Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 september 2005, nr. PG-2.611.880, houdende de regels inzake de verstrekking van subsidies op het terrein van de publieke gezondheid (Subsidieregeling publieke gezondheid)

Subsidieregeling publieke gezondheid

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Besluit:

Hoofdstuk

I

Algemene subsidiebepalingen

§

1

Begrippen en algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b.

    instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld;

  • c.

    project: een activiteit met een incidenteel karakter;

  • d.

    instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling in de kosten van haar structurele activiteiten of een gedeelte daarvan;

  • e.

    projectsubsidie: een subsidie in de kosten van een project.

Artikel

2

Deze regeling is van toepassing op de subsidies, bedoeld in Hoofdstuk II.

Artikel

3

§

2

Berekeningswijze instellingsubsidie

Artikel

4

Een instellingssubsidie bestaat uit een door de minister vast te stellen bedrag voor overeenkomstig een door de minister goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.

Artikel

5

Het bedrag, bedoeld in artikel 4, wordt verlaagd met het bedrag waarmee het maximaal toegestane bedrag van de in artikel 23 bedoelde reservering wordt overschreden.

Artikel

6

Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Voorzover hierin lasten zijn begrepen van materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa berekend.

§

3

Berekeningswijze projectsubsidies

Artikel

7

Een projectsubsidie bestaat uit het verschil tussen de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende werkelijke lasten, voor zover deze lasten daar ingevolge Hoofdstuk II voor in aanmerking komen en voor zover deze lasten zijn opgenomen in de door de minister goedgekeurde begroting, en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten. De subsidie bedraagt niet meer dan een door de minister vast te stellen maximum.

§

4

Modellen en formulieren

Artikel

8

De minister kan de volgende modellen en formulieren vaststellen:

  • a.

    een formulier voor de aanvraag van subsidie;

  • b.

    een model voor het projectplan;

  • c.

    een model voor de begroting;

  • d.

    een model voor het activiteitenplan;

  • e.

    een model voor het activiteitenverslag;

  • f.

    een model accountantsverklaring;

  • g.

    een formulier voor de aanvraag van de vaststelling van de subsidie.

§

5

Aanvraag van een instellingssubsidie

Artikel

9

Artikel

10

§

6

Aanvraag van een projectsubsidie

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

§

7

Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel

14

De minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel

15

Artikel

16

§

8

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel

17

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:

  • a.

    de doeleinden, gesteld in het activiteitenplan dan wel het projectplan, op doelmatige wijze worden nagestreefd;

  • b.

    de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; en

  • c.

    de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.

Artikel

18

De subsidieontvanger zorgt er voorts voor:

  • a.

    dat de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd;

  • b.

    dat de administratie een juist, volledig en actueel beeld geeft van het functioneren van de instelling; en

  • c.

    dat van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken aanwezig zijn waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen of van de verrichte diensten duidelijk blijken.

Artikel

19

Artikel

20

De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel

21

Artikel

22

De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode of het project waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de in het activiteitenplan, onderscheidenlijk projectplan, voorgenomen activiteiten.

Artikel

23

Artikel

24

Op de balans worden de voorzieningen, gesplitst naar hun aard, en de reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen en reservering toegelicht.

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn. De minister kan ook andere gevallen aanwijzen waarin de bepaling niet geldt.

Artikel

30

Artikel

31

Indien bij de minister het vermoeden is gerezen dat artikel 28 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen.

§

9

De aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel

32

Artikel

33

De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de instelling en geeft de nodige informatie om de subsidie vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen tussen declaratie en begroting worden toegelicht. In de subsidiedeclaratie van instellingssubsidies wordt de aansluiting tussen de subsidiedeclaratie en de jaarrekening toegelicht.

Artikel

34

Artikel

35

§

10

De vaststelling van de subsidie

Artikel

36

Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 32, geeft de minister een beschikking tot vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk

II

Specifieke subsidiebepalingen

§

1

Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

Artikel

37

Voor familieonderzoek naar hypercholesterolemie, met inbegrip van aanvullende DNA-onderzoek van verzamelde bloedmonsters en lipidenprofielmeting, kan de minister een projectsubsidie verstrekken aan de Stichting Opsporing Erfelijke Hypercholesterolemie.

