Artikel
1
Als ‘categorieën andere minderjarigen’, als bedoeld in de artikelen 241, zevende lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, worden aangewezen:
-
a.
minderjarige vreemdelingen die jonger dan twaalf jaren zijn en voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 nog niet is ingediend om reden van het ontbreken van een wettelijke vertegenwoordiger;
-
b.
minderjarige vreemdelingen van wie de moeder onder voogdij staat van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, is ingediend;
-
c.
minderjarige vreemdelingen die op Nederlands grondgebied worden aangetroffen en slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 met toepassing van artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt ingediend;
-
d.
minderjarige vreemdelingen die op een luchthaven in Nederland onbegeleid worden aangetroffen en door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt dan wel kan worden ingediend;
-
e.
minderjarige vreemdelingen die alleen achterblijven in een opvangcentrum als bedoeld in artikel 1, onder d van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers nadat hun ouders met onbekende bestemming zijn vertrokken;
-
f.
minderjarige vreemdelingen die met toepassing van artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht zijn gesteld van een daartoe aanvaarde rechtspersoon en wier ouder(s) zijn ontheven of ontzet van het gezag, dan wel met onbekende bestemming zijn vertrokken.