Regeling houdende goedkeuringseisen en compatibiliteitseisen spoorvoertuigen alsook erkenningseisen voor onderhoudsbedrijven spoorvoertuigen (Regeling keuring spoorvoertuigen)

Regeling keuring spoorvoertuigen

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PbEG L 110), artikel 36, zevende lid, van de Spoorwegwet en de artikelen 4, eerste lid, 6, 9, derde lid, 12, eerste lid, 17, eerste lid, 20, 28, vierde lid, 31, derde lid, 32, tweede lid, en 33 van het Besluit keuring spoorvoertuigen;

Besluit:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    besluit: Besluit keuring spoorvoertuigen;

  • b.

    bijzonder spoorvoertuig: spoorvoertuig voorzien van een eigen voortbewegingsinrichting niet zijnde een locomotief of een treinstel;

  • c.

    DIN: Deutsche Industrienorm;

  • d.

    EN: Europese norm;

  • e.

    EIRENE: norm van de European Integrated Railway radio Enhanced Network;

  • f.

    ERRI: rapport van het European Rail Research Institute;

  • g.

    ETSI: norm van het Europees Normalisatie-instituut voor Telecommunicatie;

  • h.

    ISO: norm van de International Organisation for Standardisation;

  • i.

    locomotief: spoorvoertuig voorzien van een eigen voortbewegingsinrichting hoofdzakelijk bestemd en ingericht om andere spoorvoertuigen voort te bewegen;

  • j.

    NEN-EN: een door het Nederlandse norminstituut overgenomen Europese EN-norm;

  • k.

    rijtuig: spoorvoertuig hoofdzakelijk bestemd voor het vervoer van personen, zonder eigen voortbewegingsinrichting;

  • l.

    stuurstandrijtuig: rijtuig voorzien van een cabine van waaruit de machinist de trein kan besturen;

  • m.

    trein: spoorvoertuig of samenstel van spoorvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit spoorverkeer;

  • n.

    treinstel: spoorvoertuig met eigen voortbewegingsinrichting bestemd voor het vervoer van personen en goederen, niet zijnde een locomotief;

  • o.

    UIC: voorschrift van de Internationale Spoorweg Unie;

  • p.

    wagen: spoorvoertuig zonder eigen voortbewegingsinrichting, bestemd voor het vervoer van goederen;

  • q.

    Zoetermeerlijn: deel van de hoofdspoorweginfrastructuur dat zich bevindt tussen de stations Leidschendam-Voorburg aansluiting en het baanvak met de stations Voorweg, Centrum-West, Dorp, Delfsewallen, Driemanspolder, Meerzicht, Buytenwegh, de Leyens, Leidsewallen, Zeghwaerd, Palenstein, Stadhuis, Centrum-West, Voorweg.

§

2

Goedkeuringseisen spoorvoertuigen

Artikel

3

Voor een goedkeuring van spoorvoertuigen als bedoeld in artikel 2 is bijlage 1 van toepassing waarbij per categorie spoorvoertuig de desbetreffende eisen worden genoemd.

§

3

Aanvullende goedkeuringseisen spoorvoertuigen

Artikel

4

Onverminderd artikel 3 voldoet een spoorvoertuig aan de in deze paragraaf opgenomen aanvullende goedkeuringseisen die per onderdeel van het spoorvoertuig worden beschreven.

Artikel

5

Spoorvoertuigen zijn voorzien van rem- en persluchtsystemen die voldoen aan de volgende goedkeuringseisen:

  • a.

    de compressorcapaciteit is voldoende opdat onder ongunstige omstandigheden het remsysteem gevoed wordt en er geen remkrachtvermindering optreedt;

  • b.

    remapparatuur is in en onder de bak zodanig aangebracht dat deze goed beschermd is in geval van aanrijdingen opdat functieverlies wordt geminimaliseerd;

  • c.

    spoorvoertuigen die in verband met de constructie, massa en beremming gevoelig zijn voor blokkeren of waarbij onder slechte adhesiecondities ontoelaatbare remwegverlengingen optreden, zijn voorzien van een antiblokkeerinstallatie en van voldoende magneetremmen die zodanig verdeeld zijn over het materieel dat blokkeren van de wielen goed kan worden bestreden;

  • d.

    de bedienkracht van de noodremtrekker is niet groter dan 200 N.

Artikel

6

Spoorvoertuigen zijn voorzien van deursystemen bestemd voor het instappen door reizigers die voldoen aan de goedkeuringseisen opgenomen in bijlage 2.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Het loopwerk van spoorvoertuigen is zodanig dat voldaan wordt aan de volgende goedkeuringseisen:

  • a.

    tijdens bogenloop van twee gekoppelde voertuigen wordt tijdens het doorlopen van een boog van 150 m de optredende dwarskracht nooit groter dan 250 kN hetgeen wordt aangetoond door middel van een bogenloopberekening als bedoeld in ERRI B36/RP32;

  • b.

    de minimale boogstraal die gekoppeld bereden wordt, geldt als controle op de optredende maximale verspankracht.