Artikel

38

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 37, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor deelname aan en de uitslagen van familieonderzoek naar hypercholesterolemie ten behoeve van de proces- en effect-evaluatie.

Artikel

39

De subsidie, bedoeld in artikel 37, bedraagt voor het jaar 2006 ten hoogste € 3.703.510.

Artikel

40

Per DNA-onderzoek komt ten hoogste € 76,64 in aanmerking voor subsidie als bedoeld in artikel 37.

§

2

Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel

41

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    screeningsorganisatie: een rechtspersoon aan wie voor de uitvoering van bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker vergunning is verleend krachtens de Wet op het bevolkingsonderzoek;

  • b.

    onderzoek: het in het kader van een bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker afnemen van celmateriaal van een vrouw door een huisarts en beoordeling ervan door een patholoog.

Artikel

42

Artikel

43

Voor de subsidie, bedoeld in artikel 42, komen uitsluitend in aanmerking de kosten:

  • a.

    van onderzoeken voor zover deze overeenstemmen met de door de Nederlandse Zorgautoriteit goedgekeurde of vastgestelde tarieven onderscheidenlijk maximumtarieven;

  • b.

    van het uitnodigen van vrouwen die in aanmerking komen voor het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker;

  • c.

    van het organiseren en evalueren van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker.

Artikel

44

Een screeningsorganisatie draagt er voor zorg dat de verhouding tussen de bij de uitvoering van het bevolkingsonderzoek betrokken partijen is geregeld in een samenwerkingsovereenkomst, waarin ten minste zijn opgenomen de afbakening van het werkgebied, de organisatorische vormgeving en de daarbij behorende financiële afspraken.

Artikel

45

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 42, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

  • a.

    de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker;

  • b.

    het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker ten behoeve van de proces- en effect-evaluatie.

Artikel

46

De subsidie, bedoeld in artikel 42, bedraagt ten hoogste:

  • a.

    € 48,01 voor elk onderzoek van vrouwen die voor de eerste maal deelnemen aan het onderzoek, vermeerderd met

  • b.

    € 30,50 voor elk onderzoek van vrouwen die voor de tweede of daaropvolgende maal deelnemen aan het onderzoek.

Artikel

47

In afwijking van artikel 23, derde lid, worden toevoegingen aan voorzieningen niet gerekend tot de lasten van de activiteiten waarvoor een subsidie als bedoeld in artikel 42 wordt verstrekt.

§

3

Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel

48

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    screeningsorganisatie: een rechtspersoon aan wie voor de uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker vergunning is verleend krachtens de Wet op het bevolkingsonderzoek;

  • b.

    onderzoek: het in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker maken van een borstfoto door een laborant en beoordeling van deze foto door twee radiologen;

  • c.

    screeningseenheid: al dan niet mobiele accommodatie ingericht voor het maken van een borstfoto in het kader van een onderzoek.

Artikel

49

Voor de uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar borstkanker kan de minister aan de

volgende screeningsorganisaties een instellingssubsidie verstrekken:

  • a.

    Stichting Bevolkingsonderzoek Borstkanker Noord-Nederland te Groningen;

  • b.

    Stichting Vroege Opsporing Borstkanker te Enschede;

  • c.

    Stichting Kankerpreventie IKA te Amsterdam;

  • d.

    Stichting Bevolkingsonderzoek Borstkanker West-Nederland te Leiden;

  • e.

    Stichting Preventicon te Utrecht;

  • f.

    Stichting Vroege Opsporing Kanker Oost-Nederland te Nijmegen;

  • g.

    Stichting Bevolkingsonderzoek Borstkanker Zuidwest-Nederland te Rotterdam;

  • h.

    Stichting Bevolkingsonderzoek Borstkanker Zuid te ’s Hertogenbosch;

  • i.

    Stichting Kankerpreventie en -⁠screening Limburg te Maastricht.

Artikel

50

Subsidie als bedoeld in artikel 49 wordt slechts verstrekt:

  • a.

    voor bevolkingsonderzoek naar borstkanker bij vrouwen in de leeftijdsgroep 50 tot en met 75 jaar;

  • b.

    voor zover van vrouwen geen betalingen worden verlangd voor deelname aan het onderzoek.

