage V van de regeling ten aanzien van de representatieve bemonstering van brandstoffen, producten en bijproducten en van de bepaling van het koolstofgehalte en de biomassafractie ervan.

4.2.2.2

Verbrandingsemissies

Verbrandingsprocessen in roost-, sinter- of pelletiseerinstallaties voor metaalerts waar brandstoffen niet als reduceermiddel worden gebruikt of niet afkomstig zijn van metallurgische reacties, worden gemonitord en gerapporteerd overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

4.2.2.3

Procesemissies

Tijdens het roosten op de sinterband wordt er CO2 geëmitteerd uit de ingezette materialen, te weten het ruwe mengsel (gewoonlijk calciumcarbonaat), en uit hergebruikte procesresidu’s. Voor elk type ingezet materiaal dat wordt gebruikt, moet de hoeveelheid CO2 als volgt worden berekend:

CO2-emissies = Σ {activiteitsgegevensingezet materiaalx emissiefactor x conversiefactor}

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

De hoeveelheden [t] carbonaat die worden gebruikt als ingezet materiaal [t CaCO3, t MgCO3 of t CaCO3-MgCO3] en procesresidu’s die als ingezet materiaal in het proces worden hergebruikt over een kalenderjaar, worden door degene die de inrichting drijft, of zijn leveranciers bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 2:

De hoeveelheden [t] carbonaat die worden gebruikt als ingezet materiaal [t CaCO3, t MgCO3 of t CaCO3-MgCO3] en procesresidu’s die als ingezet materiaal in het proces worden hergebruikt over een kalenderjaar, worden door degene die de inrichting drijft, of zijn leveranciers bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

Voor carbonaten worden de stoichiometrische verhoudingen van de volgende tabel 1 toegepast:

Tabel 1: Stoichiometrische emissiefactoren

CaCO3

0,440 t CO2/t CaCO3

MgCO3

0,522 t CO2/t MgCO3

FeCO3

0,380 t CO2/t FeCO3

Deze waarden worden bijgesteld op grond van het vochtgehalte en het gehalte aan ganggesteente in het toegepaste carbonaat.

Voor procesresidu’s worden de activiteitspecifieke factoren bepaald overeenkomstig bijlage V van de regeling.

c) Conversiefactor

Niveau 1:

Conversiefactor: 1,0

Niveau 2:

Activiteitspecifieke factoren worden bepaald in overeenstemming met de bepalingen van bijlage V van de regeling om de hoeveelheid koolstof in de geproduceerde sinter en in gefilterd stof te bepalen. Wanneer gefilterd stof in het proces wordt hergebruikt, mag de daarin aanwezige hoeveelheid koolstof [t] niet worden meegeteld om dubbelstelling te voorkomen.

Hoofdstuk

II.5

Eisen voor installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal

Dit hoofdstuk is van toepassing op installaties voor de vervaardiging van ruwijzer of staal als bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 2, onder 2.2, bij het besluit.

§

5.1

Grenzen en volledigheid

De eisen in deze bijlage zijn van toepassing op de CO2-emissies van installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal, inclusief continu gieten. Zij hebben betrekking op de primaire staalproductie zoals hoogovens of een oxystaaloven en de secundaire staalproductie zoals elektrische vlamboogovens.

CO2-installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continu gieten maken in het algemeen deel uit van staalfabrieken die technisch zijn gekoppeld met cokesovens en sinterinstallaties.

Wanneer een hoogoven deel uitmaakt van de gehele staalfabriek, mogen de CO2-emissies ook voor de staalfabriek als geheel worden gemonitord. In dit geval mag gebruik worden gemaakt van de massabalansmethode, zoals beschreven in 5.2.2.1 van deze bijlage.

Wanneer rookgasreiniging in de CO2-installatie wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende CO2-emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de CO2-installatie, worden deze berekend overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

§

5.2

Bepaling van CO2-emissies

5.2.1

CO2-eenheden

In CO2-installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continu gieten zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronstromen:

grondstoffen zoals het branden van kalksteen of dolomiet;

conventionele brandstoffen zoals aardgas, steenkool of cokes;

reduceermiddelen zoals cokes, steenkool of kunststoffen;

procesgassen zoals cokesovengas, hoogovengas of oxystaalovengas;

intering van grafietelektroden;

overige brandstoffen;

rookgasreiniging.

5.2.2

Berekening van CO2-emissies

Wanneer de installatie voor de vervaardiging van ruwijzer en staal deel uitmaakt van een geïntegreerde staalfabriek, kan degene die de inrichting drijft, emissies berekenen:

  • a.

    voor de geïntegreerde staalfabriek als geheel, met behulp van de massabalansmethode, of

  • b.

    de installatie voor de vervaardiging van ruwijzer en staal als afzonderlijke activiteit van de geïntegreerde staalfabriek.

5.2.2.1

Massabalansmethode

In het kader van de massabalansmethode wordt voor de bepaling van de broeikasgasemissies over het kalenderjaar rekening gehouden met alle koolstof in de ingezette materialen, de voorraden, de procucten en de andere materialen die uit de CO2-installatie worden afgevoerd, middels de volgende vergelijking:

CO2-emissies [t CO2] = (ingezette materialen – producten – afgevoerde materialen – voorraadwijzigingen) x conversiefactor CO2/C

waarin:

  • ingezette materialen [t C]: alle koolstof die over de grenzen de CO2-installatie binnenkomt

  • producten [t C]: alle koolstof in producten en materialen, inclusief bijproducten, die over de grenzen de CO2-installatie verlaat

  • afgevoerde materialen [t C]: koolstof die over de grenzen uit de CO2-installatie wordt afgevoerd, bijvoorbeeld door lozen op de riolering, storten op een afvalstortplaats of verliezen. Tot de afgevoerde materialen behoort niet de emissie van broeikasgassen naar de atmosfeer

  • voorraadwijzigingen [t C]: toename van de koolstofvoorraad binnen de grenzen van de CO2-installatie

De berekening moet dan als volgt plaatsvinden:

CO2-emissies [t CO2] =

(Σ (activiteitsgegevensingezette materialenx koolstofgehalteingezette materialen) –

Σ (activiteitsgegevensproductenx koolstofgehalteproducten) –

Σ (activiteitsgegevensafgevoerde materialenx koolstofgehalteafgevoerde materialen) –

Σ (activiteitsgegevensvoorraadwijzigingenx koolstofgehaltevoorraadwijzigingen)) x 3,664

a) Activiteitsgegevens

Degene die de inrichting drijft, analyseert en rapporteert voor alle relevante brandstoffen en materialen afzonderlijk de massastromen vanuit en naar de CO2-installatie en de bijbehorende voorraadwijzigingen. Ingeval het koolstofgehalte van een massastroom gewoonlijk wordt gerelateerd aan de energie-inhoud (brandstoffen) is het degene die de inrichting drijft, toegestaan om de relatie tussen koolstofgehalte en energie-inhoud [t C/TJ] voor de betrokken massastroom te bepalen en te gebruiken voor de berekening van de massabalans.

Niveau 1:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5%.

Niveau 3:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

Niveau 4:

De activiteitsgegevens over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 1,5%.

b) Koolstofgehalte

Niveau 1:

Het koolstofgehalte van de input- en outputstromen wordt afgeleid uit de standaardemissiefactoren voor brandstoffen of materialen die in bijlage IV van de regeling of in de hoofdstuk II.3 tot en met II.9 van deze bijlage worden genoemd. Het koolstofgehalte wordt als volgt afgeleid:

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past voor de brandstof of het materiaal in kwestie het voor het betrokken land specifieke koolstofgehalte toe dat door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

Het koolstofgehalte van een input- of outputstroom wordt afgeleid volgens de bepalingen van bijlage V van de regeling ten aanzien van de representatieve bemonstering van brandstoffen, producten en bijproducten en van de bepaling van het koolstofgehalte en de biomassafractie ervan.

Het koolstofgehalte van producten of halffabrikaten kan worden bepaald op basis van jaarlijkse analyses volgens de bepalingen van bijlage V van de regeling, dan wel worden afgeleid uit de gemiddelde samenstellingsgegevens die in de desbetreffende internationale of nationale normen zijn gespecificeerd.

5.2.2.2

Verbrandingsemissies

Verbrandingsprocessen in installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten waar brandstoffen niet als reduceermiddel worden gebruikt of niet afkomstig zijn van metallurgische reacties, worden gemonitord en gerapporteerd overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

5.2.2.3

Procesemissies

Installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten worden gewoonlijk gekenmerkt door een reeks opeenvolgende voorzieningen zoals een hoogoven of oxystaaloven die vaak weer technisch zijn gekoppeld aan andere installaties zoals cokesoven, sinterinstallatie of krachtinstallatie. Deze installaties gebruiken een aantal verschillende brandstoffen als reduceermiddel. In het algemeen produceren deze installaties ook procesgassen van verschillende samenstelling.

De totale CO2-emissies van installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten moeten als volgt worden berekend:

CO2-emissie [t CO2] = Σ (activiteitsgegevensINGEZETTE MATERIALENx emissiefactorINGEZETTE MATERIALEN) – Σ (activiteitsgegevensEINDMATERIALENx emissiefactorEINDMATERIALEN)

a) Activiteitsgegevens

a1) Relevante massastromen

Niveau 1:

De massastromen vanuit en naar de CO2-installatie over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De massastromen vanuit en naar de CO2-installatie over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 3:

De massastromen vanuit en naar de CO2-installatie over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

Niveau 4:

De massastromen vanuit en naar de CO2-installatie over het kalenderjaar worden bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 1,5%.

a2) Calorische onderwaarde (indien van toepassing)

Niveau 1:

Voor elke brandstof wordt de referentiewaarde gebruikt zoals aangegeven in bijlage IV van de regeling.

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past voor elke brandstof de voor het betrokken land specifieke calorische onderwaarde toe die door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

De calorische onderwaarde die representatief is voor elke partij brandstof die in een CO2-installatie wordt gebruikt, wordt gemeten door degene die de inrichting drijft, een hiervoor ingeschakelde meetinstantie of de brandstofleverancier, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage V van de regeling.

b) Emissiefactor

De emissiefactor die wordt toegepast op de activiteitsgegevens EINDMATERIALEN heeft betrekking op de hoeveelheid koolstof die in de eindmaterialen aanwezig is in een andere vorm dan CO2, en wordt uitgedrukt als t CO2/t eindmateriaal om de vergelijkbaarheid te vergroten.

Niveau 1:

Voor de emissiefactoren voor ingezette materialen en eindmaterialen worden referentiewaarden gebruikt; deze staan vermeld in de onderstaande tabel 1 en in bijlage IV van de regeling.

Tabel 1: Referentiewaarden voor de emissiefactoren

CaCO3

0,440

t CO2/t CaCO3

Stoichiometrische verhouding

CaCO3-MgCO3

0,477

t CO2/t CaCO3-MgCO3

Stoichiometrische verhouding

FeCO3

0,380

t CO2/t FeCO3

Stoichiometrische verhouding

Sponsijzer (Direct Reduced Iron, DRI)

0,07

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Koolstofelektroden voor vlamboogovens 2

3,00

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Charge-koolstof voor vlamboogovens 3

3,04

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Warm gebriketteerd ijzer

0,07

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Gas van oxystaalovens

1,28

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Petroleumcokes

3,19

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Aangekocht ruwijzer

0,15

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Schrootijzer

0,15

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Staal

0,04

t CO2/t

IPCC-richtsn. 2006

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past voor de brandstoffen in kwestie de voor het betrokken land specifieke emissiefactoren toe die door Nederland zijn aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

Er worden specifieke emissiefactoren (t CO2/t INGEZET MATERIAAL of t EINDMATERIAAL) voor ingezette materialen en eindmaterialen gebruikt, die worden afgeleid in overeenstemming met de bepalingen van bijlage V van de regeling.

Hoofdstuk

II.6

Eisen voor draaiovens voor de vervaardiging van cementklinkers

Dit hoofdstuk is van toepassing op draaiovens voor de vervaardiging van cementklinkers als bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 3, onder 3.1, bij het besluit.

§

6.1

Grenzen en volledigheid

Er zijn geen specifieke aspecten betreffende grenzen van toepassing.

§

6.2

Bepaling van CO2-emissies

6.2.1

CO2-eenheden

De CO2-emissies uit installaties voor de bereiding van cementklinker zijn afkomstig van de volgende bronnen en bronstromen :

het branden van kalksteen in de grondstoffen;

conventionele fossiele brandstoffen voor ovens;

alternatieve brandstoffen voor ovens en grondstoffen op fossiele basis;

biobrandstoffen voor ovens zoals biomassa-afval;

niet voor ovens gebruikte brandstoffen;

organische-koolstofgehalte van kalksteen en leisteen;

grondstoffen gebruikt voor rookgasreiniging.

6.2.2

Berekening van CO2-emissies

6.2.2.1

Verbrandingsemissies

Verbrandingsprocessen in installaties voor de bereiding van cementklinker waarbij verschillende soorten brandstoffen zijn betrokken, worden gemonitord en gerapporteerd overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

6.2.2.2

Procesemissies

Procesemissies van CO2 worden veroorzaakt door het branden van carbonaten in de grondstoffen die gebruikt worden bij de productie van klinkers, bedoeld in punt 6.2.2.2.1 van deze bijlage, door het gedeeltelijk of geheel branden van cementovenstof of bypass-stof dat vrijkomt bij het proces, bedoeld in punt 6.2.2.2.3 en in sommige gevallen door niet-carbonaatkoolstof die aanwezig is in de grondstoffen, bedoeld in punt 6.2.2.2.4.

6.2.2.2.1

CO2 afkomstig van de bereiding van cementklinker

CO2-emissies moeten worden berekend op basis van het carbonaatgehalte in de ingezette materialen (rekenmethode A) of van de geproduceerde hoeveelheid klinker (rekenmethode B). Beide methoden worden als gelijkwaardig beschouwd en kunnen door degene die de inrichting drijft, in combinatie worden gebruikt om met de resultaten van de ene methode de resultaten van de andere te valideren.

Rekenmethode A: Op basis van de in de oven ingezette materialen

De berekening vindt plaats op basis van het carbonaatgehalte in de ingezette materialen (met inbegrip van vliegas of hoogovenslakken). Daarbij worden cementovenstof (CKD) en bypass-stof afgetrokken van het verbruik van grondstoffen en worden de daarmee samenhangende emissies berekend volgens punt 6.2.2.2.1. ingeval CKD en bypass-stof het ovensysteem verlaten. Niet-carbonaatkoolstof is in deze methode al meegenomen, waardoor punt 6.2.2.2.3. niet van toepassing is.

De CO2 moet met behulp van de volgende formule worden berekend:

CO2-emissiesklinker = Σ{ activiteitsgegevens x emissiefactor x conversiefactor }

a) Activiteitsgegevens

Tenzij de grondstof als zodanig is gekarakteriseerd, gelden deze voorschriften afzonderlijk voor elk relevant koolstofhoudend materiaal (behalve brandstoffen) dat in de oven wordt ingezet, zoals kalksteen of leisteen, waarbij dubbeltelling of omissie van in het proces teruggevoerd materiaal of bypassmateriaal wordt vermeden. De hoeveelheid grondstof kan worden bepaald door middel van een locatiespecifieke empirische verhouding tussen grondstof en klinker, die minstens eenmaal per jaar moet worden geactualiseerd met inachtneming van richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.

Niveau 1:

De nettohoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die tijdens het kalenderjaar is verbruikt, wordt bepaald met een maximale meetonzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De nettohoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die tijdens het kalenderjaar is verbruikt, wordt bepaald met een maximale meetonzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 3:

De nettohoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die tijdens het kalenderjaar is verbruikt, wordt bepaald met een maximale meetonzekerheid van minder dan 2,5%.

b) Emissiefactor

De emissiefactoren worden berekend en gerapporteerd in massaeenheden vrijkomend CO2 per ton van elk relevant ingezet materiaal. Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in onderstaande tabel 1 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt.

De bepaling van de hoeveelheid relevante carbonaten, met inbegrip van CaCO3 en MgCO3, in elk relevant ingezet materiaal geschiedt overeenkomstig bijlage V van de regeling. Dit kan gebeuren door middel van thermo-gravimetrische methoden.

Tabel 1: Stoichiometrische verhoudingen

CaCO3

0,440 [t CO2/t CaCO3]

MgCO3

0,522 [t CO2/t MgCO3]

FeCO3

0,380 [t CO2/t FeCO3]

C

3,664 [t CO2/t C]

c) Conversiefactor

Niveau 1:

De hoeveelheid carbonaten die de oven verlaat, wordt met het oog op een conservatieve benadering gelijkgesteld aan nul, d.w.z. dat wordt uitgegaan van volledig branden (conversiefactor = 1).

Niveau 2:

Carbonaten en andere koolstof die de oven verlaten in de klinker worden in aanmerking genomen d.m.v. een conversiefactor met een waarde tussen 0 en 1. Degene die de inrichting drijft, mag uitgaan van volledige conversie voor één of meerdere ingezette materialen en de ongeconverteerde carbonaten of andere koolstof toekennen aan de resterende ingezette materialen. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de producten geschiedt overeenkomstig bijlage V van de regeling.