Artikel

10

Spoorvoertuigen die voorzien zijn van een automatische koppeling voldoen ten aanzien van deze koppeling aan de volgende goedkeuringseisen:

  • a.

    de automatische koppeling heeft een breeksterkte van minimaal 1 MN;

  • b.

    de automatische koppeling is in staat alle bewegingen van de rijtuigbak tijdens bogen en wisselloop toe te laten waarbij de eventuele reactiekrachten minimaal zijn;

  • c.

    met behulp van een vrijloopberekening worden de eisen als bedoeld in de onderdelen a en b, aangetoond;

  • d.

    de statische en dynamische sterkte van dit onderdeel wordt aangetoond met behulp van berekeningen;

  • e.

    de automatische koppeling vergroot tijdens een botsing met vee op de vrije baan of met voertuigen op overwegen niet het ontsporingsgevaar;

  • f.

    de automatische koppeling is voldoende gedimensioneerd om de energie op te nemen die ontstaat tijdens het koppelen op de maximale koppelsnelheid.

Artikel

11

Spoorvoertuigen voldoen ten behoeve van de zichtbaarheid aan de goedkeuringseisen opgenomen in bijlage 5.

Artikel

12

Spoorvoertuigen die sneller kunnen rijden dan 40 km/u, zijn voorzien van een systeem voor automatische ritregistratie dat voldoet aan de volgende goedkeuringseisen:

  • a.

    het oplossend vermogen van de registratie is voldoende groot om een zuivere analyse te kunnen maken van de te onderzoeken gebeurtenis;

  • b.

    de registratie start uiterlijk bij het in beweging zetten van de trein;

  • c.

    de opslagcapaciteit van de automatische ritregistratie bepaalt de inzetmogelijkheden van het spoorvoertuig na een gebeurtenis waarvoor de registratie wordt uitgelezen;

  • d.

    na het tot stilstand komen van een spoorvoertuig worden geregistreerde gegevens niet overschreven;

  • e.

    de automatische ritregistratie kan zonder verlies van informatie bijzondere omstandigheden doorstaan, waarbij de kans op verlies van informatie niet groter mag zijn dan 10–2;

  • f.

    door de automatische ritregistratie worden minimaal de in bijlage 6 genoemde gegevens geregistreerd.

Artikel

13

Spoorvoertuigen zijn voorzien van een elektrische installatie dat voldoet aan de volgende goedkeuringseisen ten aanzien van:

  • a.

    radiobesturing, indien aanwezig:

    • 1°.

      het dodemansysteem in de radio heeft dezelfde systeemreacties als het dodemansysteem in het spoorvoertuig;

    • 2°.

      de kantelbeveiliging initieert het uitschakelen van de aandrijving en het inzetten van een volle remming indien de zender langer dan 7,5 seconden in een hoek van 45° ten opzichte van de normale draagwijze wordt gehouden;

    • 3°.

      elk commando dat gegeven wordt door de zender resulteert in de betreffende reactie van het spoorvoertuig binnen 0,5 seconden;

  • b.

    communicatieapparatuur:

    • 1°.

      beschikt over een elektrische voeding;

    • 2°.

      beschikt over een antennecircuit;

    • 3°.

      is vast in de cabine gemonteerd;

    • 4°.

      is voorzien van een mens-machine-interface die is afgestemd op de specifieke werkomstandigheden van de machinist;

  • c.

    stoorstroomdetectoren:

    • 1°.

      voldoen aan EN nr. 50155;

    • 2°.

      meten de lijnstroom volgens de frequentiekarakteristiek:

      • i.

        tot kantelpunt op 68 Hz ± 1 Hz: stijgend met 96 dB/oct ± 3 dB/oct;

      • ii.

        gebied 68 Hz tot 82 Hz: vlak ± 0.5 dB;

      • iii.

        na kantelpunt op 82 Hz ± 1 Hz: dalend met 120 dB/oct ± 3 dB/oct;

    • 3°.

      indien de effectieve waarde van de lijnstroom binnen het beschreven frequentiegebied een drempel te boven gaat, wordt door de stoorstroomdetector een uitschakelcommando gegenereerd, waarbij de lijnstroom wordt gemeten met een maximale onnauwkeurigheid van 5% van de gespecificeerde maximale drempelinstelwaarde, die instelbaar is in vaste stappen;

    • 4°.

      het bereik en de stapgrootte van de lijnstroom is materieelafhankelijk, en is aan de hand van de volgende criteria instelbaar:

      • i.

