Voorafgaand aan de keuring controleert de keuringsarts:
a.
de identiteit van de keurling aan de hand van een geldig identiteitsbewijs;
b.
indien het niet de eerste keuring betreft: de voorafgaande verklaring van medische geschiktheid of psychologische geschiktheid van de keurling.
Artikel
3
1
De medische keuring vindt plaats met inachtneming van de eisen, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
2
Indien de keurling in geringe mate niet aan één of meerdere van de bij deze regeling vastgestelde medische eisen voldoet, kan de keurling desondanks ten aanzien van de betreffende eis of eisen zonder voorwaarden of beperkingen worden goedgekeurd, indien:
a.
de keuringsarts vaststelt dat de keuringseis waaraan niet wordt voldaan voldoende wordt gecompenseerd;
b.
een veilige uitvoering van de functie hierdoor niet wordt belemmerd; en
c.
een arts-deskundige aan de keuringsarts schriftelijk heeft geadviseerd om de keurling ten aanzien van deze keuringseis goed te keuren.
3
Het keuringsinstituut stelt de minister op een niet tot de persoon herleidbare wijze in kennis van elke toepassing van het tweede lid.
Artikel
4
De psychologische keuring vindt plaats met inachtneming van de eisen, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.
het beperken van de normale geldigheidsduur van de keuringsuitslag;
b.
het voorschrijven van een tussentijdse beoordeling;
c.
het melden van vermoede of gebleken negatieve veranderingen;
d.
andere geschikte conditiebeheersende maatregelen en voorwaarden; ten aanzien van de omstandigheid welke tot de voorwaarde aanleiding gaf.
3
Functionele voorwaarden kunnen betrekking hebben op:
a.
de plaatsen en tijden waarop de taak mag worden uitgeoefend;
b.
de wijze waarop en de middelen waarmee de taak mag worden uitgeoefend;
c.
het gebruik van hulpmiddelen;
d.
de aanwezigheid van andere personen en de kwalificaties waaraan die moeten voldoen; en
e.
andere voorzieningen voor de wijze van taakuitvoering.
Artikel
6
1
Wanneer de afgifte van een verklaring van medische geschiktheid of psychologische geschiktheid wordt geweigerd, deelt de keuringsarts dit aan de keurling mede onder vermelding van de reden(en) tot afkeuring.
2
De keuringsarts deelt tevens mede dat de keurling het recht heeft zich te laten herkeuren door het door de minister aangewezen herkeuringsinstituut.
Artikel
7
1
Een herkeuring wordt door de keurling aangevraagd bij het keuringsinstituut dat de keuring in eerste aanleg heeft verricht.
2
Indien een keurling een herkeuring aanvraagt naar aanleiding van een keuringsuitslag waarover door de keuringsarts geen advies is gevraagd aan een arts-deskundige, vraagt de keuringsarts aan de arts-deskundige alsnog advies.
3
Indien het advies van de arts-deskundige voor de keuringsarts geen aanleiding geeft de keuringsuitslag te herzien, zendt het keuringsinstituut de keuringsuitslag naar het door de minister aangewezen herkeuringsinstituut.
4
De uitslag van de herkeuring komt in de plaats van de uitslag van de keuring in eerste aanleg.
5
Het instituut dat de herkeuring verricht, zendt een afschrift van de uitslag aan het keuringsinstituut dat de aanvraag voor herkeuring heeft ingediend.
Artikel
8
1
Het keuringsinstituut bewaart de op een keuring betrekking hebbende documenten ten minste 6 jaar.
2
Het keuringsinstituut geeft deze documenten uitsluitend door aan een opvolgende keuringsorganisatie met de voorafgaande schriftelijke toestemming van de keurling.
Artikel
9
1
Indien de keurling ten tijde van de keuring ongeschikt is vanwege een tijdelijke medische of psychologische conditie die in verband staat met de keuringseisen en die conditie na het doorlopen van een voor die conditie normaal herstelproces niet meer aanwezig is en er geen andere redenen zijn om betrokkene ook nadien ongeschikt te beoordelen wordt aan de uitslag ‘geschikt’ de woorden ‘na herstel’ toegevoegd.
Deze vermelding is niet nodig als het een conditie betreft die niet rechtstreeks verband houdt met de keuringseisen en de geschiktheid voor de taak, en de conditie naar zijn aard tijdelijk en voorbijgaand is.
2
Indien de keurling ten tijde van de keuring ongeschikt is vanwege een tijdelijke medische of psychologische conditie en niet voorzienbaar is of de geschiktheid na het herstelproces weer terugkeert wordt als keuringsuitslag vermeld ‘ongeschikt – herbeoordeling na herstel’.
Artikel
10
1
Van de bij deze regeling vastgestelde medische eisen kan door de minister ontheffing worden verleend indien daarmee een veilige uitoefening van de functie niet in gevaar komt.