Rekenmethode B: Op basis van de geproduceerde klinker

Deze rekenmethode berust op de hoeveelheid geproduceerde klinker. De CO2-emissies worden berekend met behulp van de volgende formule:

CO2-emissiesklinker = activiteitsgegevens x emissiefactor x conversiefactor

Er wordt rekening gehouden met de CO2 die vrijkomt bij het branden van cementovenstof en bypass-stof voor installaties waar dit stof het ovensysteem verlaat (zie punt 6.2.2.2.3.), samen met mogelijke emissies van niet-carbonaatkoolstof in de grondstof (zie punt 6.2.2.2.4). CO2-emissies van de klinkerproductie en van cementovenstof en bypass-stof en niet-carbonaatkoolstof in de ingezette materialen worden afzonderlijk berekend en opgeteld om te komen tot de totale CO2-emissie:

CO2-emissiestotaal proces [t] = CO2-emissiesklinker [t] + CO2-emissiesstof [t] + CO2-emissiesniet-carbonaatkoolstof

6.2.2.2.2

CO2-emissies met betrekking tot geproduceerde klinker

a) Activiteitsgegevens

De klinkerproductie [t] in het kalenderjaar wordt bepaald door:

a. directe weging van de klinker, of

– op basis van cementleveringen volgens de volgende formule (in de materiaalbalans wordt rekening gehouden met aan- en afvoer van klinker alsmede met wijzigingen in de klinkervoorraad):

geproduceerde klinker [t] =

((cementleveringen [t] – wijzigingen in de cementvoorraad [t]) x verhouding klinker/cement [t klinker/t cement]) - (aanvoer van klinker [t]) + (afvoer van klinker [t]) – (wijzigingen in de klinkervoorraad [t])

De verhouding tussen cement en klinker wordt:

  • a.

    voor elk van de verschillende cementproducten afgeleid op grond van het bepaalde in bijlage V van de regeling, of

  • b.

    berekend op basis van het verschil tussen cementleveringen en voorraadwijzigingen en alle materialen die zijn gebruikt als toegevoegde materialen bij de cement, met inbegrip van bypass-stof en cementovenstof.

Niveau 1:

De hoeveelheid geproduceerde klinker [t] in het kalenderjaar wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 2:

De hoeveelheid geproduceerde klinker [t] in het kalenderjaar wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

Emissiefactor: 0,525 t CO2/t klinker

Niveau 2:

Degene die de inrichting drijft, past een voor het betrokken land specifieke emissiefactor toe die door Nederland is aangegeven in zijn laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Niveau 3:

De bepaling van de hoeveelheid CaO en MgO in het product geschiedt volgens bijlage V van de regeling.

Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in tabel 2 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt, waarbij ervan wordt uitgegaan dat alle CaO en MgO is afgeleid uit de respectieve carbonaten.

Tabel 2: Stoichiometrische verhoudingen

CaO

0,785

MgO

1,092

c) Conversiefactor

Niveau 1:

De hoeveelheid (niet-carbonaat-) CaO en MgO in de grondstoffen wordt met het oog op een conservatieve benadering gelijkgesteld aan nul, d.w.z. dat alle Ca en Mg in het product geacht wordt afkomstig te zijn van carbonaten in de grondstoffen. Dit wordt weergegeven door conversiefactoren met waarde 1.

Niveau 2:

De hoeveelheid (niet-carbonaat-) CaO en MgO in de grondstoffen wordt weergegeven d.m.v. conversiefactoren met een waarde tussen 0 en 1, waarbij waarde 1 staat voor volledige conversie van de carbonaten in de grondstof in oxiden. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de grondstoffen geschiedt overeenkomstig bijlage V van de regeling. Dit kan gebeuren door middel van thermo-gravimetrische methoden.

6.2.2.2.3

Emissies in samenhang met verwijderd stof

CO2 van bypass-stof of cementovenstof (CKD) dat het ovensysteem verlaat, moet worden berekend op basis van de hoeveelheid stof die het ovensysteem verlaat en de emissiefactor voor klinker (maar met eventueel verschillende CaO- en MgO-gehalten), bijgesteld voor het gedeeltelijk branden van CKD. De emissies moeten als volgt worden berekend:

CO2-emissiesstof = activiteitsgegevens x emissiefactor

Verklaring:

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

De hoeveelheid [t] cementovenstof of bypass-stof (in voorkomend geval) die het ovensysteem in een kalenderjaar verlaat, wordt geschat overeenkomstig de richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.

Niveau 2:

De hoeveelheid [t] cementovenstof of bypass-stof (in voorkomend geval) die het ovensysteem in een kalenderjaar verlaat, wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%

b) Emissiefactor

Niveau 1:

Gebruik van de referentiewaarde van 0,525 t CO2 per ton klinker, ook voor cementovenstof of bypass-stof dat het ovensysteem verlaat.

Niveau 2:

De emissiefactor [t CO2/t] voor cementovenstof of bypass-stof dat het ovensysteem verlaat, wordt berekend op basis van de mate waarin het stof is gebrand en de samenstelling ervan. De mate waarin het stof is gebrand en de samenstelling ervan moeten minstens eenmaal per jaar bepaald worden overeenkomstig bijlage V van de regeling.

De verhouding tussen de mate waarin het cementovenstof is gebrand en de CO2-emissies per ton cementovenstof is niet lineair. Ter benadering wordt de volgende formule gebruikt:

waarin

EFCKD = emissiefactor van gedeeltelijk gebrand cementovenstof [t CO2/t cementovenstof (CKD)]

EFCli = voor de installatie specifieke emissiefactor van klinker ([CO2/t klinker]

d = mate waarin het cementovenstof is gebrand (uitgestoten CO2 als% van totaal carbonaat-CO2 in het ruwe mengsel)

6.2.2.2.4

CO2-emissies van niet-carbonaatkoolstof in de grondstof

CO2-emissies van niet-carbonaatkoolstof in kalksteen, leisteen of alternatieve grondstoffen zoals vliegas die gebruikt zijn in de grondstof voor de oven, worden bepaald met behulp van de volgende formule:

CO2-emissiesniet-carbonaat grondstof = activiteitsgegevens x emissiefactor x conversiefactor

Verklaring:

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

De hoeveelheid relevante grondstof [t] die verbruikt is in het kalenderjaar wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan 15%.

Niveau 2:

De hoeveelheid relevante grondstof [t] die verbruikt is in het kalenderjaar wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

Het gehalte niet-carbonaatkoolstof in de relevante grondstof wordt geschat op grond van richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.

Niveau 2:

Het gehalte niet-carbonaatkoolstof in de relevante grondstof wordt minstens eenmaal per jaar bepaald overeenkomstig bijlage V van de regeling.

c) Conversiefactor

Niveau 1:

Conversiefactor: 1,0.

Niveau 2:

De conversiefactor wordt berekend op grond van de beste industriële praktijk.

Hoofdstuk

II.7

Eisen voor installaties voor de bereiding van kalk

Dit hoofdstuk is van toepassing op installaties voor de bereiding van kalk als bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 3, onder 3.2, bij het besluit.

§

7.1

Grenzen en volledigheid

Er zijn geen specifieke aspecten betreffende grenzen van toepassing.

§

7.2

Bepaling van CO2-emissies

7.2.1

Bronnen van CO2-emissies

In installaties voor de bereiding van kalk zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronstromen:

het branden van kalksteen en dolomiet in de grondstoffen;

conventionele fossiele brandstoffen voor ovens;

alternatieve brandstoffen voor ovens en grondstoffen op fossiele basis;

biobrandstoffen voor ovens zoals biomassa-afval;

overige brandstoffen.

7.2.2

Berekening van CO2-emissies

7.2.2.1

Verbrandingsemissies

Verbrandingsprocessen in CO2-installaties voor de bereiding van kalk waarbij verschillende soorten brandstoffen zijn betrokken worden gemonitord en gerapporteerd overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

7.2.2.2

Procesemissies

Relevante emissies ontstaan tijdens het branden en door de oxidatie van organische koolstof in de grondstoffen. Tijdens het branden in de oven komt CO2 uit de carbonaten in de grondstoffen vrij. De hoeveelheid CO2 die bij het branden wordt uitgestoten, is rechtstreeks gekoppeld met de kalkbereiding. Op installatieniveau kan dit bij het branden vrijgekomen CO2 op twee manieren worden berekend:

a. op basis van de hoeveelheid calcium- en magnesiumcarbonaat in de grondstof in voornamelijk kalksteen en dolomiet die in het proces wordt omgezet, of

b. op basis van de hoeveelheid calcium- en magnesiumoxiden in de geproduceerde kalk.

Beide werkwijzen worden als gelijkwaardig beschouwd en kunnen door degene die de inrichting drijft, in combinatie worden gebruikt om met de resultaten van de ene methode de resultaten van de andere te valideren.

Rekenmethode A als bedoeld in punt 7.2.2.2. onder a: Carbonaten

De berekening wordt gebaseerd op de hoeveelheid verbruikt calcium- en magnesiumcarbonaat in de grondstoffen. De volgende formule moet worden toegepast:

CO2-emissie [t CO2] = Σ {activiteitsgegevensINGEZET MATERIAALx emissiefactor x conversiefactor}

a) Activiteitsgegevens

Deze voorschriften gelden afzonderlijk voor elk van de relevante koolstofhoudende ingezette materialen, met uitzondering van brandstoffen, waarbij dubbeltelling of omissie van in het proces teruggevoerd materiaal of bypassmateriaal wordt vermeden.

Niveau 1:

De hoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die is verbruikt tijdens het kalenderjaar, wordt door degene die de inrichting drijft, bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De hoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die is verbruikt tijdens het kalenderjaar, wordt door degene die de inrichting drijft, bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 3:

De hoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die is verbruikt tijdens het kalenderjaar, wordt door degene die de inrichting drijft, bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

De emissiefactoren worden berekend en gerapporteerd in massa-eenheden vrijkomend CO2 per ton van elk relevant ingezet materiaal, uitgaand van volledige conversie. Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in onderstaande tabel 1 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt.

De bepaling van de hoeveelheid CaCO3, MgCO3 en organische koolstof (waar relevant) in de diverse ingezette materialen geschiedt overeenkomstig bijlage V van de regeling.

Tabel 1: Stoichiometrische verhoudingen

CaCO3

0,440 [t CO2/ t CaCO3]

MgCO3

0,522 [t CO2/ t MgCO3]

c) Conversiefactor

Niveau 1:

De hoeveelheid carbonaten die de oven verlaat, wordt met het oog op een conservatieve benadering gelijkgesteld aan nul, d.w.z. dat wordt uitgegaan van volledig branden (conversiefactor = 1).

Niveau 2:

Carbonaten die de oven verlaten in de kalk worden in aanmerking genomen d.m.v. een conversiefactor met een waarde tussen 0 en 1. Degene die de inrichting drijft, mag uitgaan van volledige conversie voor één of meerdere ingezette materialen en de ongeconverteerde carbonaten toekennen aan de resterende ingezette materialen. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de producten gebeurt overeenkomstig bijlage V van de regeling.

Rekenmethode B als bedoeld in punt 7.2.2.2. onder b: Aardalkalioxiden

Het uitgestoten CO2 is afkomstig van het branden van carbonaten en wordt berekend op basis van de hoeveelheid CaO en MgO in de bereide kalk. Reeds gebrand Ca en Mg dat de oven ingaat, bijvoorbeeld in de vorm van vliegas of brandstoffen en grondstoffen met een relevant CaO- of MgO-gehalte, moeten naar behoren in aanmerking worden genomen d.m.v. de conversiefactor. Kalkovenstof dat het ovensysteem verlaat moet naar behoren in aanmerking worden genomen.

CO2-Emissies van carbonaten

Voor de berekening wordt de volgende formule toegepast:

CO2-emissie [t CO2] = Σ {activiteitsgegevensEINDMATERIAALx emissiefactor x conversiefactor}

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

De hoeveelheid kalk [t] die is geproduceerd tijdens het kalenderjaar, wordt door degene die de inrichting drijft, bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 2:

De hoeveelheid kalk [t] die is geproduceerd tijdens het kalenderjaar, wordt door degene die de inrichting drijft, bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

b) Emissiefactoren

Niveau 1:

De bepaling van de hoeveelheid CaO en MgO in het product gebeurt volgens bijlage V van de regeling.

Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in tabel 2 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt, waarbij ervan wordt uitgegaan dat alle CaO en MgO is afgeleid uit de respectieve carbonaten.

Tabel 2: Stoichiometrische verhoudingen

CaO

0,785

MgO

1,092

c) Conversiefactor

Niveau 1:

De hoeveelheid CaO en MgO in de grondstoffen wordt met het oog op een conservatieve benadering gelijkgesteld aan nul, d.w.z. dat alle Ca en Mg in het product geacht wordt afkomstig te zijn van carbonaten in de grondstoffen. Dit wordt weergegeven door conversiefactoren met waarde 1.

Niveau 2:

De hoeveelheid CaO en MgO die zich reeds in de grondstoffen bevindt, wordt weergegeven d.m.v. conversiefactoren met een waarde tussen 0 en 1, waarbij waarde 1 staat voor volledige conversie van de carbonaten in de grondstof in oxiden. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van grondstoffen gebeurt overeenkomstig bijlage V van de regeling.

Hoofdstuk

II.8

Eisen voor installaties voor de vervaardiging van glas

Dit hoofdstuk is van toepassing op installaties voor de vervaardiging van glas als bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 3, onder 3.3, bij het besluit.

§

8.1

Grenzen en volledigheid

Wanneer in de CO2-installatie rookgasreiniging wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende CO2-emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de CO2-installatie, worden deze berekend in overeenstemming met hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

Deze bijlage is eveneens van toepassing voor CO2-eenheden voor de productie van waterglas en steenwol.

§

8.2

Bepaling van CO2-emissies

8.2.1

Bronnen van CO2-emissies

In glasproductie-installaties zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronnen en bronstromen:

de ontbinding van alkali- en aardalkalicarbonaten tijdens het smelten van de grondstof;

conventionele fossiele brandstoffen;

alternatieve brandstoffen en grondstoffen op fossiele basis;

biobrandstoffen zoals biomassa-afval;

overige brandstoffen;

koolstofhoudende toegevoegde materialen, met inbegrip van cokes en kolengruis;

rookgasreiniging.

8.2.2

Berekening van CO2-emissies

8.2.2.1

Verbrandingsemissies

Verbrandingsprocessen in CO2-installaties voor de vervaardiging van glas worden gemonitord en gerapporteerd overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

8.2.2.2

Procesemissies

Tijdens het smelten in de oven komt CO2 vrij uit carbonaten in de grondstoffen; tevens komt CO2 vrij bij het neutraliseren van HF, HCl en SO2 in de rookgassen met behulp van kalksteen of andere carbonaten. De CO2-emissies afkomstig van de ontbinding van carbonaten tijdens het smeltproces en de emissies van de rookgasreiniging maken beide deel uit van de CO2-emissies van de CO2-installatie. Zij moeten bij de totale CO2-emissie worden opgeteld, maar indien mogelijk wel afzonderlijk worden gerapporteerd.

De hoeveelheid CO2 die bij het smelten in de oven uit carbonaten in de grondstoffen vrijkomt, is rechtstreeks gekoppeld met de glasproductie en wordt berekend op basis van de in het proces omgezette hoeveelheid carbonaten uit de grondstof (voornamelijk soda, kalk/kalksteen, dolomiet en andere alkali- of aardalkalicarbonaten, aangevuld met carbonaatvrij kringloopglas (scherven)).

De berekening wordt gebaseerd op de verbruikte hoeveelheid carbonaten. De volgende formule moet worden toegepast:

CO2-emissies [t CO2] = Σ {activiteitsgegevens x emissiefactor } + Σ {toegevoegd materiaal x emissiefactor}

a) Activiteitsgegevens

Activiteitsgegevens behelzen de hoeveelheid [t] carbonaatgrondstoffen of toegevoegde materialen waarvan het gebruik CO2-emissies veroorzaakt, zoals aangeleverd (dolomiet, kalksteen, soda en andere carbonaten) en verwerkt voor de vervaardiging van glas in de installatie gedurende het kalenderjaar.

Niveau 1:

De totale massa [t] van de carbonaatgrondstoffen of koolstofhoudende toegevoegde materialen die zijn verbruikt tijdens het kalenderjaar wordt door degene die de inrichting drijft, of door zijn leverancier per type grondstof bepaald met een maximale onzekerheid van 2,5%.

Niveau 2:

De totale massa [t] van de carbonaatgrondstoffen of koolstofhoudende toegevoegde materialen die zijn verbruikt tijdens het kalenderjaar wordt door degene die de inrichting drijft, of door zijn leverancier per type grondstof bepaald met een maximale onzekerheid van 1,5%.

b) Emissiefactor

Carbonaten:

De emissiefactoren worden berekend en gerapporteerd in massa-eenheden vrijkomend CO2 per ton van elke carbonaatgrondstof. Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in onderstaande tabel 1 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt.

Niveau 1:

De zuiverheid van relevante ingezette materialen wordt bepaald overeenkomstig de beste industriële praktijk. De verkregen waarden moeten worden bijgesteld op grond van het vochtgehalte en het gehalte aan ganggesteente in de toegepaste carbonaten.

Niveau 2:

De bepaling van de hoeveelheid relevante carbonaten in elk relevant ingezet materiaal geschiedt volgens bijlage V van de regeling.