        het risico op beïnvloeding van de toestand van het spoorrelais door stoorstromen is aanvaardbaar klein;

      • ii.

        het risico op nadelige beïnvloeding door stoorstromen op de correcte overdracht van signalen van het treinbeïnvloedingssysteem is aanvaardbaar klein;

      • iii.

        het risico op een blokkade van treinfuncties is aanvaardbaar klein;

    • 5°.

      een detector genereert slechts een uitschakelcommando nadat gedurende een bepaalde tijdsduur de drempelwaarde continu overschreden is;

    • 6°.

      de tijdsduur als bedoeld in subonderdeel 5 is instelbaar in vaste stappen, waarbij het bereik en de stapgrootte materieelafhankelijk zijn en volgens de volgende criteria ingesteld worden:

      • i.

        het risico op beïnvloeding van de toestand van het spoorrelais door stoorstromen is aanvaardbaar klein;

      • ii.

        het risico op nadelige beïnvloeding door stoorstromen op de correcte overdracht van signalen van het treinbeïnvloedingssysteem is aanvaardbaar klein;

      • iii.

        het risico op een blokkade van treinfuncties is aanvaardbaar klein;

    • 7°.

      de minimale duur van het uitschakelcommando is materieelafhankelijk;

    • 8°.

      in geval van een defect in de stoorstroomdetector, wordt het uitschakelcommando geblokkeerd of overbrugd;

    • 9°.

      de overbruggingsschakelaar is eenvoudig bereikbaar voor de machinist;

    • 10°.

      de totale reactietijd van de stoorstroomdetector is ten hoogste 500 ms;

    • 11°.

      de detector dient een factor 10 ongevoeliger te zijn voor stoorstromen uit de bovenleiding dan voor stoorstromen afkomstig uit het treinstel waarin de detector zich bevindt;

    • 12°.

      afhankelijk van het materieeltype zijn per treinstel één of meer stoorstroomdetectoren aanwezig;

  • d.

    retourstroom- en veiligheidsaardingscircuits:

    • 1°.

      het retourstroomsysteem is zoveel mogelijk elektrisch van de rijtuigbak en het veiligheidsaardingscircuit gescheiden;

    • 2°.

      in treinstellen zijn beide circuits gescheiden;

    • 3°.

      in locomotieven zijn beide circuits aan elkaar gekoppeld indien een scheiding technisch onmogelijk is;

    • 4°.

      beide circuits zijn redundant uitgevoerd;

    • 5°.

      indien in een treinsamenstelling de rijtuigbakken onderling met litzes zijn verbonden, is elke rijtuigbak voorzien van minimaal één veiligheidsaardingsborstelhouder;

    • 6°.

      indien de rijtuigbakken onderling niet met litzes zijn verbonden, zijn de rijtuigbakken voorzien van minimaal twee veiligheidsaardingsborstelhouders, en minimaal één veiligheidsaardingsborstelhouder per draaistel;

    • 7°.

      bij de dimensionering van het veiligheidsaardingscircuit wordt rekening gehouden met:

      • i.

        het afschakelgedrag van het onderstation bij een kortsluiting;

      • ii.

        de redundantie van het systeem;

      • iii.

        de maximale weerstand tussen metalen delen van het rijtuig en spoorstaven;

    • 8°.

      stromen van de eigen installatie of van ander materieel door de rijtuigbak wordt zoveel mogelijk voorkomen;

    • 9°.

      schade aan de wielaslagers als gevolg van zwerfstroom- of stroomdoorgang wordt voorkomen;

    • 10°.

      de retourstroom van de hoofdverbruiker dient over een zo kort mogelijke afstand naar de spoorstaven gevoerd te worden;

    • 11°.

      indien de retourstroomborstelhouders op de aspotten zijn gemonteerd worden de borstelhouders van zowel het veiligheidsaardings- als retourstroomcircuit gelijk verdeeld over de linker- en rechterzijde van het materieel;

    • 12°.

      het aantal benodigde borstelhouders voor retourstroom- en veiligheidsaardingscircuit wordt over een maximaal aantal assen verdeeld;

    • 13°.

      de koolborstels en tegenloopschijf van retourstroom- en veiligheidsborstelhouders zijn eenvoudig inspecteerbaar;

    • 14°.

      de elektrische weerstand tussen wielas en wielbandoppervlak is zo laag mogelijk, waarbij het aanbrengen van litzes om de elektrische weerstand te verlagen niet is toegestaan;

    • 15°.

      in afwijking van subonderdeel 14 mogen bij wielen waarin isolatie is aangebracht tussen het binnenwiel en de wielband litzes worden aangebracht, waarbij het wiel en het wielbandoppervlak niet zijn bewerkt door lassen of boren tenzij kan worden aangetoond dat dit geen consequenties heeft voor de mechanische sterkte en bedrijfszekerheid van dit wiel;

    • 16°.

      de elektrische weerstand van een wielstel mag niet hoger zijn dan 10 mΩ bij nieuwe wielbanden en 100 mΩ bij herprofilering als bedoeld in UIC nr. 512 (8e editie van 01.01.79 inclusief 2 wijzigingsbladen);

    • 17°.

      andere onderdelen van rollend materieel die voor een bepaalde duur met rails in aanraking kunnen komen, moeten van het draaistel en de rijtuigbak geïsoleerd zijn.