Artikel

51

De subsidie, bedoeld in artikel 49, bedraagt ten hoogste het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

(A × B) + C + D + E

waarbij wordt verstaan onder:

  • A.

    het aantal onderzoeken dat de subsidieontvanger in het subsidiejaar uitvoert;

  • B.

    een vergoeding per onderzoek ten bedrage van € 48,50;

  • C.

    een toeslag of correctie voor de regiogrootte, die als volgt wordt berekend:

    (F–A) × (G / F);

  • D.

    een toeslag voor de start- en aanloopkosten van extra screeningseenheden van maximaal € 24.509, indien:

    • a.

      de extra screeningseenheden naar het oordeel van de minister noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bevolkingsonderzoek en

    • b.

      de subsidie zonder deze toeslag voor start- en afloopkosten ontoereikend is om alle kosten te dekken;

  • E.

    een toeslag tot een maximum van € 21.864 voor de kosten van een assistent-projectleider, indien:

    • a.

      de subsidieontvanger in het subsidiejaar meer dan 100.000 onderzoeken verricht en

    • b.

      de subsidie is zonder deze toeslag voor de assistent-projectleider niet toereikend is om de extra kosten te dekken;

  • F.

    het gemiddeld aantal onderzoeken per screeningsorganisatie, bepaald op basis van het voor het subsidiejaar landelijk aantal te realiseren onderzoeken door alle centra, gedeeld door het aantal screeningsorganisaties;

  • G.

    het bedrag van de genormeerde kosten van het regionaal verband dat bij de subsidiëring van het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar in aanmerking is genomen.

Artikel

52

Artikel

53

In afwijking van artikel 23, derde lid, worden toevoegingen aan voorzieningen niet gerekend tot de lasten van de activiteiten waarvoor een subsidie als bedoeld in artikel 49 wordt verstrekt.

§

4

Pre- en postnatale preventie

Artikel

54

Voor de uitvoering van het nationaal programma pre- en postnatale preventie bij zwangeren en pasgeborenen kan de minister een projectsubsidie verstrekken.

Artikel

55

De subsidie, bedoeld in artikel 54, kan worden verstrekt aan de volgende entadministraties:

  • a.

    Stichting Entadministratie Noord Nederland voor de provincies Groningen, Friesland en Drenthe;

  • b.

    Stichting Entorganisatie voor Overijssel en Flevoland voor de provincies Overijssel en Flevoland;

  • c.

    Stichting Provinciale Entadministratie Gelderland voor de provincie Gelderland;

  • d.

    Stichting Entadministratie Utrecht & Noord-Holland voor de provincies Utrecht en Noord-Holland, met uitzondering van de gemeente Amsterdam;

  • e.

    Stichting regionale Entadministratie Zuid-Holland voor de provincie Zuid-Holland, met uitzondering van de gemeente Rotterdam;

  • f.

    Stichting Provinciale Kraamzorg & Entadministratie Zeeland;

  • g.

    Stichting Provinciale Entadministratie Noord-Brabant voor de provincie Noord-Brabant;

  • h.

    Stichting Provinciale Entadministratie Limburg voor de provincie Limburg;

  • i.

    Gemeentelijke gezondheidsdienst te Amsterdam voor de gemeente Amsterdam;

  • j.

    Gemeentelijke gezondheidsdienst te Rotterdam voor de gemeente Rotterdam.

Artikel

56

De subsidie, bedoeld in artikel 54, wordt verstrekt voor:

  • a.

    bloedonderzoek bij zwangere vrouwen, uitgevoerd rondom de twaalfde week van de zwangerschap, naar ABO bloedgroep, rhesus-D-factor, irregulaire erytrocytenantistoffen, hepatitis B surface antigen, hiv antistoffen en lues;

  • b.

    de confirmatie en nadere typering door de laboratoria van opgespoorde lues, hiv antistoffen en hepatitis B surface antigen;

  • c.

    bloedonderzoek door Sanquin Diagnostiek of het Bijzonder Instituut voor Bloedgroepen Onderzoek bij positief bevonden IEA screening rondom de twaalfde week, betreffende:

    • 1°.

      bevestiging van positieve screeningsresultaat irregulaire erytrocytenantistoffen en nadere specificering van antistoffen met het bloed van de moeder, en

    • 2°.