Tabel 1: Stoichiometrische emissiefactoren

CaCO3

0,440

MgCO3

0,522

Na2CO3

0,415

BaCO3

0,223

Li2CO3

0,596

K2CO3

0,318

SrCO3

0,298

NaHCO3

0,524

algemeen:

XY(CO3) Z

Emissiefactor =

[MCO2] / {Y * [Mx] + Z * [MCO3 2- ]}

X = alkali- of aardalkalimetaal

Mx = molecuulmassa van X [in g/mol]

MCO2 = molecuulmassa van CO2 = 44 [g/mol]

MCO3= = molecuulmassa van CO3 2- = 60 [g/mol]

Y = stoichiometrische coëfficiënt van X

= 1 (voor aardalkalimetalen)

= 2 (voor alkalimetalen)

Z = stoichiometrische coëfficiënt van CO3 2- = 1

Hoofdstuk

II.9

Eisen voor installaties voor de vervaardiging van keramische producten

Dit hoofdstuk is van toepassing op CO2-installaties voor de vervaardiging van keramische producten als bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 3, onder 3.4, bij het besluit.

§

9.1

Grenzen en volledigheid

Er zijn geen specifieke aspecten betreffende grenzen van toepassing.

§

9.2

Bepaling van CO2-emissies

9.2.1

CO2-emissies-eenheden

In CO2-installaties voor de vervaardiging van keramische producten zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronstromen:

conventionele fossiele brandstoffen voor ovens;

alternatieve brandstoffen voor ovens op fossiele basis;

biobrandstoffen voor ovens;

het branden van kalksteen of dolomiet en andere carbonaten in de grondstof;

kalksteen en andere carbonaten voor het reduceren van luchtverontreinigende stoffen en andere rookgasreiniging;

fossiele of uit biomassa verkregen toegevoegde materialen ter bevordering van poreusheid, zoals polystyrol, reststoffen van papierproductie of zaagsel;

fossiel organisch materiaal in de klei en andere grondstoffen.

9.2.2

Berekening van CO2-emissies

9.2.2.1

Verbrandingsemissies

Verbrandingsprocessen in installaties voor de vervaardiging van keramische producten worden gemonitord en gerapporteerd overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

9.2.2.2

Procesemissies

CO2 komt vrij tijdens het branden van de grondstoffen in de oven en bij de oxidatie van organisch materiaal in de klei en de toegevoegde materialen, alsook bij het neutraliseren van HF, HCl en SO2 in de rookgassen met behulp van kalksteen of andere carbonaten en bij andere rookgasreinigingsprocessen. CO2-emissies afkomstig van de ontbinding van carbonaten en de oxidatie van organisch materiaal in de oven en van rookgasreiniging maken allemaal deel uit van de emissies van de CO2-installatie. Zij worden bij de totale CO2-emissie opgeteld, maar indien mogelijk wel afzonderlijk gerapporteerd. De berekening wordt als volgt uitgevoerd:

CO2-emissiestotaal [t] = CO2-emissiesingezet materiaal [t] + CO2-emissiesrookgasreiniging [t]

9.2.2.2.1

CO2 afkomstig van ingezette materialen

De hoeveelheid CO2 afkomstig van carbonaten en van koolstof in andere ingezette materialen wordt berekend op basis van:

  • a.

    de in het proces omgezette hoeveelheid anorganische en organische koolstof in de grondstoffen met behulp van rekenmethode A, of

  • b.

    de hoeveelheid aardalkalioxiden in de vervaardigde keramische producten met behulp van rekenmethode B.

Beide werkwijzen worden als gelijkwaardig beschouwd voor keramische producten op basis van gezuiverde of synthetische klei. Rekenmethode A moet worden toegepast voor keramische producten op basis van onbewerkte klei, alsook bij gebruik van klei of toegevoegd materiaal met een aanzienlijk organisch gehalte.

Rekenmethode A: Koolstofinputs

De berekening is gebaseerd op de koolstofinput (organisch en anorganisch) via elk van de relevante grondstoffen, zoals verschillende types klei, kleimengsels of toegevoegde materialen. Kwarts/kwartsglas, veldspaat, kaolien en mineraaltalk zijn gewoonlijk geen noemenswaardige koolstofbronnen.

De activiteitsgegevens, de emissiefactor en de conversiefactor hebben betrekking op dezelfde toestand van het materiaal, bij voorkeur de droge toestand.

Voor de berekening wordt de volgende formule toegepast:

CO2-emissies [t CO2] =

Σ {activiteitsgegevens x emissiefactor x conversiefactor}

a) Activiteitsgegevens

Deze voorschriften gelden afzonderlijk voor elk van de relevante koolstofhoudende grondstoffen met uitzondering van brandstoffen, zoals klei of toegevoegd materiaal, waarbij dubbeltelling of omissie van in het proces teruggevoerd materiaal of bypassmateriaal wordt vermeden.

Niveau 1:

De hoeveelheid van elke relevante grondstof of toegevoegd materiaal [t] die is verbruikt tijdens het kalenderjaar (met uitzondering van verliezen), wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De hoeveelheid van elke relevante grondstof of toegevoegd materiaal [t] die is verbruikt tijdens het kalenderjaar (met uitzondering van verliezen), wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 3:

De hoeveelheid van elke relevante grondstof of toegevoegd materiaal [t] die is verbruikt tijdens het kalenderjaar (met uitzondering van verliezen), wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

b) Emissiefactor

Een gewogen gemiddelde emissiefactor die organische en organische koolstof omvat (‘totale koolstof’) mag toegepast worden voor elke bronstroom (d.w.z. een relevant grondstoffenmengsel of toegevoegd materiaal). Er kunnen ook twee verschillende emissiefactoren worden toegepast voor ‘totale anorganische koolstof’ en ‘totale organische koolstof’ voor elke bronstroom. In voorkomend geval worden stoichiometrische verhoudingen toegepast voor de omrekening van de samenstellingsgegevens voor afzonderlijke carbonaten zoals weergegeven in tabel 1. De bepaling van de biomassafractie van toegevoegde materialen die niet als zuivere biomassa worden aangemerkt, geschiedt volgens het bepaalde in bijlage V, hoofdstuk V.4 van de regeling.

Tabel 1: Stoichiometrische verhoudingen

CaCO3

0,440 [t CO2/t CaCO3]

MgCO3

0,522 [t CO2/t MgCO3]

BaCO3

0,223 [t CO2/t BaCO3]

Algemeen:

XY(CO3) Z

Emissiefactor =

[MCO2] / {Y * [Mx] + Z * [MCO3 2-]}

X = alkali- of aardalkalimetaal

Mx = molecuulmassa van X [in g/mol]

MCO2 = molecuulmassa van CO2 = 44 [g/mol]

MCO3= = molecuulmassa van CO32- = 60 [g/mol]

Y = stoichiometrische coëfficiënt van X

= 1 (voor aardalkalimetalen)

= 2 (voor alkalimetalen)

Z = stoichiometrische coëfficiënt van CO3 2- = 1

Niveau 1:

Bij de berekening van de emissiefactor wordt een conservatieve waarde van 0,2 ton CaCO3 (wat overeenstemt met 0,088 ton CO2) per ton droge klei toegepast i.p.v. analyseresultaten.

Niveau 2:

Voor elke bronstroom wordt een emissiefactor afgeleid, die minstens eenmaal per jaar wordt geactualiseerd. Dit geschiedt overeenkomstig de beste industriële praktijk, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en het productenassortiment van de installatie.

Niveau 3:

De bepaling van de samenstelling van de relevante grondstoffen gebeurt overeenkomstig bijlage V van de regeling.

Conversiefactor

Niveau 1:

De hoeveelheid carbonaten en andere koolstof die de oven verlaat in de producten, wordt met het oog op een conservatieve benadering gelijkgesteld aan nul, d.w.z. dat wordt uitgegaan van volledig branden en volledige oxidatie (conversiefactor = 1).

Niveau 2:

Carbonaten en koolstof die de oven verlaten, worden weergegeven d.m.v. conversiefactoren met een waarde tussen 0 en 1, waarbij waarde 1 staat voor een volledige conversie van carbonaten of andere koolstof. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de producten gebeurt overeenkomstig bijlage V van de regeling.

Rekenmethode B: Aardalkalioxiden

De hoeveelheid CO2 die bij het branden uit carbonaten vrijkomt, wordt berekend op basis van de hoeveelheid vervaardigde keramische producten en het gehalte aan CaO, MgO en andere alkali- of aardalkalioxiden in de keramische producten (activiteitsgegevensO EINDMATERIALEN). De emissiefactor wordt bijgesteld voor het gehalte aan reeds gebrand Ca, Mg en andere alkali- of aardalkalioxiden die de oven ingaan (activiteitsgegevensO INGEZETTE MATERIALEN), bijvoorbeeld alternatieve brandstoffen en grondstoffen met een relevant gehalte aan CaO of MgO. Voor de berekening wordt de volgende formule toegepast:

CO2-emissie [t CO2] = Σ {activiteitsgegevens x emissiefactor x conversiefactor}

a) Activiteitsgegevens

De activiteitsgegevens van de producten hebben betrekking op de brutoproductie, met inbegrip van verworpen producten en scherven uit de ovens en ten gevolge van het vervoer.

Niveau 1:

De productmassa in het kalenderjaar wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

Niveau 2:

De productmassa in het kalenderjaar wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5,0%.

Niveau 3:

De productmassa in het kalenderjaar wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

b) Emissiefactor

Een gewogen gemiddelde emissiefactor moet worden berekend op basis van het gehalte aan relevante metaaloxiden, bv. CaO, MgO en BaO, in het product met behulp van de stoichiometrische verhoudingen in tabel 2.

Tabel 2: Stoichiometrische verhoudingen

CaO

0,785 [ton CO2 per ton oxide]

MgO

1,092 [ton CO2 per ton oxide]

BaO

0,287 [ton CO2 per ton oxide]

algemeen:

XY(O)Z

Emissiefactor =

[MCO2] / {Y * [Mx] + Z * [MO]}

X = alkali- of aardalkalimetaal

Mx = molecuulmassa van X [in g/mol]

MCO2 = molecuulmassa van CO2 = 44 [g/mol]

MO = molecuulmassa van O = 16 [g/mol]

Y = stoichiometrische coëfficiënt van X

= 1 (voor aardalkalimetalen)

= 2 (voor alkalimetalen)

Z = stoichiometrische coëfficiënt van O = 1

Niveau 1:

Bij de berekening van de emissiefactor wordt een conservatieve waarde van 0,12 ton CaO (wat overeenstemt met 0,0942 ton CO2) per ton product toegepast i.p.v. analyseresultaten.

Niveau 2:

Er wordt een emissiefactor afgeleid, die minstens eenmaal per jaar wordt geactualiseerd. Dit geschiedt overeenkomstig de beste industriële praktijk, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en het productenassortiment van de installatie.

Niveau 3:

De bepaling van de samenstelling van de producten geschiedt overeenkomstig bijlage V van de regeling.

c) Conversiefactor

Niveau 1:

De hoeveelheid relevante oxiden in de grondstoffen wordt met het oog op een conservatieve benadering gelijkgesteld aan nul, d.w.z. dat alle Ca-, Mg-, Ba- en andere relevante alkalioxiden in het product geacht worden afkomstig te zijn van carbonaten in de grondstoffen. Dit wordt weergegeven door conversiefactoren met waarde 1.

Niveau 2:

Relevante oxiden in de grondstoffen worden weergegeven d.m.v. conversiefactoren met een waarde tussen 0 en 1, waarbij waarde 0 de situatie weergeeft waarbij de volledige hoeveelheid van het relevante oxide die zich reeds in de grondstoffen bevond. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van grondstoffen gebeurt overeenkomstig bijlage V van de regeling.

9.2.2.2.2

CO2 uit kalksteen voor het reduceren van luchtverontreinigende stoffen en andere rookgasreiniging

De hoeveelheid CO2 die vrijkomt uit kalksteen voor het reduceren van luchtverontreinigende stoffen en andere rookgasreiniging wordt berekend op basis van de hoeveelheid ingezet CaCO3. Dubbeltelling van gebruikte kalksteen die gerecycleerd is als grondstof in dezelfde CO2-installatie wordt vermeden.

Voor de berekening wordt de volgende formule toegepast:

CO2-emissie [t CO2] = activiteitsgegevens x emissiefactor

a) Activiteitsgegevens

Niveau 1:

De hoeveelheid [t] tijdens het kalenderjaar verbruikt droog CaCO3 wordt door degene die de inrichting drijft, of zijn leveranciers bepaald door weging, met een maximale onzekerheid van minder dan 7,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

De stoichiometrische verhouding voor CaCO3 wordt weergegeven in tabel 1.

Hoofdstuk

II.10

Eisen voor installaties voor de vervaardiging van pulp, papier en karton

Dit hoofdstuk is van toepassing op CO2-installaties voor de vervaardiging van pulp, papieren en karton als bedoeld in bijlage I, onder A, categorie 4, onder 4.1 en 4.2, bij het besluit.

§

10.1

Grenzen en volledigheid

Indien uit de CO2- installatie CO2 wordt overgedragen dat afkomstig is van fossiele brandstoffen, zoals naar een nabijgelegen CO2-installatie met precipitatie van calciumcarbonaat (PCC), worden deze afgevoerde materialen ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit niet in de emissies van de CO2-installatie meegeteld, Wanneer in de CO2-installatie rookgasreiniging wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de installatie, worden deze berekend overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

§

10.2

Bepaling van CO2-emissies

10.2.1

CO2-eenheden

De CO2-eenheden of onderdelen daarvan die CO2-emissies kunnen veroorzaken in pulp- en papierfabrieken, zijn onder andere:

krachtketels, gasturbines en andere verbrandingstoestellen die stoom of elektriciteit voor de fabriek opwekken;

terugwininstallaties en andere toestellen waarin residuloog wordt verbrand;

verbrandingsovens;

kalk- en gloeiovens;

rookgasreiniging;

met fossiele brandstoffen gestookte drogers zoals infrarooddrogers.

De eisen in deze bijlage zijn niet van toepassing op CO2-emissies die afkomstig zijn van de behandeling van afvalwater en stortplaatsen, inclusief anaërobe afvalwaterbehandeling of slibgisting en stortplaatsen waar afvalstoffen van papierfabrieken worden gestort.

10.2.2

Berekening van CO2-emissies

10.2.2.1

Verbrandingsemissies

CO2-emissies van verbrandingsprocessen die plaatsvinden in pulp- en papierfabrieken, worden gemonitord overeenkomstig hoofdstuk II.1 van deze bijlage.

10.2.2.2

Procesemissies

CO2-emissies worden veroorzaakt door het gebruik van carbonaten als aanvullende chemicaliën voor de vervaardiging van pulp. Hoewel verliezen van natrium en calcium uit de terugwininstallatie en uit de basische ontsluiting van vezels gewoonlijk worden aangevuld met andere chemicaliën dan carbonaten, worden er soms toch kleine hoeveelheden calciumcarbonaat (CaCO3) en natriumcarbonaat (Na2CO3) toegepast, die CO2-emissies tot gevolg hebben. De koolstof in deze chemische stoffen is gewoonlijk van fossiele oorsprong, maar kan soms uit biomassa zijn gewonnen zoals wanneer Na2CO3 wordt gekocht die afkomstig is van semi-chemische procédés op basis van soda.

Er wordt van uitgegaan dat de koolstof in deze chemicaliën als CO2 uit de kalkoven of terugwininstallatie vrijkomt. Bij de bepaling van deze emissies wordt aangenomen dat alle koolstof in de CaCO3 en Na2CO3 die in de terugwininstallatie en bij de basische ontsluiting van vezels wordt gebruikt, in de atmosfeer wordt uitgestoten.

Aangezien er bij de basische ontsluiting van vezels verliezen optreden, moet er calcium worden aangevuld, meestal in de vorm van calciumcarbonaat.

De CO2-emissies worden als volgt berekend:

CO2-emissies = Σ {(activiteitsgegevenscarbonaatx emissiefactor)}

a) Activiteitsgegevens

De activiteitsgegevens carbonaat geven de hoeveelheden CaCO3 en Na2CO3 weer die in het proces worden verbruikt.

Niveau 1:

Hoeveelheden [t] in het proces verbruikt CaCO3 en Na2CO3, door degene die de inrichting drijft, of zijn leveranciers bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

Niveau 2:

Hoeveelheden [t] in het proces verbruikt CaCO3 en Na2CO3, door degene die de inrichting drijft, of zijn leveranciers bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 1,5%.

b) Emissiefactor

Niveau 1:

De stoichiometrische verhoudingen [t CO2/t CaCO3] en [t CO2/t Na2CO3] voor carbonaten die niet van biomassa afkomstig zijn, worden weergegeven in tabel 1. Uit biomassa afkomstige carbonaten worden gewogen met een emissiefactor 0 [t CO2/t carbonaat].

Tabel 1: Stoichiometrische emissiefactoren

CaCO3 als aanvullend materiaal voor de pulpfabricage

0,440

Na2CO3 als aanvullend materiaal voor de pulpfabricage

0,415

Deze waarden moeten worden bijgesteld op grond van het vochtgehalte en het gehalte aan ganggesteente in de toegepaste carbonaten.

Bijlage

III

Bepalingsmethode activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren

Deze bijlage behoort bij de artikelen 7, tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid, van de regeling.