§

4

Compatibiliteit

Artikel

14

Artikel

15

Cabines van spoorvoertuigen zijn voorzien van communicatieapparatuur welke voldoet aan:

  • a.

    EIRENE FRS versie 6.0 en EIRENE SRS versie 14.0, en dat functioneert bij een signaalniveau van tenminste –98 dBm gemeten op een hoogte van 4 m vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven, of

  • b.

    UIC nr. 751-3 (3e editie van 01-07-1984 inclusief supplement), en dat functioneert bij een veldsterkte van tenminste 2 µV/m, gemeten op een hoogte van 4 m vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven en beschikt over de automatische kanaalomschakelingsfunctionaliteit.

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Ten behoeve van een treindetectiesysteem voldoen spoorvoertuigen aan de volgende constructie-eisen:

  • a.

    voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van laagfrequente spoorstroomloop of van toonfrequente spoorstroomlopen bedraagt:

    • 1°.

      de afstand tussen twee opeenvolgende assen ten hoogste 22 m;

    • 2°.

      de weerstand tussen twee wielen van een as in nieuwe staat of na rebandageren minder dan 0,01 Ω en tijdens de looptijd van het wielstel of na herprofilering minder dan 0,10 Ω;

    • 3°.

      de kortsluitwaarde van een as, gemeten van wielband tot wielband, met inbegrip van de overgangsweerstanden tussen de wielbanden en de koppen van de spoorstaven, minder dan 0,20 Ω;

  • b.

    voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van prikspanningsspoorstroomlopen bedraagt:

    • 1°.

      de afstand tussen twee opeenvolgende assen ten hoogste 22 m;

    • 2°.

      de weerstand tussen twee wielen van een as t in nieuwe staat of na rebandageren minder dan 0,01 Ω en tijdens de looptijd van het wielstel of na herprofilering minder dan 0,10 Ω;

  • c.

    voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van assentellers zijn de stalen wielen voorzien van een flens en hebben deze een diameter van tenminste 300 mm;

  • d.

    voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van pedalen:

    • 1°.

      is de minimale flenshoogte van de wielen 25 mm;

    • 2°.

      is de minimale druk van een as 2000 kg;

  • e.

    op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van detectielussen zijn het frame en de wielstellen van het voertuig van magnetiseerbaar materiaal.

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

De impedantie tussen het spoorvoertuig en de spoorstaaf bedraagt bij:

  • a.

    spoorvoertuigen bestemd voor het vervoer van goederen ten hoogste 150 mΩ;

  • b.

    de overige spoorvoertuigen ten hoogste 50 mΩ.

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Met de in paragrafen 2, 3 en 4 genoemde goedkeurings- en compatibiliteitseisen worden gelijkgesteld die eisen die blijkens een risico-analyse van de keuringsinstantie, gehoord de Minister en de beheerder, een gelijkwaardig niveau van veiligheid en compatibiliteit kunnen waarborgen.

§

5

Erkenningseisen onderhoudsbedrijven

Artikel

29

Artikel

30

§

7

Uitzonderingsbepalingen

Artikel

31

Artikel

32

De categorieën spoorvoertuigen bedoeld in artikel 36, zevende lid, van de wet zijn:

  • a.

    spoorvoertuigen die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften, die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 36 van de wet in werking treedt, op de hoofdspoorweg kunnen worden gebruikt waarbij geldt dat het voor deze spoorvoertuigen verstrekte certificaat, wordt aangemerkt als inzetcertificaat als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet;

  • b.

    spoorvoertuigen waarvoor ten behoeve van incidentele ritten een ontheffing, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de wet is verleend;

  • c.

    spoorvoertuigen waarvoor een document is afgegeven met inachtneming van het RIC of het RIV, door een niet in Nederland gevestigde bevoegde instantie als bedoeld in deze overeenkomsten.

§

8

Slotbepalingen

Artikel

33

Wijzigt deze regeling.

Artikel

35

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling keuring spoorvoertuigen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, normbladen, fiches en richtlijnen waar in deze regeling naar verwezen wordt, die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,K.M.H.Peijs

Bijlage

1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

2

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

3

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

4

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

5

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

6

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

7

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

8

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

9

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

10

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

11

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.