      fenotypering met het bloed van de biologische aanstaande vader;

  • d.

    bloedonderzoek door Sanquin Diagnostiek en Bijzonder Instituut voor Bloedgroepen Onderzoek in de dertigste week van de zwangerschap van de rhesus-D negatieve zwangere vrouw betreffende:

    • 1°.

      bloedgroep en rhesus-D-antigeen,

    • 2°.

      de aanwezigheid van antistoffen tegen het rhesus-D-antigeen;

  • e.

    laboratoriumonderzoek van het navelstrengbloed van de pasgeborene van de rhesus-D-negatieve moeder op bloedgroep en rhesus-D-antigeen;

  • f.

    anti-rhesus-D-immunoglobuline in de dosering van 1000 I.E. voor rhesus-D-negatieve zwangere vrouwen zonder levend kind rond de dertigste week van de zwangerschap en na bevalling van een rhesus-D-positief kind en bij de overige medische indicaties;

  • g.

    anti-rhesus-D-immunoglobuline in de dosering van 375 I.E. voor toediening na abortus en de overige medische indicaties van de tiende tot en met twintigste week van de zwangerschap voor een rhesus-D-negatieve zwangere vrouw;

  • h.

    passieve immunisatie na de geboorte door toediening van hepatitis B immunoglobuline (Hblg) 150 I.E. aan pasgeborenen, waarvan de moeder drager is van het hepatitis B virus.

Artikel

58

Artikel

59

§

5

Nationaal programma grieppreventie

Artikel

60

Voor de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie kan de minister een instellingssubsidie verlenen aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht.

Artikel

61

De subsidie, bedoeld in artikel 60, wordt verstrekt voor griepvaccinaties die huisartsen in de periode 1 september 2006 tot en met 30 april 2007 geven aan:

  • a.

    patiënten met afwijkingen en functiestoornissen van de luchtwegen en longen;

  • b.

    patiënten met een chronische stoornis van de hartfunctie;

  • c.

    patiënten met diabetes mellitus;

  • d.

    patiënten met chronische nierinsufficiëntie;

  • e.

    patiënten met furunculose, hun gezinsleden en daarmee vergelijkbare personen;

  • f.

    patiënten die recent een beenmergtransplantatie hebben ondergaan;

  • g.

    personen geïnfecteerd met hiv;

  • h.

    kinderen en adolescenten in de leeftijd van 6 maanden tot 18 jaar die langdurig salicylaten gebruiken;

  • i.

    verstandelijk gehandicapten in intramurale voorzieningen;

  • j.

    personen van 65 jaar of ouder; of

  • k.

    personen met verminderde weerstand tegen infecties.

Artikel

62

In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 60, van 1 september van enig jaar tot en met 31 augustus van het daar op volgende jaar.

Artikel

63

Voor de subsidie, bedoeld in artikel 60, komen in aanmerking:

  • a.

    de kosten van griepvaccins;

  • b.

    de kosten van aflevering van de griepvaccins;

  • c.

    de kosten van toediening van de griepvaccins;

  • d.

    overige kosten van de uitvoering van het nationaal programma, voor zover opgenomen in een door de minister goedgekeurde begroting.

Artikel

64

De subsidie, bedoeld in artikel 60, bedraagt voor het boekjaar van 1 september 2006 tot en met 31 augustus 2007, ten hoogste € 38.492.931.

Artikel

65

In afwijking van artikel 23, derde lid:

  • a.

    bedraagt het totaal van de in artikel 23, eerste lid, bedoelde reservering in enig jaar ten hoogste 5% van het bedrag van de voor dat jaar verleende subsidie, als bedoeld in artikel 60, zonder toepassing van de in artikel 5 bedoelde vermindering;

  • b.

    worden toevoegingen aan voorzieningen niet gerekend tot de lasten van de activiteiten waarvoor een subsidie als bedoeld in artikel 60 wordt verstrekt.

Artikel

66

De stichting, genoemd in artikel 60, draagt zorg voor:

  • a.

    het registreren tot welke risicogroepen, bedoeld in artikel 61, onderdelen a tot en met k, gevaccineerden behoren;

  • b.

    het gedurende ten minste vijf jaren bewaren van de registratie, bedoeld onder a.