Hoofdstuk

III.1

bepaling activiteitsgegevens

§

1.1

Formule voorraadwijzigingen

De bepaling van de activiteitsgegevens aan de hand van voorraadwijzigingen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van deze regeling, vindt plaats volgens de volgende formule:

Materiaal C = materiaal P + (materiaal S – materiaal E) – materiaal O

waarin:

Materiaal C: materiaal verwerkt in het kalenderjaar

Materiaal P: materiaal aangekocht in het kalenderjaar

Materiaal S: materiaalvoorraad aan het begin van het kalenderjaar

Materiaal E: materiaalvoorraad aan het einde van het kalenderjaar

Materiaal O: materiaal gebruikt voor andere doeleinden zoals vervoer of wederverkoop

§

1.2

Uitwerking formule

In gevallen waarin ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat het technisch niet haalbaar is of dat het zou leiden tot onredelijke kosten om de posten ‘materiaal S’ en ‘materiaal E’te bepalen, mag degene die een inrichting drijft, deze twee hoeveelheden schatten op basis van gegevens van voorgaande jaren en door deze te correleren aan de geproduceerde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar dan wel op basis van gedocumenteerde methoden en de desbetreffende gegevens in de geauditte jaarrekeningen voor het kalenderjaar.

Degene die een inrichting drijft, bevestigt deze schattingen met behulp van gedocumenteerde berekeningen en bijbehorende jaarrekeningen.

Hoofdstuk

III.2

bepaling emissiefactoren

§

2.1

Eisen voor de bepaling van emissiefactoren

Met betrekking tot de bepaling van emissiefactoren worden de volgende eisen gesteld:

  • 1.

    Degene die een inrichting drijft, mag een emissiefactor voor een brandstof gebruiken die is uitgedrukt als koolstofgehalte (t CO2/t of t CO2/Nm3) in plaats van als t CO2/TJ voor verbrandingsemissies mits hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit permanent een lagere onzekerheid tot gevolg heeft of dat het hanteren van een emissiefactor in t CO2/TJ tot onredelijke kosten leidt.

  • 2.

    Voor de conversie van koolstof in de waarde voor CO2 wordt de factor 3,667 [t CO2/t C] gebruikt.

§

2.2

Biomassa

Biomassa wordt beschouwd als CO2-neutraal. Op biomassa wordt een emissie factor 0 [t CO2/TJ of t of Nm3] toegepast.

§

2.3

Emissiefactor voor brandstoffen of materialen

Voor brandstoffen of materialen die zowel fossiele koolstof als biomassakoolstof bevatten, wordt een gewogen emissiefactor toegepast, die is gebaseerd op het aandeel van de fossiele koolstof in het totale koolstofgehalte van de brandstof. Deze berekening is transparant en gedocumenteerd in overeenstemming met de regels en procedures van bijlage V bij deze regeling.

Hoofdstuk

III.3

Bepaling oxidatiefactoren of conversiefactoren

1

Indien er in een CO2-installatie verschillende brandstoffen worden gebruikt en er activiteitspecifieke oxidatiefactoren worden berekend, mag degene die een inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit:

  • a.

    een gewogen gemiddelde oxidatiefactor voor de activiteit bepalen en deze op alle brandstoffen toepassen, of

  • b.

    aan één grote brandstofstroom onvolledige oxidatie toekennen en op de overige stromen een waarde 1 toepassen.

2

In afwijking van onderdeel 1 en de bij deze regeling behorende bijlage II, past degene die een inrichting drijft, een oxidatiefactor van 1 toe bij het bepalen van de CO2-emissies van de bronstroom kolen, indien in de allocatie voor deze bronstroom is uitgegaan van CO2-emissies die zijn berekend door de hoeveelheid bronstroom te vermenigvuldigen met de emissiefactor.

3

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien biomassa wordt gebruikt.

Bijlage

IV

Indeling in niveaus

Deze bijlage behoort bij de artikelen 4, onder a, en 10, derde lid, van de regeling.

Klasse A: totale jaarvracht ≤ 50 kton

Klasse B: 50 kton < totale jaarvracht ≤ 500 kton

Klasse C: totale jaarvracht > 500 kton

II: Verbranding

Commercieel verhandelbare standaardbrandstoffen

2

3

4

2a/2b

2a/2b

2a/2b

2a/2b

2a/2b

2a/2b

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Andere gasvormige en vloeibare brandstoffen

2

3

4

2a/2b

2a/2b

3

2a/2b

2a/2b

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Vaste brandstoffen

1

2

3

2a/2b

3

3

2a/2b

3

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Massabalansmethode voor de productie van carbon black en voor gasverwerkingsterminals

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

2

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

2

3

Fakkels

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

2a/2b

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Gasreiniging

Carbonaat

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Gips

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

III: Raffinaderijen

Katalytische-krakerregeneratie

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Waterstofproductie

1

2

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

2

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

IV: Cokesovens

Massabalans

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

2

3

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Brandstofinzet

1

2

3

2

2

3

2

3

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

V: Roosten en sinteren van metaalerts

Massabalans

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

2

3

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Carbonaatinzet

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

VI: Ruwijzer en staal

Massabalans

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

2

3

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Brandstofinzet

1

2

3

2

2

3

2

3

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

VII: Cement

Op basis van inzet in de oven

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

2

Op basis van geproduceerde klinker

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

2.

Cementovenstof

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

2

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Niet-carbonaatkoolstof

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

2

VIII: Kalk

Carbonaten

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

2

Aardalkalioxiden

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

2.

IX: Glas

Carbonaten

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

X: Keramische producten

Koolstofinzet

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1.

1

2

Alkalioxiden

1

1

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

2

3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

2

Gasreiniging

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

XI: Pulp en papier

Standaardmethode

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

1

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Bijlage

IVA

Drempelwaarden voor de totale onzekerheid

Deze bijlage behoort bij artikel 12b van de regeling.

A

7,5%

B

5,0%

C

2,5%

Bijlage

V

Bepaling specifieke gegevens en factoren CO2 monitoring

Deze bijlage behoort bij de artikelen 8, eerste lid, 9, eerste lid, en 17, onder a, b, c, en d, van de regeling.

Hoofdstuk

V.1

bepaling van calorische onderwaarde en emissiefactoren van brandstoffen

§

1.1

Procedure voor de bepaling van de emissiefactor

De procedure om de activiteitsspecifieke emissiefactor voor een bepaald brandstoftype te bepalen, met in begrip van de bemonsteringsprocedure, wordt in het monitoringsplan opgenomen.

§

1.2

Cen-normen

  • 1.

    De procedures die worden toegepast bij de bemonstering van een brandstof en bij de bepaling van de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte en de emissiefactor daarvan, berusten op een standaardmethode, waarbij systematische bemonsterings- en meetfouten beperkt blijven en waarvan de meetonzekerheid bekend is. Indien een relevante CEN-norm beschikbaar is, wordt deze toegepast.

  • 2.

    Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, als bedoeld onder onderdeel 1, gelden ISO-normen, uitgegeven door de International Organisation of Standardization, of nationale normen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut.

  • 3.

    Een CEN-norm, als bedoeld onder onderdeel 1, heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

  • 4.

    De Minister doet van de uitgifte van CEN-normen als bedoeld in het derde lid alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

§

1.3

Beste industriële praktijk

Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met passende ontwerpnormen of richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.

§

1.4

Bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie

Met betrekking tot de bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie voor analyses ter bepaling van koolstofgehalte, calorische onderwaarde en emissiefactor gelden de eisen van hoofdstuk V.5.

§

1.5

Volledige documentatie

De volledige documentatie over de procedures die de desbetreffende meetinstantie voor de bepaling van de emissiefactor heeft gevolgd, en de volledige reeks uitkomsten worden bewaard en beschikbaar gesteld aan de verificateur van het emissieverslag.

Hoofdstuk

V.2

bepaling van specifieke oxidatiefactoren

§

2.1

Procedure voor de bepaling van de activiteitsspecifieke oxidatiefactor

De procedure om de activiteitsspecifieke oxidatiefactor voor een bepaald brandstoftype te bepalen, met in begrip van de bemonsteringsprocedure, wordt in het monitoringsplan opgenomen.

§

2.2

Cen-normen

  • 1.

    De gevolgde procedures om voor bepaalde activiteiten representatieve activiteitspecifieke oxidatiefactoren te bepalen, berusten op een standaardmethode waarbij systematische bemonsterings- en meetfouten beperkt blijven en waarvan de meetonzekerheid bekend is. Indien een relevante CEN-norm beschikbaar is, wordt deze toegepast.

  • 2.

    Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, als bedoeld onder onderdeel 1, gelden ISO-normen, uitgegeven door de International Organisation of Standardization, of nationale normen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut.

  • 3.

    Een CEN-norm, als bedoeld onder onderdeel 1, heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

  • 4.

    De Minister doet van de uitgifte van CEN-normen als bedoeld in het derde lid alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

§

2.3

Beste industriële praktijk

Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met passende ontwerpnormen of richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.

§

2.4

Bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie

Met betrekking tot de bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie voor de analyses ter bepaling van de relevante variabelen die voor de berekening van oxidatiefactoren worden gebruikt, gelden de eisen van hoofdstuk V.5.

§

2.5

Volledige documentatie

De volledige documentatie over de procedures die de organisatie voor de bepaling van de oxidatiefactor heeft gevolgd, en de volledige reeks uitkomsten worden bewaard en beschikbaar gesteld aan de verificateur van het emissieverslag.

Hoofdstuk

V.3

Bepaling van emissiefactoren voor procesemissies, conversiefactoren, koolstofgehalte en samenstellingsgegevens

§

3.1

Procedure voor de bepaling van de emissiefactor

De procedure om de emissiefactor, de conversiefactor, koolstofgehalte of de samenstellingsgegevens voor een bepaald materiaaltype te bepalen, met in begrip van de bemonsteringsprocedure, wordt in het monitoringsplan opgenomen.

§

3.2

Cen-normen

  • 1.

    De procedures die worden toegepast om een materiaal te bemonsteren en de samenstelling daarvan te bepalen of een procesemissiefactor af te leiden, berusten op een standaardmethode waarbij systematische bemonsterings- en meetfouten beperkt blijven en waarvan de meetonzekerheid bekend is. Indien een relevante CEN-norm beschikbaar is, wordt deze toegepast.

  • 2.

    Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, als bedoeld onder onderdeel 1, gelden ISO-normen, uitgegeven door de International Organisation of Standardization, of nationale normen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut.

  • 3.

    Een CEN-norm als bedoeld onder onderdeel 1, heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

  • 4.

    De Minister doet van de uitgifte van CEN-normen als bedoeld in het derde lid alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

§

3.3

Beste industriële praktijk

Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met passende ontwerpnormen of richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.

§

3.4

Bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie

Met betrekking tot de bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie voor de analyses gelden de eisen van hoofdstuk V.5.

§

3.5

Volledige documentatie

De volledige documentatie over de procedure die de organisatie voor de bepaling van de emissiefactoren ten behoeve van de procesemissies, conversiefactoren en gegevens voor de samenstelling van ingezette materialen en eindmaterialen heeft gevolgd en de volledige reeks uitkomsten worden bewaard en beschikbaar gesteld aan de verificateur van het emissieverslag.

Hoofdstuk

V.4

Bepaling van de biomassafractie

§

4.1

Procedure voor de bepaling van de biomassafractie

De procedure om de biomassafractie voor een bepaald brandstoftype of een bepaald materiaal te bepalen, met inbegrip van de bemonsteringsprocedure, wordt in het monitoringsplan opgenomen.

§

4.2

Cen-normen

  • 1.

    De procedures die worden toegepast om de brandstof of het materiaal te bemonsteren en de biomassafractie daarvan te bepalen, berusten op een standaardmethode waarbij systematische bemonsterings- en meetfouten beperkt blijven en waarvan de meetonzekerheid bekend is. Indien een relevante CEN-norm beschikbaar is, wordt deze toegepast.

  • 2.

    Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, als bedoeld onder onderdeel 1, gelden ISO-normen, uitgegeven door de International Organisation of Standardization, of nationale normen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut.

  • 3.

    Een CEN-norm als bedoeld onder onderdeel 1, heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

  • 4.

    De Minister doet van de uitgifte van CEN-normen als bedoeld in het derde lid alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

§

4.3

Beste industriële praktijk

Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met passende ontwerpnormen of richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.

§

4.4

Methoden bepaling biomassafractie

Voor brandstoffen of materialen die verkregen zijn via een productieproces met welomschreven en traceerbare inputstromen, mag degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit de bepaling van de biomassafractie subsidiair ook baseren op een massabalans van fossiele en biomassakoolstof die het proces binnenkomt en verlaat.

§

4.5

Bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie

Met betrekking tot de bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie voor analyses ter bepaling van de biomassafractie van brandstoffen en materialen gelden de eisen van hoofdstuk V.5.

§

4.6

Volledige documentatie

De volledige documentatie over de procedures die de desbetreffende meetinstantie voor de bepaling van de biomassafractie heeft gevolgd, en de volledige reeks uitkomsten worden bewaard en beschikbaar gesteld aan de verificateur van het emissieverslag.

§

4.7

Ramingsmethode

Wanneer de bepaling van de biomassafractie in een gemengde brandstof technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden, gaat degene die een inrichting drijft, uit van een aandeel van de biomassa van 0%, waarbij alle koolstof in die bewuste brandstof geheel van fossiele oorsprong is, of stelt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan een eigen schattingsmethode voor.

Hoofdstuk

V.5

Bemonsteringsmethoden en analysefrequentie

1

Bij de bepaling van de relevante emissiefactoren, calorische onderwaarden, oxidatiefactoren, conversiefactoren, koolstofgehalten, biomassafracties en samenstellingsgegevens wordt de algemeen aanvaarde praktijk inzake representatieve bemonstering gevolgd. Degene die de inrichting drijft, moet aantonen dat de verkregen monsters representatief zijn en aselect zijn genomen. De gevonden waarde wordt uitsluitend gebruikt met betrekking tot de leveringsperiode of de brandstof- of materiaalpartij waarvoor zij representatief dient te zijn.

2

Over het algemeen worden monsters geanalyseerd die worden verkregen door het mengen van grotere aantallen primaire monsters die in de loop van een bepaalde periode werden verzameld, op voorwaarde dat de bemonsterde brandstof of materiaal kan worden opgeslagen zonder dat de samenstelling ervan verandert.

3

De bemonsteringsprocedure en analysefrequentie worden zo gekozen dat het jaargemiddelde van de parameter in kwestie wordt bepaald met een maximale onzekerheid die minder dan éénderde bedraagt van de voorgeschreven maximale onzekerheid van het goedgekeurde niveau voor de betrokken heoveelheid brandstofstroom en materiaalstroom.

4

Indien degene die de inrichting drijft, de toegestane maximale onzekerheid voor de jaarwaarde niet kan naleven of niet kan aantonen dat hij de drempelwaarden naleeft, past hij ten minste de in hoofdstuk V.6 vermelde analysefrequenties toe. In alle andere gevallen stelt de emissieautoriteit de analysefrequentie vast.

Hoofdstuk

V.6

Indicatieve minimale analysefrequenties

Aardgas

Ten minste wekelijks

Procesgas (gemengd raffinaderijgas, cokesovengas, hoogovengas en convertorgas)

Ten minste dagelijks – d.m.v. passende procedures op verschillende tijdstippen van de dag

Stookolie

Eens per 20 000 ton en ten minste zes keer per jaar

Steenkool, cokeskool, petroleumcokes

Eens per 20 000 ton en ten minste zes keer per jaar

Vaste afvalstoffen (zuiver fossiel of gemengd biomassa/fossiel)

Eens per 5 000 ton en ten minste vier keer per jaar

Vloeibare afvalstoffen

Eens per 10 000 ton en ten minste vier keer per jaar

Carbonaatmineralen (bv. kalksteen en dolomiet)

Eens per 50 000 ton en ten minste vier keer per jaar

Klei en leisteen

Eens per hoeveelheid materiaal die overeenstemt met 50 000 ton CO2 en ten minste vier keer per jaar

Andere in- en outputstromen van de massabalans (n.v.t. op brandstoffen en reducerende agentia)

Eens per 20 000 ton en ten minste maandelijks

Andere materialen

Afhankelijk van het type materiaal en de variabiliteit, eens per hoeveelheid materiaal die overeenstemt met 50 000 ton CO2 en ten minste vier keer per jaar

Bijlage

VI

Referentiewaarden emissiefactoren

Deze bijlage behoort bij artikel 8, eerste lid, van de regeling.

Ruwe olie

73,3

42,3

Orimulsion

76,9

27,5

Aardgascondensaat

64,1

44,2

Motorbenzine

69,2

44,3

Kerosine

71,8

43,8

Vliegtuigbenzine (AvGas)

70,0

44,3

Vliegtuigbenzine (JET B)

70,0

44,3

Vliegtuigkerosine (JET A1 of JET A)

71,5

44,1

Leisteenolie

73,3

38,1

Gasolie / dieselolie

74,0

43,0

Residuale stookolie

77,3

40,4

Vloeibaar petroleumgas

63,0

47,3

Ethaan

61,6

46,4

Nafta

73,3

44,5

Bitumen

80,6

40,2

Smeeroliën

73,3

40,2

Petroleumcokes

97,5

32,5

Raffinaderijgrondstoffen

73,3

43,0

Raffinaderijgas

51,3

49,5

Paraffinewas

73,3

40,2

White Spirit en industriële spiritus

73,3

40,2

Andere aardolieproducten

73,3

40,2

Antraciet

98,2

26,7

Cokeskool

94,5

28,2

Andere bitumineuze steenkool

94,5

25,8

Sub-bitumineuze kool

96,0

18,9

Ligniet

101,1

11,9

Bitumineuze leisteen en asfaltzand

106,6

8,9

Patentbrandstof

97,5

20,7

Cokesovencokes en lignietcokes

107,0

28,2

Gascokes

107,0

28,2

Koolteer

80,6

28,0

Gas van gasbedrijven

44,7

38,7

Cokesovengas

44,7

38,7

Hoogovengas

259,4

2,5

Gas van oxystaalovens

171,8

7,1

Aardgas

56,8

48,0

Bedrijfsafval

142,9

n.v.t.