2
De ontheffing wordt aangevraagd door de keuringsarts en gaat vergezeld van een advies van de arts-deskundige.
3
Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.
4
Indien ontheffing is verleend, wordt dit op de verklaring van medische geschiktheid vermeld.
Artikel
11
De minister kan richtlijnen geven omtrent de toepassing van de artikelen 3 en 4 van deze regeling.
§
3
Praktijkprogramma machinisten
Artikel
12
1
Een machinist in opleiding volgt een praktijkprogramma onder begeleiding van een mentor-machinist.
2
Een mentor-machinist is een machinist die:
a.
bevoegd is tot uitoefening van de veiligheidsfunctie van machinist met volledige of beperkte bevoegdheid, als bedoeld in artikel 4 van het Besluit;
b.
ten minste twee jaar praktijkervaring heeft met de taak waarvoor hij een machinist in opleiding praktijkinstructies geeft;
c.
vaktheoretische kennis heeft;
d.
didactisch geschoold is voor het geven van praktijkinstructie;
e.
volgens een instructieplan begrijpelijk en adequaat praktijkinstructie kan verzorgen;
f.
in staat is vorderingen te beoordelen en daarover te rapporteren.
3
Een machinist in opleiding krijgt in het praktijkprogramma instructies van ten minste twee mentor-machinisten. De koppeling aan een mentor-machinist vindt zoveel mogelijk aaneengesloten plaats voor perioden van ten minste vijf dagen.
4
Een praktijkprogramma kan tevens plaatsvinden onder begeleiding van een vakinhoudelijk leidinggevende, als bedoeld in artikel 38 van het Besluit, of een instructeur voor wie het opleiden van machinisten de hoofdtaak is.
Artikel
13
1
De machinist in opleiding kan deelnemen aan het praktijkprogramma indien hij het spoorvoertuig in de praktijk kan bedienen en voldoende kennis heeft van de verkeersvoorschriften.
2
Het praktijkprogramma wordt gehouden op de emplacementen en trajecten waar de machinist in opleiding in de eerste zestig dagen nadat hij voor zijn examen is geslaagd zal gaan rijden. Hij berijdt elk van deze trajecten en emplacementen ten minste eenmaal per dag in beide richtingen.
3
De gezamenlijke lengte van de te berijden trajecten bedraagt ten hoogste 250 kilometer.
4
Het praktijkprogramma wordt ingericht volgens een instructieplan, dat erop is gericht om de machinist in opleiding zoveel mogelijk te confronteren met in de normale treindienst weinig voorkomende handelingen, werkwijzen en voorvallen.
Artikel
14
1
De duur van het praktijkprogramma van de machinist beperkte bevoegdheid kan worden verkort tot 20 dagen als hij:
a.
dienst doet met slechts één materieeltype; of
b.
ten minste één jaar ervaring heeft in een andere veiligheidsfunctie in het vervoerproces op de plaats waar hij dienst gaat doen; of
c.
dienst doet op een lokatie zonder doorgaand treinverkeer.
2
De duur van het praktijkprogramma voor de machinist volledige bevoegdheid kan worden verkort tot 20 dagen als de machinist ten minste één jaar heeft dienstgedaan als machinist beperkte bevoegdheid.
3
De duur van het praktijkprogramma voor de machinist volledige bevoegdheid kan voorts worden verkort tot 20 dagen als wordt gereden:
a.
in de reizigersdienst met slechts één materieeltype en maximaal acht rijtuigbakken; of
b.
in de goederendienst met een enkele locomotief van één type met goederentrein; of
c.
een onderhoudsvoertuig met bijbehorende wagens;
en wordt gereden vanuit een standplaats in de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland en Utrecht over trajecten van samen ten hoogste 50 km of buiten de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland en Utrecht over trajecten van samen ten hoogste 100 km.
4
De beperking tot één materieeltype tijdens het praktijkprogramma en de navolgende 60 dagen wordt verruimd tot twee materieeltypen als het praktijkprogramma met 10 dagen wordt verlengd en met beide materieeltypen ten minste 10 dagen is dienstgedaan.
5
De beperking tot één materieeltype geldt niet voor machinisten die uitsluitend rijden met onderhoudsmachines met bijbehorende wagens.
6
Als beperking in trajecten geldt voor hen, in afwijking van artikel 13 en van het eerste en derde lid dat zij:
a.
trajecten waarop de eerste 60 dagen na hun examen zelfstandig gaan rijden met onbeperkte snelheid, ten minste 20 keer in beide richtingen hebben bereden;
b.
andere trajecten mogen berijden als waren zij een machinist met beperkte bevoegdheid.
§
4
Slotbepalingen
Artikel
15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorwegpersoneel in werking treedt.
Artikel
16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling spoorwegpersoneel.
Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.Peijs
Bijlage
1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage
2
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.