Afvalolie

73,3

40,2

Turf

105,9

9,8

Hout / houtafval

0

15,6

Andere primaire vaste biomassa

0

11,6

Houtskool

0

29,5

Biobenzine

0

27,0

Biodiesel

0

27,0

Andere vloeibare biobrandstoffen

0

27,4

Stortgas

0

50,4

Slibgas

0

50,4

Andere biogassen

0

50,4

Andere bronnen:

Andere bronnen:

Afgedankte autobanden

85,0

n.v.t.

Koolmonoxide

155,2

10,1

Methaan

54,9

50,0

Bijlage

VII

Lijst van CO2-neutrale biomassa

Deze bijlage behoort bij artikel 2, eerste lid, derde gedachtenstreepje, van deze regeling.

Deze lijst bevat materialen die voor de toepassing van deze eisen als biomassa worden beschouwd en moeten worden gewogen met een emissiefactor 0 [t CO2/TJ of t of Nm3]. De zuiverheid van de materialen van onderstaande groepen 1 en 2 hoeft niet met behulp van analytische procedures te worden aangetoond, tenzij uit het visuele aspect of de geur ervan blijkt dat zij met andere materialen of brandstoffen zijn verontreinigd.

Groep 1: Planten en delen van planten:

  • stro;

  • hooi en gras;

  • bladeren, hout, wortels, boomstronken, schors;

  • gewassen, bv. maïs en triticale.

Groep 2: Biomassa-afval, -producten en -bijproducten:

  • industrieel afvalhout (afval van houtbewerking en van de houtverwerkende industrie);

  • gebruikt hout (gebruikte producten van hout, houten materialen) alsmede producten en bijproducten van de houtverwerking;

  • afvalstoffen op houtbasis uit de cellulose- en papierindustrie, bv. zwart afvalloog (uitsluitend biomassakoolstof);

  • ruwe tall-olie, tall-olie en pekolie uit de pulpproductie;

  • bosbouwafval;

  • lignine uit de verwerking van lignocellulose bevattende planten,

  • diermeel, vismeel en meel van levensmiddelenresten, vet, olie en talg;

  • primaire reststoffen uit de levensmiddelen- en drankenindustrie;

  • plantaardige oliën en vetten;

  • dierlijke meststoffen;

  • plantenresten uit de landbouw;

  • zuiveringsslib;

  • biogas dat is ontstaan door vertering, vergisting of vergassing van biomassa;

  • havenslib en andere baggersoorten en sedimenten van waterbodems;

  • stortgas;

  • houtskool.

Groep 3: Biomassafracties van gemengde materialen:

  • de biomassafractie van wrakgoed uit het beheer van oppervlaktewater;

  • de biomassafractie van gemengde reststoffen van de levensmiddelen- en drankenindustrie;

  • de biomassafractie van samengestelde producten die hout bevatten;

  • de biomassafractie van textielafval;

  • de biomassafractie van papier, karton en bordpapier;

  • de biomassafractie van huishoudelijke en industriële afvalstoffen;

  • de biomassafractie van zwart afvalloog dat fossiele koolstof bevat;

  • de biomassafractie van verwerkte huishoudelijke en industriële afvalstoffen;

  • de biomassafractie van ethyl-tertiair-butyl-ether (ETBE);

  • de biomassafractie van butanol.

Groep 4: Brandstoffen waarvan de bestanddelen en tussenproducten geheel uit biomassa zijn bereid:

  • bio-ethanol;

  • biodiesel;

  • veretherde bio-ethanol;

  • biomethanol;

  • biodimethylether;

  • bio-olie (brandstof uit pyrolyse-olie) en biogas.

Bijlage

VIII

bij de Regeling monitoring handel in emissierechten

Model voor het opstellen van het emissieverslag als bedoeld in de artikelen 34, 64 en 79 van de Regeling monitoring handel in emissierechten

Hoofdstuk

VIII.1

Algemene gegevens van inrichtingen waarin zich CO2-, N2O- of NOx-installaties bevinden

1. Naam van het moederbedrijf

2. Naam van het dochterbedrijf

3. Degene die de inrichting drijft

4. Inrichting:

4.1 Naam

4.2 Vergunningnummer

4.3 Adres, postadres, postcode en plaats van vestiging, land

4.4 Algemeen telefoonnummer

4.5 Rapportage in het kader van het EPRTR1 vereist?

Ja / Nee

4.6 EPRTR-identificatienummer2

4.7 Adres/locatie van de inrichting

5. Contactpersoon binnen de inrichting:

5.1 Naam

5.2 Adres, woonplaats, postcode, land

5.3 Telefoonnummer

5.4 Faxnummer

5.5 e-mailadres

6. kalenderjaar waarop emissieverslag betrekking heeft

6. Type uitgevoerde activiteiten volgens de bij de regeling behorende bijlage II

Activiteit 1

Activiteit 2

Activiteit N

1 Rapportage conform verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen (E-PRTR) en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad.

2 Alleen in te vullen wanneer in het kader van het EPRTR over de installatie moet worden gerapporteerd en er in het kader van de vergunning voor de installatie niet meer dan één EPRTR-activiteit plaatsvindt. Deze informatie is niet verplicht en wordt gebruikt voor aanvullende identificatie naast de opgave van naam en adres.

Hoofdstuk

VIII.2

Overzicht van activiteiten en CO2-emissies in inrichtingen waarin zich CO2-installaties bevinden

Type uitgevoerde activiteiten volgens de bij het besluit behorende bijlage I

Categorie volgens het IPCC-rapportageformat1

IPPC-code van E-PRTRcategorie

Gebruikte methode: ‘berekening’ of ‘meting’

Onzekerheid (bepaald bij de methode ‘meting’)2

Nauwkeurigheidsniveaus gewijzigd?

CO2-emissies

ton CO2

Memo-posten:

Overgedragen CO 2:

– overgedragen hoeveelheid

– hoeveelheid overgedragen materiaal

ton CO2

Biomassa, benut voor verbranding

TJ

Biomassa, benut in processen

ton of m3

CO2-emissies uit biomassa3

ton CO2

CO 2-emissies door discontinu fakkelen

ton CO2

Opgave van veranderingen en tijdelijke afwijkingen:

Opgave van:

a. de uitbreidingen en de veranderingen van de inrichting en de veranderingen van de werking daarvan die hebben plaatsgevonden voorzover deze hebben geleid tot een verandering van de CO2-emissies;

b. de veranderingen die in het monitoringsplan zijn aangebracht die hebben plaatsgevonden;

c. de gevallen waarin van het monitoringsplan is afgeweken, de redenen daarvoor en de wijze waarop het meten en

registreren van de CO2-emissies in die gevallen heeft plaatsgevonden.

1 Bijvoorbeeld ‘1. Industriële Processen, A. Minerale producten, 1. Bereiding van kalk’.

2 Alleen in te vullen indien de emissies door meting zijn bepaald.

3 Alleen in te vullen indien de emissies door meting zijn bepaald.

Hoofdstuk

VIII.3

Berekening van CO2-verbrandingsemissies per brandstof

Type brandstof

IEA-categorie

(indien van toepassing)

Nummer in afvalcatalogus

(indien van toepassing):

Toegestane eenheden

Gebruikte eenheid

Waarde

Toegepast niveau

verbruikte brandstofhoeveelheid

t of Nm3

Calorische onderwaarde brandstof

TJ/t of TJ/Nm3

Emissiefactor

t CO2 / TJ of

t CO2 / t of

t CO2 / Nm3

Oxidatiefactor %

Fossiel CO2

t CO2

t CO2

Gebruikte biomassa

TJ of t of Nm3

Hoofdstuk

VIII.4

Berekening van de CO2-procesemissies

Soort materiaal

Nummer in afvalcatalogus

(indien van toepassing):

Parameter

Toegestane eenheden

Gebruikte eenheid

Waarde

Toegepast niveau

Activiteitsgegevens

t of Nm3

Emissiefactor

t CO2/t of t CO2/Nm3

Conversiefactor

Fossiel CO2

t CO2

t CO2

Gebruikte biomassa

t of Nm3

Hoofdstuk

VIII.5

Massabalansmethode

Brandstof of materiaal

IEA-categorie

(Indien van toepassing)

Nummer in afvalcatalogus (indien van toepassing)

Toegestane eenheden

Gebruikte

eenheid

Waarde

Toegepast niveau

Koolstofgehalte

t C / t of

t C / Nm 3

Activiteitsgegevens 1-N

(gebruik voor inputstromen positieve waarden)

t of Nm 3

Activiteitsgegevens 1-N

(gebruik voor outputstromen negatieve waarden)

t of Nm 3

Fossiel CO2

t CO2

Hoofdstuk

VIII.5a

Meetmethode

Type emissiebron

Toegestane eenheden

Waarde

Toegepast niveau

Onzekerheid

Fossiel CO2

t CO2

CO2 uit biomassa

t CO2

Hoofdstuk

VIII.6

Algemene gegevens van inrichtingen waarin zich NOx-installaties bevinden

NOx-verbrandingsinstallatie 1-N1

NOx-procesinstallatie 1-N

NOx-verbrandingsinstallatie 1-N

NOx-procesinstallatie 1-N

Opgave van veranderingen en tijdelijke afwijkingen:

Opgave van:

a. de uitbreidingen en de veranderingen van de inrichting en de veranderingen van de werking daarvan die hebben plaatsgevonden voorzover deze hebben geleid tot een verandering van de NOx-emissies;

b. de veranderingen die in het monitoringsplan zijn aangebracht;

c. de gevallen waarin van het monitoringsplan is afgeweken, de redenen daarvoor en de wijze waarop het meten en registreren van de NOx-emissies in die gevallen heeft plaatsgevonden.

1Afhankelijk van het aantal installaties.

Hoofdstuk

VIII.7

Opgave van de NOx-emissies per NOx-verbrandingsinstallatie en NOx-procesinstallatie

Identificatie van de NOx-installatie 1-N of indien artikel 39, vierde lid, van toepassing is, identificatie van het cluster NOx-verbrandingsinstallaties of het cluster NOx-procesinstallaties

Thermisch vermogen1 of productiecapaciteit2 van de NOx-installatie 1-N of indien artikel 39, vierde lid, van toepassing is, thermisch vermogen van het cluster NOx-verbrandingsinstallaties of de productiecapaciteit van het cluster NOx-procesinstallaties

MWth1 of ton/jaar2

NOx-emissie van NOx-verbrandingsinstallatie 1-N

Totale jaarvracht van NOx van NOx-verbrandingsinstallatie 1-N in de inrichting of totale jaarvracht van NOx per cluster NOx-verbrandingsinstallaties indien artikel 39, vierde lid, van toepassing is

kg NOx3

NOx-emissie van NOx-procesinstallatie 1-N

Totale jaarvracht van NOx van NOx-procesinstallatie 1-N in de inrichting of totale jaarvracht van NOx per cluster NOx-procesinstallaties indien artikel 39, vierde lid, van toepassing is

kg NOx4

Hoeveelheid verbruikte energie in NOx-verbrandingsinstallatie 1-N of in cluster NOx-verbrandingsinstallaties indien artikel 39, vierde lid, van toepassing is

GJ4

Productie van NOx-procesinstallatie 1-N of van cluster NOx-procesinstallaties indien artikel 39, vierde lid, van toepassing is

Ton ………

(product invullen)4

Zijn de in het monitoringsplan beschreven vergelijkende metingen en/of kentallen in het afgelopen kalenderjaar uitgevoerd respectievelijk bepaald?

Ja/nee

1 Bij een NOx-verbrandingsinstallatie.

2Bij een NOx-procesinstallatie.

3Afronden op een heel getal, volgens standaard afrondingsregels.

4Voorzover de emissie van de inrichting meerdere NOx-installaties betreft dient de onderbouwing (per NOx-installatie) apart te worden opgegeven.

Hoofdstuk

VIII.8

Opgave van de NOx-emissies en opgebouwde NOx-emissierechten op inrichtingsniveau 1

NOx-emissies van NOx-verbrandingsinstallaties

Totale jaarvracht van NOx van NOx-verbrandingsinstallaties in de inrichting

kg NOx1

NOx-emissies van NOx-procesinstallaties

Totale jaarvracht van NOx van NOx-procesinstallaties in de inrichting

kg NOx2

TOTALE JAARVRACHT VAN NOx VAN DE INRICHTING

kg NOx2

Verbruikte brandstof in NOx-verbrandingsinstallaties

GJ

x

Prestatienorm

g/GJ

=

Opgebouwde NOx-emissierechten door brandstofverbruik in NOx-verbrandingsinstallaties

kg NOx

Productie van de NOx-procesinstallaties

Ton [product invullen]2

x

Prestatienorm in kalenderjaar2

kg/ton

=

Opgebouwde NOx-emissierechten door productie in NOx-procesinstallaties

kg NOx

TOTAAL OPGEBOUWDE NOx-EMISSIERECHTEN DOOR BRANDSTOFVERBRUIK EN PRODUCTIE

kg NOx

=

1Afronden op een heel getal, volgens standaard afrondingsregels.

2Bij emailleer- of glasfritten wordt de prestatienorm per kg nitraattoevoeging per ton emailleer- of glasfritten met 0,5 kg NOx/ton emailleer- of glasfritten verhoogd. Bij speciaal glas wordt de prestatienorm per kg nitraattoevoeging per ton speciaal glas met 0,5 kg NOx/ton speciaal glas verhoogd.

Hoofdstuk

VIII.9

Overzicht van N2O-installaties in inrichting

Type en aantal

Categorie volgens het IPCC-rapportageformat

IPPC-code van E-PRTRcategorie

Gebruikte methode

Onzekerheid

N2O-emissies

ton N2O

Opgave van veranderingen en tijdelijke afwijkingen:

Opgave van:

a. de uitbreidingen en de veranderingen van de inrichting en de veranderingen van de werking daarvan die hebben plaatsgevonden voorzover deze hebben geleid tot een verandering van de N2O-emissies;

b. de veranderingen die in het monitoringsplan zijn aangebracht die hebben plaatsgevonden;

c. de gevallen waarin van het monitoringsplan is afgeweken, de redenen daarvoor en de wijze waarop het meten en registreren van de N2O -emissies in die gevallen heeft plaatsgevonden.

Bijlage

IX

Categorieën voor de rapportage

Deze bijlage behoort bij artikel 33, onder b, van de regeling.

CO2-emissies worden gerapporteerd volgens de in hoofdstukken IX.1 en IX.2 genoemde rapportagecategorieën en de IPPC-code van bijlage I van de EG-verordening nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 33; EPRTR-verordening). De specifieke categorieën van beide rapportageformaten worden hieronder gegeven. Wanneer een activiteit kan worden ingedeeld in twee of meer categorieën, geeft de gekozen indeling het hoofddoel van de activiteit weer.

Hoofdstuk

IX.1

IPCC-rapportageformat

Onderstaande tabel is een uittreksel van het gemeenschappelijke rapportageformat (CRF) dat deel uitmaakt van de rapportagerichtsnoeren van het VN-Raamverdrag inzake klimaatverandering (UNFCCC) voor de jaarlijkse inventarisatie1 UNFCCC (1999): FCCC/CP/1999/7.. In dit gemeenschappelijke rapportageformat worden de CO2-emissies ingedeeld in zeven hoofdcategorieën:

  • 1.

    energie;

  • 2.

    industriële processen;

  • 3.

    gebruik van oplosmiddelen en andere producten;

  • 4.

    landbouw;

  • 5.

    veranderingen in landgebruik en bosbouw;

  • 6.

    afvalstoffen;

  • 7.

    overige.

De categorieën 1, 2 en 6 van de volgende tabel worden hieronder met de bijbehorende subcategorieën weergegeven.

1. SECTORIEEL VERSLAG (ENERGIE)

A. Activiteiten inzake de verbranding van brandstoffen (sectoriële aanpak)

1. Energie-industrieën

a. Opwekking van elektriciteit en warmte als nutsvoorzieningen

b. Aardolieraffinaderijen

c. Bereiding van vaste brandstoffen en overige energie-industrieën

2. Fabrieksnijverheid en de bouw

a. IJzer en staal

b. Non-ferrometalen

c. Chemicaliën

d. Pulp, papier en drukkerijwezen

e. Levensmiddelen, dranken en tabak

f. Overige

3. Vervoer

Burgerluchtvaart

4. Overige sectoren

a. Commercieel/institutioneel

b. Huisvesting

c. Landbouw/bosbouw/visserij

5. Overige (1)

a. Stationair

b. Mobiel

B. Vluchtige emissies uit brandstoffen

1. Vaste brandstoffen

a. Steenkolenmijnbouw

b. Transformatie van vaste brandstoffen

c. Overige

2. Olie en aardgas

a. Olie

b. Aardgas

c. Ontluchten en affakkelen

Ontluchten

Affakkelen

d. Overige

2. SECTORIEEL VERSLAG (INDUSTRIËLE PROCESSEN)

A. Minerale producten

1. Bereiding van cement

2. Bereiding van kalk

3. Gebruik van kalksteen en dolomiet

4. Productie en gebruik van gegloeide soda

5. Asfaltdakbedekking

6. Wegverharding met asfalt

7. Overige

B. Chemische industrie

1. Bereiding van ammoniak

2. Bereiding van salpeterzuur

3. Bereiding van adipinezuur

4. Bereiding van carbid

5. Overige

C. Metaalproductie

1. Vervaardiging van ijzer en staal

2. Vervaardiging van ijzerlegeringen

3. Vervaardiging van aluminium

4. SF 6 gebruikt in aluminium- en magnesiumovens

5. Overige

6. SECTORIEEL VERSLAG (AFVALSTOFFEN)

C. Verbranding van afvalstoffen 2 Voorzieningen voor de winning van energie uit afvalstoffen niet inbegrepen. Emissies uit afvalstoffen die worden verbrand met het oog op energiewinning, worden gerapporteerd onder ‘1A’ van de rubriek energie. Zie Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering: Instructies voor de rapportage van broeikasgasinventarissen. Herziening (1997) van de IPCC-richtsnoeren van 1996 voor nationale broeikasgasinventarissen.

Posten ‘PM’

CO2-emissies uit biomassa

Internationale bunkers, luchtvaart

Hoofdstuk

IX.2

Broncategorie-codes

Bij de rapportage van de gegevens moet gebruik worden gemaakt van de volgende broncategorie-codes.

1

Energiesector

(a)

Olie- en gasraffinaderijen

(b)

Installaties voor vergassing en vloeibaar maken van steenkool

(c)

Thermische krachtcentrales en andere verbrandingsinstallaties

(d)

Cokesovens

(e)

Steenkoolwalserijen

(f)

Installaties voor de fabricage van steenkoolproducten en vaste rookvrije brandstof

2.

Productie en verwerking van metalen

(a)

Installaties voor het roosten of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts

(b)

Installaties voor de productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting) met inbegrip van installaties voor continugieten

(c)

Installaties voor de verwerking van ferrometalen door:

(i) warmwalserijen

(ii) smederijen met hamers

(iii) het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal

(d)

Ferrometaalgieterijen

(e)

Installaties:

(i) voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés

(ii) voor het smelten van non-ferrometalen, met inbegrip van legeringen, inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten, enz.)

(f)

Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé

3.

Delfstoffenindustrie

(a)

Ondergrondse mijnbouw en aanverwante activiteiten

(b)

Dagbouw

(c)

Installaties voor de productie van:

cementklinkers in draaiovens

ongebluste kalk in draaiovens

cementklinkers of ongebluste kalk in andere ovens

(d)

Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten

(e)

Installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van installaties voor de fabricage van glasvezels

(f)

Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels

(g)

Installaties voor de fabricage van keramische producten door middel van bakken, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein.

4.

Chemische industrie

(a)

Chemische installaties voor de fabricage op industriële schaal van organisch-chemische basisproducten, zoals:

(i) eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische)

(ii) zuurstofhoudende koolwaterstoffen zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters, acetaten, ethers, peroxiden en epoxyharsen

(iii) zwavelhoudende koolwaterstoffen

(iv) stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten en isocyanaten

(v) fosforhoudende koolwaterstoffen

(vi) halogeenhoudende koolwaterstoffen

(vii) organometaalverbindingen

(viii) kunststof-basisproducten (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels)

(ix) synthetische rubber

(x) kleurstoffen en pigmenten

(xi) tensioactieve stoffen en tensiden

(b)

Chemische installaties voor de fabricage op industriële schaal van anorganische chemische basisproducten, zoals:

(i) gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonyldichloride

(ii) zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuren

(iii) basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide;

(iv) zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat

(v) niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide

(c)

Chemische installaties voor de fabricage op industriële schaal van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen)

(d)

Chemische installaties voor de fabricage op industriële schaal van basisproducten voor gewasbescherming en van biociden

(e)

Installaties voor de fabricage op industriële schaal van farmaceutische basisproducten die een chemisch of biologisch procédé gebruiken

(f)

Installaties voor de fabricage op industriële schaal van explosieven en pyrotechnische producten

5.

Afval- en afvalwaterbeheer

(a)

Installaties voor verbranding, pyrolyse, terugwinning, chemische behandeling of storting van gevaarlijke afvalstoffen

(b)

Installaties voor de verbranding van stedelijk afval

(c)

Installaties voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen

(d)

Stortplaatsen (met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen)

(e)

Installaties voor de destructie of recycling van kadavers en dierlijk afval

(f)

Installaties voor de behandeling van stedelijk afvalwater

(g)

Onafhankelijk geëxploiteerde installaties voor de behandeling van industrieel afvalwater, ten dienste van een of meer activiteiten in deze bijlage

6.

Papier en houtproducten

(a)

Industriële installaties voor de fabricage van papierpulp uit hout of uit soortgelijke vezelstoffen

(b)

Industriële installaties voor de fabricage van papier en karton en andere primaire houtproducten (zoals spaanplaat, vezelplaat en multiplex)

(c)

Industriële installaties voor de conservering van hout en houtproducten met chemicaliën

7.

Intensieve veeteelt en aquacultuur

(a)

Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij

(b)

Intensieve aquacultuur

8.

Dierlijke en plantaardige producten van de levensmiddelen- en drankensector

(a)

Slachthuizen

(b)

Bewerking en verwerking voor de fabricage van levensmiddelen en dranken op basis van:

Dierlijke grondstoffen (andere dan melk)

Plantaardige grondstoffen

(c)

Installaties voor de bewerking en verwerking van melk

9.

Overige activiteiten

(a)

Installaties voor de voorbehandeling (wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel

(b)

Installaties voor het looien van huiden

(c)

Installaties voor de oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten, waarin organische oplossingsmiddelen worden gebruikt, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, coaten, ontvetten, vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren

(d)

Installaties voor de fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of elektrografiet door verbranding of grafitisering

(e)

Installaties voor het bouwen van, en het verven of de verwijdering van verf van schepen

Bijlage

X

bij de Regeling monitoring handel in emissierechten

Minimumeisen voor de bepaling van NOx-emissies, bedoeld in de artikelen 37, eerste lid, onder c, en vierde en vijfde lid, 39, 40, eerste lid, 41, eerste lid, 44a, 48, tweede lid, en 63, eerste lid, onder f, onder 1° en 2°, van de Regeling monitoring handel in emissierechten

1

NOx-verbrandings-installatie ≥ 100 en afvalverbrandingsinstallaties en meeverbrandingsinstallaties als bedoeld in het Besluit verbranden afvalstoffen

≥ 150

Continue metingen van de NOx-concentratie als bedoeld in artikel 40 van de regeling; continue meting of berekening van het afgasdebiet als bedoeld in artikel 42 van de regeling;

zie bepaling A

Parallelle meting: eenmaal per jaar verificatietest en eenmaal per drie jaar kalibratie; onzekerheid < 20% van de jaargemiddelde concentratie en onnauwkeurigheid ten hoogste 15% voor het afgasdebiet

Minimaal uurwaarden

Halfuurwaarden indien het Besluit verbranden afvalstoffen van toepassing is

2

≥ 50 en < 100

≥ 75 en < 150

Kentallen als bedoeld in artikel 44 van de regeling; zie bepaling B

Periodiek meten

(eenmaal per halfjaar)

Minimaal een keer per half jaar

In geval van het gebruik van meerdere kentallen: ieder uur

3

≥ 20 en < 50

≥ 30 en < 75

Kentallen als bedoeld in artikel 44 van de regeling; zie bepaling B

Periodiek meten

(eenmaal per vier jaar)

Minimaal een keer per jaar

In geval van het gebruik van meerdere kentallen: ieder uur

4

≥ 1 en < 20

≥ 1 en < 30

Kentallen als bedoeld in artikel 44 van de regeling; zie bepaling B

Periodiek meten

(eenmaal per acht jaar)

Minimaal een keer per jaar

In geval van het gebruik van meerdere kentallen: ieder uur

Bepaling A

Bij tot klasse 1 behorende NOx-verbrandingsinstallaties en NOx-procesinstallaties wordt de vracht van NOx per uur berekend door vermenigvuldiging van de concentratie van NOx in het afgas en het afgasdebiet aan de hand van de onderstaande formule:

MNOx = [NOx] * Da/ 106

Betekenis van de symbolen:

MNOx: NOx-vracht {kg/uur};

[NOx]: NOx-concentratie {mg/m03;

Da: Afgasdebiet {m03/uur}.

De middelingstijd kan worden verruimd indien degene die een inrichting drijft, aan het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit geen systematische afwijkingen tot gevolg heeft.

Wanneer het afgasdebiet met behulp van de brandstofsamenstelling wordt vastgesteld volgens de bij deze regeling behorende bijlage XI, wordt de frequentie waarmee de brandstofsamenstelling wordt bepaald, afgestemd op de optredende fluctuaties in de samenstelling.

Bepaling B

Bij tot klasse 2, 3 of 4 behorende NOx installaties wordt de vracht van NOx berekend op basis van het kental of de set van kentallen die is vastgesteld voor de betreffende NOx-verbrandingsinstallatie of NOx-procesinstallatie. Afhankelijk van de aanwezige meetapparatuur wordt hiervoor de methode onder situatie 1 of 2 gehanteerd.

Situatie 1

Vaststelling kental:

KNOx = [NOx] * Da/ 106

Betekenis van de symbolen:

KNOx: NOx-kental {kg/uur};

[NOx]: NOx-concentratie {mg/m03} gemeten tijdens de periodieke meting;

Da: Afgasdebiet {m03/uur} gemeten of berekend tijdens de periodieke meting.

Wanneer het afgasdebiet tijdens de periodieke meting wordt berekend op basis van de brandstofsamenstelling, wordt de bij deze regeling behorende bijlage XI toegepast.

Vaststelling vracht:

MNOx = KNOx * t

Betekenis van de symbolen:

MNOx: NOx-vracht {kg};

KNOx: NOx-kental {kg/uur};

t: tijd {uur}.

Situatie 2

Vaststelling kental:

KNOx = [NOx] * Vstt * 21 / (21-[O2])

Betekenis van de symbolen:

KNOx: NOx-kental {g/GJ};

[NOx]: NOx-concentratie {mg/m03} gemeten tijdens de periodieke meting;

Vstt: Specifiek stoichiometrisch rookgasvolume van de brandstof {m03/MJ};

[O2]: O2-concentratie {vol% droog rookgas} gemeten tijdens de periodieke meting.

Voor de berekening van het specifiek stoichiometrisch rookgasvolume wordt de bij deze regeling behorende bijlage XI toegepast.

Vaststelling vracht:

MNOx = KNOx * FB * Stw / 106

Betekenis van de symbolen:

MNOx: NOx-vracht {kg};

KNOx: NOx-kental {g/GJ};

FB: brandstofdebiet in m03/uur of kg/uur;

Stw = stookwaarde van brandstof (calorische onderwaarde) {MJ/m03 of MJ/kg}.

De middelingstijd kan worden verruimd indien degene die een inrichting drijft, aan het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit geen systematische afwijkingen tot gevolg heeft.

Indien het afgasdebiet met behulp van de brandstofsamenstelling wordt vastgesteld volgens de bij deze regeling behorende bijlage XI, wordt de frequentie waarmee de brandstofsamenstelling wordt bepaald, afgestemd op de fluctuaties die in die samenstelling optreden.

Bijlage

XI

bij de Regeling monitoring handel in emissierechten

De berekening van het brandstofverbruik en het afgasdebiet voor NOx-emissies, bedoeld in de artikelen 42, tweede lid, en 46, derde lid, van de Regeling monitoring handel in emissierechten.

Het brandstofverbruik wordt berekend door onderstaande formule voor alle gebruikte brandstoffen toe te passen en de resultaten te sommeren:

EB = FB × StwB

Gebruikte afkortingen:

EB = brandstofverbruik in MJ/uur;

FB = brandstofdebiet in m03/uur of kg/uur;

StwB = stookwaarde (calorische onderwaarde) van de brandstof in MJ/m03 of MJ/kg.

Het afgasdebiet wordt direct gemeten door middel van een continue meting of berekend op basis van onderstaande formule 1. Wanneer de benodigde gegevens voor formule 1 niet beschikbaar zijn, wordt gebruik gemaakt van onderstaande formule 2 of 3.

Formule 1

Berekening van het afgasdebiet op basis van de brandstoftoevoer, het stoichiometrisch rookgasvolume en de gemeten zuurstofconcentratie:

Gebruikte afkortingen:

DR = droog afgasdebiet in m03/uur;

FB = brandstofdebiet in m03/uur of kg/uur;

O2 = zuurstofconcentratie droog rookgas in vol%;

VSt = stoichiometrisch droog rookgasvolume in m03/m03 of m03/kg, dat volgt uit de brandstofsamenstelling.

Formule 2

Berekening van het afgasdebiet op basis van het vermogen, het rendement, het specifiek stoichiometrisch rookgasvolume en de gemeten zuurstofconcentratie:

Gebruikte afkortingen:

DR = droog afgasdebiet in m03/uur;

O2 = zuurstofconcentratie droog rookgas in vol%;

P = geleverd vermogen in MW (in stoom of elektriciteit) en dus niet het vermogen, gebaseerd op de energie-inhoud van de brandstof;

R = rendement in %;

Stw = stookwaarde van de brandstof in MJ/m03 of MJ/kg;

VSt = stoichiometrisch droog rookgasvolume in m03/m03 of m03/kg;

VSSt = specifiek stoichiometrisch droog rookgasvolume in m03/MJ.

Formule 3

Berekening van het afgasdebiet in situaties dat twee brandstoffen worden gestookt, waarbij het debiet van één van de brandstoffen wordt gemeten:

Gebruikte afkortingen:

DR = droog afgasdebiet in m03/uur;

FB1 = brandstofdebiet 1 in m03/uur of kg/uur;

O2 = zuurstofconcentratie droog rookgas in vol%;

P = vermogen in MW;

R = rendement in %;

Stw1 = stookwaarde (calorische onderwaarde) van brandstof 1 in MJ/m03 of MJ/kg;

VSt1 = stoichiometrisch droog rookgasvolume van brandstof 1 in m03/m03 of m03/kg;

VSSt2 = specifiek stoichiometrisch droog rookgasvolume van brandstof 2 in m03/MJ.

Het stoichiometrisch rookgasvolume wordt bij de formules 1, 2 en 3 bepaald op basis van de brandstofsamenstelling. Met de brandstofsamenstelling liggen de stoichiometrische O2-behoefte en de stoichiometrisch gevormde hoeveelheid CO2, H2O en SO2 vast per hoeveelheid brandstof. Bij een bekende samenstelling van de verbrandingslucht kunnen vervolgens de totale stoichiometrische hoeveelheden CO2, N2, Ar, H2O en SO2 in het rookgas worden berekend per hoeveelheid brandstof. De optelling van al deze componenten geeft de totale stoichiometrische natte rookgashoeveelheid per hoeveelheid brandstof. De optelling van al deze componenten, behalve waterdamp, geeft de totale stoichiometrische droge rookgashoeveelheid per hoeveelheid brandstof.

Indien de brandstofsamenstelling niet bekend is, wordt het stoichiometrisch rookgasvolume berekend op basis van de stookwaarde volgens de methode beschreven in NEN-EN 12952-15 of volgens de volgende formules:

  • voor gasvormige brandstoffen Vst = 0,199 + 0,234 * H (H in MJ/mo3)

  • voor vaste brandstoffen Vst = 0,450 + 0,239 * H (H in MJ/kg)

  • voor vloeibare brandstoffen Vst = 0,929 + 0,221 * H (H in MJ/kg)

Vst in mo3/mo3 voor gasvormige brandstoffen

Vst in mo3/kg voor vaste en vloeibare brandstoffen

Indien de brandstofsamenstelling niet bekend is, kan het rookgasdebiet worden bepaald door een snelheidsmeting in het rookgaskanaal, waarbij het rookgasdebiet wordt berekend volgens de volgende formule:

Rookgasdebiet = rookgassnelheid *oppervlakte*3600

waarbij geldt:

  • rookgasdebiet = berekende hoeveelheid rookgas per tijdseenheid, uitgedrukt in m3/uur;

  • rookgassnelheid = gemeten snelheid van het rookgas, uitgedrukt in m/s;

  • oppervlakte = oppervlakte van het rookgaskanaal bij de meetplaats, uitgedrukt in m2 ;

  • 3600 = omrekenfactor van seconde naar uur.

Bijlage

XII

Richtsnoeren voor de bepaling van CO2-emissies met behulp van systemen voor continue emissiemeting

Deze bijlage behoort bij de artikelen 6, tweede lid, en 6a van de regeling.

Hoofdstuk

XII.1

Bepaling van CO2-emissies

Niveau 1:

Voor elke bron wordt een totale onzekerheid van de totale CO2-emissies over het kalenderjaar van minder dan 10% bereikt.

Niveau 2:

Voor elke bron wordt een totale onzekerheid van de totale CO2-emissies over het kalenderjaar van minder dan 7,5% bereikt.

Niveau 3:

Voor elke bron wordt een totale onzekerheid van de totale CO2-emissies over het kalenderjaar van minder dan 5% bereikt.

Niveau 4:

Voor elke bron wordt een totale onzekerheid van de totale CO2-emissies over het kalenderjaar van minder dan 2,5% bereikt.

Algemene benadering:

De totale emissies van CO2 uit een emissiebron over het kalenderjaar worden bepaald met de onderstaande formule. De in deze formule optredende parameters worden bepaald overeenkomstig de artikelen 6, tweede lid, en 6a van de regeling. Ingeval er in een installatie meerdere emissiebronnen zijn en de CO2-emissies daarvan niet gezamenlijk kunnen worden gemeten, worden de CO2-emissies van deze emissiebronnen afzonderlijk gemeten en worden opgeteld om te komen tot de totale CO2-emissies over de kalenderjaar in de installatie als geheel.

CO2-concentratie

De CO2-concentratie in het rookgas wordt bepaald door continue meting op een representatief punt.

Rookgasdebiet

Het debiet van het droge rookgas kan met een van de volgende methoden worden bepaald.

Methode A

Het rookgasdebiet Qe wordt berekend aan de hand van een massabalans, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante parameters zoals inputs van materialen, debiet van de luchttoevoer, efficiëntie van het proces, en aan de outputzijde de geproduceerde hoeveelheid product, de O2-concentratie, de SO2- en NOx-concentraties.

Methode B:

Het rookgasdebiet Qe wordt bepaald door continue debietmeting op een representatief punt.

Hoofdstuk

XII.2

Verdere procedures en eisen

§

2.1

Bemonsteringsfrequentie

Geldige uurgemiddelden worden berekend voor alle elementen die nodig zijn ter bepaling van de CO2-emissies, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XII, hoofdstuk XII.1, met gebruikmaking van alle meetgegevens die voor het uur in kwestie beschikbaar zijn. Ingeval een apparaat gedurende een deel van dat uur niet, of niet correct, heeft gefunctioneerd, wordt het uurgemiddelde naar evenredigheid berekend op basis van de resterende meetgegevens voor dat uur. Ingeval voor een element dat nodig is voor de bepaling van de emissies geen geldige uurwaarde kan worden berekend omdat minder dan 50% van het maximumaantal meetgegevens voor dat uur beschikbaar is, komt die uurwaarde te vervallen. In elk geval waarin geen geldige uurwaarde kan worden berekend, wordt een vervangende waarde berekend overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2.2.

§

2.2

Ontbrekende gegevens

Wanneer geen geldige uurwaarde kan worden verkregen voor een of meer elementen die nodig zijn voor de bepaling van de emissies omdat het apparaat niet correct heeft gefunctioneerd of helemaal niet heeft gefunctioneerd, bepaalt degene die de inrichting drijft, een vervangende waarde voor elke ontbrekende uurwaarde zoals hierna uiteengezet.

i) Concentraties

Ingeval geen geldige uurwaarde kan worden verkregen voor een rechtstreeks gemeten concentratie wordt voor dat uur als volgt een vervangende waarde C*subst berekend:

Het rekenkundig gemiddelde en de standaardafwijking moeten aan het einde van het kalenderjaar worden berekend uit de hele reeks emissiegegevens die in het kalenderjaar zijn gemeten. Indien die periode als zodanig niet bruikbaar is omdat de CO2-installatie fundamentele technische veranderingen heeft ondergaan, moet ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit een representatief tijdsinterval, bij voorkeur van 1 jaar, worden overeengekomen.

ii) Overige parameters

Ingeval geen geldige uurwaarde kan worden verkregen voor een parameter die geen rechtstreeks gemeten concentratie is, moet een vervangende waarde worden bepaald aan de hand van een massabalansmodel of via de energiebalans van het proces. De andere, door meting bepaalde elementen die relevant zijn voor de berekening van de emissies, worden gebruikt om de resultaten te valideren.

Bijlage

XIII

Deze bijlage behoort bij de artikelen 15a negende, tiende en elfde lid en 15b tweede lid.

Hoofdstuk

XIII.1

Degene die een inrichting drijft, corrigeert de hoeveelheid gas als volgt:

  • 1.1

    Degene die een inrichting drijft, mag voor een gasmeter met een Elektronische Volume Herleidings Instrument (EVHI) dat de druk en temperatuur bepaalt, een onzekerheid van 0,5% aanhouden indien hij voldoet aan de voorwaarden die in bijlage XIV zijn opgenomen voor een EVHI.

  • 1.2

    Indien de gasmeter in een aparte drukmeting en temperatuurmeting voorziet, maakt degene die een inrichting drijft, een conservatieve en onderbouwde inschatting van de onzekerheid van de drukmeting en temperatuurmeting aan de hand van de volgende formule:

  • 1.3

    Indien de gasmeter niet in een aparte druk- en temperatuurmeting voorziet en er sprake is van een centrale drukmeting en temperatuurmeting, maakt degene die een inrichting drijft, een conservatieve en onderbouwde inschatting van de onzekerheid van de drukmeting en temperatuurmeting op de plaats van de gasmeter. Degene die een inrichting drijft, houdt rekening met de drukverschillen en temperatuurverschillen tussen de plaats van de drukmeting en temperatuurmeting en de plaats van de gasmeter. De onzekerheid wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

Hoofdstuk

XIII.2

De totale onzekerheid van het meetinstrument dat wordt gebruikt om de hoeveelheid bronstroom te bepalen wordt bepaald met behulp van de volgende formule:

Hoofdstuk

XIII.3

De totale onzekerheid van het meetsysteem dat wordt gebruikt om de bronstroom te bepalen wordt bepaald met behulp van de volgende formule:

U afhankelijke correctie = de onzekerheid van de afhankelijke en centrale drukmeting en temperatuurmeting indien de drukmetingen en temperatuurmetingen op één plaats worden bepaald.

Bijlage

XIV

Standaardwaarden

Deze bijlage behoort bij artikel 15a, vierde lid, van de regeling

1

Rotormeter

Medium: gas

Onzekerheid bij 0 – 20% van maximaal meetbereik: 3%

Onzekerheid bij 20 – 100% van maximaal meetbereik: 1,5%

Voorwaarden:

  • eens per 10 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • jaarlijkse inspectie van het olieniveau van de carter

  • filter toepassen bij verontreinigd gas

  • levensduur 25 jaar

Medium: vloeistof

Onzekerheid bij 5 – 100% van maximaal meetbereik: 0,3%

Voorwaarden:

  • eens per 5 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering (of eerder als een debiet van 3500 uur * maximale bereik van de meter door de meter is gestroomd)

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 25 jaar

2

Turbinemeter

Medium: gas

Onzekerheid bij 0 – 20% van maximaal meetbereik: 3%

Onzekerheid bij 20 – 100% van maximaal meetbereik: 1,5%

Voorwaarden:

  • eens per 5 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • jaarlijkse visuele inspectie

  • eens per 3 maanden lagersmering (niet bij permanent gesmeerde lagering)

  • filter toepassen bij verontreinigd gas

  • geen pulserende gasstroom

  • levensduur 25 jaar

  • geen overbelasting langer dan 30 min. > 120% van maximaal meetbereik

Medium: vloeistof

Onzekerheid bij 10 – 100% van maximaal meetbereik: 0,3%

Voorwaarden:

– eens per 5 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

jaarlijkse visuele inspectie

  • eens per 3 maanden lagersmering (niet bij permanent gesmeerde lagering)

  • filter toepassen bij verontreinigde vloeistof

  • levensduur 25 jaar

  • geen overbelasting langer dan 30 min. > 120% maximaal meetbereik

3

Balgenmeter

Medium: gas

Onzekerheid bij 0 – 20% van maximaal meetbereik: 6%

Onzekerheid bij 20 – 100% van maximaal meetbereik: 4%

Voorwaarden:

  • eens per 10 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 25 jaar

4

Orificemeter

Media: gas en vloeistof

Onzekerheid bij 30 – 100% van maximaal meetbereik: 1,5%

Voorwaarden:

  • jaarlijkse kalibratie drukmeter

  • eens per 5 jaar kalibratie van de hele meter

  • jaarlijkse inspectie op slijtage orifice en vervuiling

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 30 jaar

  • geen corrosieve gassen en vloeistoffen

Richtlijnen voor inbouw: minimaal 4D vrije aanstroomlengte voor de orifice en 2D na de orifice; glad oppervlak van de binnenwand

5

Venturimeter

Media: gas en vloeistof

Onzekerheid bij 20 – 100% van maximaal meetbereik: 1,5%

Voorwaarden:

  • jaarlijkse kalibratie drukmeter

  • eens per 5 jaar kalibratie van de hele meter

  • jaarlijkse visuele inspectie

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/ algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 30 jaar

  • geen corrosieve gassen en vloeistoffen

6

Ultrasoonmeter

Media: gas en vloeistof

Onzekerheid bij 1 – 100% van maximaal meetbereik: 0,5%

Voorwaarden:

  • eens per 5 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • jaarlijkse inspectie contact transducer met buiswand;

bij onvoldoende contact, vervangen contactmateriaal volgens specificaties fabrikant

  • jaarlijkse inspectie van de wand op corrosie

  • jaarlijkse inspectie transducers

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 15 jaar

  • geen storende frequenties

  • samenstelling medium is bekend

Richtlijnen voor inbouw: minimaal 10D vrije aanstroomlengte voor de meter en 5D erna

7

Vortexmeter

Medium: gas

Onzekerheid bij 10 – 100% van maximaal meetbereik: 2%

Voorwaarden:

  • eens per 5 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • jaarlijkse inspectie sensoren

  • jaarlijkse inspectie bluff body

  • jaarlijkse inspectie van de wand op corrosie

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 10 jaar

  • trillingsvrije opstelling

  • voorkomen drukstoten en gasbellen

Richtlijnen voor inbouw: minimaal 15D vrije aanstroomlengte voor de meter en 5D erna

Medium: vloeistof

Onzekerheid bij 10 – 100% van maximaal meetbereik: 1,5%

Voorwaarden:

  • eens per 5 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • jaarlijkse inspectie sensoren

  • jaarlijkse inspectie bluff body

  • jaarlijkse inspectie van de wand op corrosie

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 10 jaar

  • trillingsvrije opstelling

  • voorkomen drukstoten en gasbellen

Richtlijnen voor inbouw: minimaal 15D vrije aanstroomlengte voor de meter en 5D erna

8

Coriolismeter

Media: gas en vloeistof

Onzekerheid bij 1 – 100% van maximaal meetbereik: 1%

Voorwaarden:

  • eens per 5 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • maandelijkse controle van de nulpuntinstelling

  • jaarlijkse inspectie op corrosie en slijtage

  • jaarlijkse check van de sensoren en transmitters

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 10 jaar

9

Ovaalradmeter

Medium: vloeistof

Onzekerheid bij 5 – 100% van maximaal meetbereik: 0,5%

Voorwaarden:

  • visceuze vloeistoffen (oliën): eens per 5 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • dunne vloeistoffen: eens per 2 jaar reinigen, herkalibratie en eventueel justering

  • jaarlijkse inspectie op slijtage

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 30 jaar

10

Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI)

Medium: gas

Onzekerheid bij 0,95 – 11 bar en –10 – 40 ∞C: 0,5%

Voorwaarden:

  • eens per 4 jaar herkalibratie en eventueel justering

  • batterijen vervangen (frequentie afhankelijk van instructie fabrikant)

  • jaarlijks onderhoud volgens instructies fabrikant/ algemene instructies meetprincipe

  • levensduur 10 jaar

Bijlagen

XV

Nieuwkomersformulier

Vervallen

Bijlage

XVI

Verklaring nieuwkomer

Deze bijlage behoort bij artikel 34b, tweede lid, van de regeling.

Verklaring van de drijver van de inrichting

Hierbij verklaart ondergetekende, dat hij de Ministeries van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Nederlandse emissieautoriteit machtigt om op zijn inrichting betrekking hebbende gegevens over het energiegebruik en de broeikasgasemissies, die bij SenterNovem of het Verificatiebureau Benchmarking Energie-efficiency berusten, met uitzondering van gegevens die zijn verkregen in het kader van de verificatie van een op de inrichting betrekking hebbend emissieverslag, op te vragen om deze te gebruiken ter verificatie van de gegevens die hij in het kader van zijn verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten heeft verstrekt.

Plaats:

Datum:

Handtekening drijver:

Naam drijver:

Bijlage

XVII

N2O

Deze bijlage behoort bij de artikelen artikel 67, tweede lid, onder 6o en 69, eerste en tweede lid van de Regeling monitoring handel in emissierechten.

Hoofdstuk

XVII.1

Bepaling van de N2O-emissies van een N2O-installatie

De jaarvracht van N2O wordt berekend volgens de onderstaande formule:

N2O = (Vafgas * XN2O * 44 * 10-6) / Vmolair

Gebruikte afkortingen:

N2O = jaarvracht van N2O in kg/ uur;

Vafgas = afgasdebiet in Nm3 / uur bij een temperatuur van 0°C en een druk van 101,3 kPa;

XN2O = hoeveelheid concentratie van N2O in het afgas (ml/m3 = ppm vol);

44 = Molal volume N2O;

Vmolair = Molal hoeveelheid rookgas (22,414 liter/mol, bij een temperatuur van 0°C en een druk van 101,3 kPa).

Het afgasdebiet wordt berekend volgens de onderstaande formule:

Vafgas = Vlucht * (1 – O2,lucht) / (1 – O2, afgas)

Gebruikte afkortingen:

Vlucht = totale input luchtstroom in Nm3 / uur bij een temperatuur van 0°C en een druk van 101,3 kPa;

O2,lucht = volume fractie O2 in droge lucht ( = 0,2095);

O2, afgas = volume fractie O2 in afgas;

De luchtstroom wordt berekend volgens de onderstaande formule:

Vlucht = Vprim + Vsec + Vsper

Gebruikte afkortingen:

Vprim = Primaire input luchtstroom in Nm 3 / uur bij een temperatuur van 0°C en een druk van 101,3 kPa;

Vsec = Secondaire input luchtstroom in Nm 3 / uur bij een temperatuur van 0°C en een druk van 101,3 kPa;

Vsper = Sper input luchtstroom in Nm 3 / uur bij een temperatuur van 0°C en een druk van 101,3 kPa.

Hoofdstuk

XVII.2

Bemonsteringsfrequentie

Geldige uurgemiddelden worden berekend voor de zuurstofconcentratie, concentratie van N2O, afgasdebiet alsmede de primaire en secundaire luchtstroom.

De totale jaarvracht van N2O wordt berekend door uurgemiddelden te hanteren waarbij voor elk uur een uurvracht wordt berekend.

De geldige uurgemiddelden wordt berekend met gebruikmaking van alle meetgegevens die voor het uur in kwestie beschikbaar zijn.

Ingeval een apparaat gedurende een deel van dat uur niet, of niet correct, heeft gefunctioneerd, wordt het uurgemiddelde naar evenredigheid berekend op basis van de resterende meetgegevens voor dat uur.

Wanneer minder dan 50% van het maximumaantal meetgegevens voor dat uur beschikbaar zijn, kan geen geldige uurwaarde worden berekend en vervalt die uurwaarde.

In elk geval waarin geen geldige uurwaarde kan worden berekend, geldt de waarde uitgedrukt in kg/ N2O per uur die overeenkomstig hoofdstuk XVII.3 is vastgesteld.

Hoofdstuk

XVII.3

Ontbrekende gegevens

Wanneer het meetinstrument uitvalt of onvoldoende functioneert en geen geldige uurwaarde kan worden verkregen voor de bepaling van de N2O concentratie, bepaalt degene die een inrichting drijft een vervangende waarde voor elke ontbrekende uurwaarde met de volgende formule;

Wanneer het meetinstrument uitvalt of onvoldoende functioneert en geen geldige uurwaarde kan worden verkregen voor de bepaling van de zuurstofconcentratie, bepaalt degene die een inrichting drijft een vervangende waarde voor elke ontbrekende uurwaarde met de volgende formule;

Het rekenkundig gemiddelde en de standaardafwijking van de N2O concentratie en de zuurstofconcentratie worden aan het einde van het kalenderjaar berekend uit de hele reeks emissiegegevens die in het kalenderjaar wel zijn gemeten. Indien die periode als zodanig niet bruikbaar is omdat de N2O-installatie fundamentele technische veranderingen heeft ondergaan, wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit een representatief tijdsinterval overeengekomen.

Wanneer de meetinstrumenten uitvallen of onvoldoende functioneren en geen geldige uurwaarde kan worden verkregen voor de bepaling van het afgasdebiet, wordt een vervangende waarde bepaald aan de hand van een massabalansmodel van het productieproces. De andere, door meting bepaalde elementen die relevant zijn voor de berekening van de emissies middels deze massabalans, worden gebruikt om de resultaten te valideren.

De meetinstrumenten mogen op jaarbasis niet meer dan een week buiten bedrijf zijn.

Bijlage

XVIII

Bepaling CO2-emissies van luchtvaartactiviteiten

Deze bijlage behoort bij de artikelen 34g, eerste lid, onder e en i, 34k, 34l, eerste lid, 34m, eerste en tweede lid, 34n, eerste lid, 34o, eerste lid, 34s, tweede lid, 34ah, derde lid, onder g en h, 34aj, eerste lid, en 34al, tweede lid, van de regeling.

Hoofdstuk

XVIII.1

Algemene formule monitoring CO2-emissies

De monitoring van vluchten als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten omvat alle vluchten die door de vliegtuigexploitant gedurende het kalenderjaar worden uitgevoerd en die onder bijlage I bij die richtlijn vallen.

De vliegtuigexploitant is verantwoordelijk voor de monitoring van een vlucht indien:

  • a.

    zijn unieke ICAO-aanduiding als roepnaam voor de luchtverkeersleiding wordt gebruikt in vak 7 van het vluchtplan, of

  • b.

    bij het ontbreken van een unieke ICAO-aanduiding als bedoeld onder a: de registratiemarkering van het door de vliegtuigexploitant geëxploiteerde luchtvaartuig wordt gebruikt in vak 7 van het vluchtplan.

De vliegtuigexploitant bepaalt de CO2-emissies per vlucht met de volgende formule:

CO2-emissies = brandstofverbruik * emissiefactor,

waarbij:

  • het brandstofverbruik wordt uitgedrukt in ton;

  • de emissiefactor wordt uitgedrukt in tCO2/t brandstof voor vliegtuigkerosine van het type JET A1 of JET A, vliegtuigbenzine van het type JET B en vliegtuigbenzine van het type ‘AvGas’;

  • de emissiefactor wordt uitgedrukt in tCO2 /TJ of tCO2/t brandstof voor andere dan onder het voorgaande aandachtstreepje bedoelde brandstoffen.

Hoofdstuk

XVIII.2

Bepaling brandstofverbruik

§

2.1

Algemeen

Het brandstofverbruik wordt voor elke vlucht en voor elke brandstof berekend met methode A of B zoals hieronder beschreven.

In geval van methode A of B bepaalt de vliegtuigexploitant de hoeveelheid getankte brandstof door gebruik te maken van facturen of opleveringsbewijzen van de brandstofleverancier of door deze te meten met behulp van meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig.

In geval van methode A of B mag de vliegtuigexploitant de hoeveelheid brandstof die in de brandstoftanks aanwezig is, bepalen door deze te meten met meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig.

De verkregen gegevens over de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof die in de brandstoftanks aanwezig is, worden opgeslagen in de documentatie voor massa en zwaartepunt, geregistreerd in de technische logboeken of elektronisch verstuurd van het luchtvaartuig naar de vliegtuigexploitant. De gegevens worden geregistreerd overeenkomstig artikel 34ae.

§

2.2

Bepaling brandstofverbruik met methode A of B

Methode A

Het brandstofverbruik wordt met de volgende formule bepaald:

brandstofverbruik voor elke vlucht = hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig na het tanken voor de vlucht - hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig na het tanken voor de volgende vlucht + hoeveelheid getankte brandstof voor de volgende vlucht,

waarbij het brandstofverbruik, de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks en de hoeveelheid getankte brandstof worden uitgedrukt in ton.

Wanneer er voor een vlucht of de daaropvolgende vlucht geen brandstof wordt getankt, bepaalt de vliegtuigexploitant de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig bij ‘block-off’ voor de vlucht respectievelijk de volgende vlucht.

Indien de vliegtuigexploitant met het luchtvaartuig na de vlucht waarvoor het brandstofverbruik wordt bepaald, andere activiteiten uitvoert dan vluchten, mag het onderdeel in de formule ‘hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig na het tanken voor de volgende vlucht + hoeveelheid getankte brandstof voor de volgende vlucht’ worden vervangen door: resterende hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks bij het begin van de volgende activiteit van het luchtvaartuig zoals opgeslagen in de technische logboeken.

Methode B

Het brandstofverbruik wordt met de volgende formule bepaald:

brandstofverbruik voor elke vlucht = resterende hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig bij ‘block-on’ aan het einde van de vorige vlucht + hoeveelheid getankte brandstof voor de vlucht - hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig bij ‘block-on’ aan het einde van de vlucht,

waarbij:

  • a.

    het brandstofverbruik en de hoeveelheid brandstof worden uitgedrukt in ton;

  • b.

    als tijdstip van ‘block-on’ het tijdstip wordt aangemerkt waarop de motoren worden stilgelegd.

Indien de vliegtuigexploitant met het luchtvaartuig geen vlucht uitvoert voorafgaand aan de vlucht waarvoor het brandstofverbruik wordt bepaald, mag het onderdeel in de formule ‘hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaarttuig bij ‘block-on’ aan het einde van de vorige vlucht’ worden vervangen door: resterende hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks aan het einde van de vorige activiteit van het luchtvaartuig zoals opgeslagen in de technische logboeken.

Voor het bepalen van het brandstofverbruik met methode A of B stelt de vliegtuigexploitant overeenkomstig artikel 34v een procedure op en documenteert deze.

§

2.3

Onzekerheidseisen bij de bepaling van het brandstofverbruik

Vliegtuigexploitanten waarvan de gezamenlijke vluchten per kalenderjaar 50 kton fossiele CO2 of minder uitstoten, passen ten minste niveau 1 toe voor elke grote bronstroom.

Vliegtuigexploitanten waarvan de gezamenlijke vluchten per kalenderjaar meer dan 50kton fossiele CO2 uitstoten, passen niveau 2 toe voor elke grote bronstroom.

Niveau 1

Het brandstofverbruik over het kalenderjaar wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 5%.

Niveau 2

Het brandstofverbruik over het kalenderjaar wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan 2,5%.

Voor het bepalen van het toepasselijke niveau worden de gemiddelde fossiele CO2-emissies gehanteerd die de vluchten van de vliegtuigexploitant gedurende de voorgaande periode, bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, van de wet, jaarlijks hebben veroorzaakt en waarover de vliegtuigexploitant in het emissieverslag heeft gerapporteerd.

Indien de gedurende de voorgaande periode veroorzaakte fossiele CO2-emissies niet bekend zijn of de gerapporteerde CO2-emissies in het emissieverslag onjuist blijken te zijn, maakt de vliegtuigexploitant voor het bepalen van het toepasselijke niveau ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit een conservatief onderbouwde schatting van de jaarlijkse hoeveelheid CO2-emissies.

§

2.4

Dichtheid brandstof

Indien de hoeveelheid getankte brandstof of de resterende hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig is bepaald in volume-eenheden uitgedrukt in liter of m3, rekent de vliegtuigexploitant de volume-eenheden om in massa-eenheden aan de hand van de werkelijke waarde van de brandstofdichtheid.

De werkelijke waarde van de brandstofdichtheid wordt uitgedrukt in kg per liter en wordt bepaald bij een temperatuur die voor de meting in kwestie relevant is.

De werkelijke waarde van de brandstofdichtheid wordt bepaald op een van de volgende manieren:

  • a.

    Met behulp van meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig.

  • b.

    Meting door de brandstofleverancier zoals opgenomen in de facturen of opleveringsbewijzen. De vliegtuigexploitant mag de werkelijke dichtheid van de brandstof afleiden van deze facturen of opleveringsbewijzen van de brandstofleverancier.

  • c.

    Op basis van de brandstoftemperatuur tijdens het tanken, in samenhang met de standaard dichtheid-temperatuurcorrelatietabellen. De gegevens over de brandstoftemperatuur tijdens het tanken worden op de volgende wijze verkregen:

    • 1°.

      de gegevens worden verkregen van de brandstofleveranciers, of

    • 2°.

      de gegevens worden gespecificeerd voor het luchtvaartterrein waar het tanken plaatsvindt waarbij gebruik wordt gemaakt van standaard dichtheid-temperatuur-correlatietabellen.

Indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat de werkelijke waarde van de brandstofdichtheid niet kan worden bepaald, past de vliegtuigexploitant een standaard dichtheidsfactor toe van 0,8 kg per liter.

De vliegtuigexploitant stelt overeenkomstig artikel 34v een procedure op voor het bepalen van de brandstofdichtheid en documenteert deze.

Hoofdstuk

XVIII.3

Standaard emissiefactoren voor brandstoffen in de luchtvaart

Vliegtuigbenzine (AvGas)

3,10

Vliegtuigbenzine (JET B)

3,10

Vliegtuigkerosine (JET A1 of JET A)

3,15

Hoofdstuk

XVIII.4

Bepaling activiteitsspecifieke factoren

§

4.1

Procedure voor de bepaling van de activiteitsspecifieke emissiefactor, de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de samenstellingsgegevens en de biomassafractie

De procedure om de activiteitsspecifieke emissiefactor, de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de samenstellingsgegevens en de biomassafractie voor een bepaald brandstoftype te bepalen, met inbegrip van de bemonsteringsprocedure, wordt in het monitoringsplan opgenomen.

§

4.2

CEN-normen

  • 1.

    De procedures die worden toegepast bij de bemonstering van een brandstof en bij de bepaling van de emissiefactor, de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de samenstellingsgegevens en de biomassafractie daarvan, berusten op een standaardmethode, waarbij systematische bemonsterings- en meetfouten beperkt blijven en waarvan de meetonzekerheid bekend is. Indien een relevante CEN-norm beschikbaar is, wordt deze toegepast.

  • 2.

    Indien er geen CEN-normen als bedoeld onder 1 beschikbaar zijn, gelden ISO-normen, uitgegeven door de International Organisation of Standardization, of nationale normen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut.

  • 3.

    Een CEN-norm als bedoeld onder 1 heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

  • 4.

    De Minister doet van de uitgifte van CEN-normen als bedoeld onder 3 alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

§

4.3

Beste industriële praktijk

Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met passende ontwerpnormen of richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.

§

4.4

Bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie

Met betrekking tot de bemonsteringsprocedure en bemonsteringsfrequentie voor analyses ter bepaling van de emissiefactor, de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de samenstellingsgegevens en de biomassafractie gelden de eisen van hoofdstuk XVIII.5.

§

4.5

Volledige documentatie

De volledige documentatie over de procedures die de desbetreffende meetinstantie voor de bepaling van de emissiefactor, de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de samenstellingsgegevens en de biomassafractie heeft gevolgd, alsmede de volledige reeks uitkomsten worden bewaard overeenkomstig artikel 34ae en beschikbaar gesteld aan de verificateur van het emissieverslag.

§

4.6

Specifieke eisen voor de bepaling van emissiefactoren

Voor de conversie van koolstof in de waarde voor CO2 wordt de factor 3,667 [tCO2/tC] gebruikt.

Voor brandstoffen die zowel fossiele koolstof als biomassakoolstof bevatten, wordt een gewogen emissiefactor toegepast, die is gebaseerd op het aandeel van de fossiele koolstof in het totale koolstofgehalte van de brandstof. Deze berekening is transparant en gedocumenteerd in overeenstemming met de regels en procedures van de paragrafen 4.1 tot en met 4.5 van dit hoofdstuk.

Biomassa wordt beschouwd als CO2-neutraal. Op biomassa wordt een emissiefactor 0 [tCO2/TJ of t of Nm3] toegepast.

§

4.7

Specifieke eisen voor de bepaling van de biomassafractie

Voor brandstoffen die verkregen zijn via een productieproces met welomschreven en traceerbare inputstromen mag de vliegtuigexploitant ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit de bepaling van de biomassafractie ook baseren op een massabalans van fossiele en biomassakoolstof die het proces binnenkomt en verlaat.

Wanneer de bepaling van de biomassafractie in een gemengde brandstof technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden, gaat de vliegtuigexploitant uit van een aandeel van de biomassa van 0%, waarbij alle koolstof in die bewuste brandstof geheel van fossiele oorsprong is, of neemt hij in het monitoringsplan een eigen schattingsmethode op.

Hoofdstuk

XVIII.5

Bemonsteringsmethoden en analysefrequentie

§

5.1

Representatieve bemonstering

Bij de bepaling van de activiteitsspecifieke emissiefactor, de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de biomassafractie en de samenstellingsgegevens wordt de algemeen aanvaarde praktijk inzake representatieve bemonstering gevolgd. De vliegtuigexploitant toont aan dat de verkregen monsters representatief zijn en aselect zijn genomen. De gevonden waarde wordt uitsluitend gebruikt met betrekking tot de leveringsperiode of de brandstofpartij waarvoor zij representatief dient te zijn.

§

5.2

Representatieve bemonstering

De te analyseren monsters zijn verkregen door het mengen van grotere aantallen primaire monsters die in de loop van een bepaalde periode werden verzameld, op voorwaarde dat de bemonsterde brandstof kan worden opgeslagen zonder dat de samenstelling ervan verandert.

§

5.3

Bemonsteringsprocedure en analysefrequentie

De bemonsteringsprocedure en analysefrequentie worden zo gekozen dat het jaargemiddelde van de parameter in kwestie wordt bepaald met een maximale onzekerheid die minder dan éénderde bedraagt van de voorgeschreven maximale onzekerheid van het goedgekeurde niveau voor de betrokken hoeveelheid brandstofstroom.

Indien de vliegtuigexploitant de toegestane maximale onzekerheid voor de jaarwaarde niet kan naleven of niet kan aantonen dat hij de drempelwaarden naleeft, stelt het bestuur van de emissieautoriteit de analysefrequentie vast.

Bijlage

XIX

Bepaling tonkilometergegevens

Deze bijlage behoort bij de artikelen 34g, onder e en i, 34j, eerste lid, onder b, onder 4°en 5°, 34t en 34ah, derde lid, onder g en h, van de regeling.

Hoofdstuk

XIX.1

Algemene formule monitoring tonkilometergegevens

Een vliegtuigexploitant die voornemens is een aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, of artikel 16.39n, eerste lid, van de wet in te dienen, bepaalt de tonkilometergegevens van alle vluchten als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten die hij in het betrokken kalenderjaar uitvoert en waarvoor hij de verantwoordelijke vliegtuigexploitant is.

De vliegtuigexploitant is verantwoordelijk voor de monitoring van een vlucht indien:

  • a.

    zijn unieke ICAO-aanduiding als roepnaam voor de luchtverkeersleiding wordt gebruikt in vak 7 van het vluchtplan, of

  • b.

    bij het ontbreken van een unieke ICAO-aanduiding als bedoeld onder a: de registratiemarkering van het door hem geëxploiteerde luchtvaartuig wordt gebruikt in vak 7 van het vluchtplan.

De vliegtuigexploitant bepaalt de tonkilometergegevens met de volgende formule:

tonkilometer = afstand * lading,

waarbij:

  • de afstand wordt uitgedrukt in km;

  • de lading wordt uitgedrukt in ton.

Hoofdstuk

XIX.2

Bepaling van de afstand

De vliegtuigexploitant bepaalt de afstand met de volgende formule:

afstand = orthodromische afstand + 95 km,

waarbij de orthodromische afstand wordt uitgedrukt in km.

De lengte- en breedteligging van luchtvaartterreinen wordt ontleend aan de gegevens over de ligging van luchtvaartterreinen die op grond van bijlage 15 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) in de ‘Aeronautical Information Publications’ worden gepubliceerd, dan wel aan een bron die dergelijke AIP-gegevens gebruikt.

Voor de berekening van de afstand ten behoeve van een aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, en artikel 16.39n, eerste lid, van de wet worden AIP-gegevens gebruikt die geldig zijn op 31 december van het kalenderjaar waarop de tonkilometergegevens betrekking hebben.

Indien geen AIP-gegevens aanwezig zijn voor luchtvaartterreinen, gebruikt de vliegtuigexploitant ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit de coördinaten van de desbetreffende luchtvaartterreinen en registreert hij deze overeenkomstig artikel 34ae. De vliegtuigexploitant beschrijft in het plan, bedoeld in artikel 16.39j, derde lid, onder a, van de wet op welke wijze de coördinaten zijn verkregen.

Indien de vliegtuigexploitant software of door een derde partij berekende afstanden gebruikt, wordt de berekeningsmethodiek gebaseerd op WGS84 en worden AIP-gegevens gebruikt die geldig zijn op 31 december van het kalenderjaar waarop de tonkilometergegevens betrekking hebben.

Overeenkomstig artikel 34v stelt de vliegtuigexploitant procedures en systemen vast voor de bepaling en registratie van de orthodromische afstand per luchtvaartterrein alsmede voor de bepaling van informatie omtrent de locatie van luchtvaartterreinen.

Hoofdstuk

XIX.3

Bepaling van de lading

De vliegtuigexploitant bepaalt de lading met de volgende formule:

lading (t) = massa van vracht en post (t) + massa van de passagiers en de geregistreerde bagage (t),

waarbij:

  • de lading wordt uitgedrukt in ton;

  • de massa van vracht en post wordt uitgedrukt in ton;

  • de massa van de passagiers en de geregistreerde bagage wordt uitgedrukt in ton.

Voor de bepaling van de massa van vracht en post maakt de vliegtuigexploitant gebruik van de reële massa of de standaardmassa als vermeld in de documentatie over massa en zwaartepunt voor de betrokken vluchten.

Vliegtuigexploitanten die niet verplicht zijn om over documentatie over massa en zwaartepunt te beschikken op grond van de regelgeving betreffende documentatie over massa en zwaartepunt, passen ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit een passende methodiek toe voor de bepaling van de massa van vracht en post.

De reële massa van vracht en post is exclusief het leeggewicht van alle laadborden en containers die geen deel uitmaken van de verzonden vracht en post. De tonkilometergegevens worden gecorrigeerd voor het leeggewicht van deze laadborden en containers.

De reële massa van vracht en post is exclusief het servicegewicht.

De vliegtuigexploitant stelt overeenkomstig artikel 34v procedures op voor de bepaling van de massa van vracht en post en documenteert deze.

Voor de bepaling van de massa van de passagiers kan de vliegtuigexploitant kiezen tussen niveau 1 en 2. Indien voor een bepaald niveau is gekozen, past de vliegtuigexploitant voor de bepaling van de massa van de passagiers en de geregistreerde bagage binnen één periode, bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, van de wet, voor alle vluchten hetzelfde niveau toe.

Niveau 1

Een standaardwaarde van 100 kg wordt voor elke passagier en zijn geregistreerde bagage gebruikt.

Niveau 2

De reële of standaardmassa van de passagiers en de geregistreerde bagage zoals vermeld in de documentatie over massa en zwaartepunt wordt voor elke vlucht gebruikt.

De vliegtuigexploitant stelt overeenkomstig artikel 34v procedures op voor de bepaling van het aantal passagiers en documenteert deze.