Artikel

67

De stichting, genoemd in artikel 60:

  • a.

    verleent medewerking aan de publieksvoorlichting over het Nationaal Programma Grieppreventie en aan de evaluatie van het Nationaal Programma Grieppreventie, die door de minister of door andere organisaties in opdracht van de minister worden uitgevoerd;

  • b.

    draagt er zorg voor dat de huisartsen die deelnemen aan de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie, zich verplichten hun medewerking te verlenen aan de evaluatie bedoeld onder a.

§

6

Aanvullende curatieve soa-bestrijding

Artikel

68

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    verzorgingsgebied:

    • 1°.

      de provincies Noord-Holland en Flevoland,

    • 2°.

      de provincies Overijssel en Gelderland,

    • 3°.

      de provincies Friesland, Drenthe en Groningen,

    • 4°.

      het noordwestelijke deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Alkemade, Alphen aan den Rijn, Delft, Den Haag, Hillegom, Jacobswoude, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam/Voorburg, Liemeer, Lisse, Midden-Delfland, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Rijnsburg, Rijnwoude, Rijswijk, Sassenheim, Ter Aar, Valkenburg, Voorhout, Voorschoten, Warmond, Wassenaar, Westland, Zoetermeer en Zoeterwoude,

    • 5°.

      het zuidoostelijke deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van het noordwestelijke deel van de provincie Zuid-Holland,

    • 6°.

      de provincies Zeeland en Brabant,

    • 7°.

      de provincie Limburg, of

    • 8°.

      de provincie Utrecht;

  • b.

    coördinerende GGD: de instelling die in stand houdt of de instellingen die in stand houden:

    • 1°.

      de GGD van de gemeente Amsterdam,

    • 2°.

      de GGD Regio Nijmegen,

    • 3°.

      de Hulpverleningsdienst (GGD) van de gemeenschappelijke regeling Hulpverlening en Openbare Gezondheidszorg Groningen,

    • 4°.

      de afdeling GGD van de Dienst OCW van de gemeente Den Haag,

    • 5°.

      de GGD van de gemeente Rotterdam,

    • 6°.

      de GGD van het openbaar lichaam Hart voor Brabant,

    • 7°.

      de GGD Oostelijk Zuid-Limburg, of

    • 8°.

      de GG&GD van de gemeente Utrecht;

  • c.

    soa:

    • 1°.

      chlamydia trachomatis, gonorroe, syfilis, hiv of hepatitis B voor zover deze seksueel overdraagbare aandoening niet eerder bij de desbetreffende patiënt is geconstateerd, of

    • 2°.

      chlamydia trachomatis, gonorroe of syfilis voor zover deze seksueel overdraagbare aandoening is geconstateerd nadat de desbetreffende patiënt eerder voor de aandoening succesvol is behandeld;

  • d.

    soa-bestrijding: het in het verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD anders dan in het kader van de curatieve gezondheidszorg verlenen of doen verlenen van de volgende zorg met betrekking tot de daarbij genoemde soa’s:

    • 1°.

      indicatiestelling, anamnese, lichamelijk onderzoek, counseling, voorlichting en afname en doen testen van lichaamsmateriaal voor de diagnostiek van chlamydia trachomatis, gonorroe, syfilis, hiv en hepatitis B,

    • 2°.

      behandeling van en op indicatie verwijzing ter behandeling van chlamydia trachomatis, gonorroe en syfilis,

    • 3°.

      verwijzing ter behandeling van hiv en hepatitis B, en

    • 4°.

      registratie van gegevens ten behoeve van onderzoekingen die erop zijn gericht inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid op het gebied van collectieve preventie en onderzoek naar de ontwikkeling van het voorkomen van soa’s;

  • e.

    soa-coördinatie: het ten behoeve van het verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD:

    • 1°.

      coördineren van het aanbod van soa-bestrijding, en

    • 2°.

      waarborgen dat de soa-bestrijding voldoet aan artikel 70;

  • f.

    soa-onderzoek: onderzoek in een specifiek met het oog op het functioneren ten behoeve van de gezondheidszorg geaccrediteerd laboratorium van lichaamsmateriaal als bedoeld onder c, sub 1°, naar ten minste chlamydia trachomatis, gonorroe en syfilis.

Artikel

69

De minister kan aan een coördinerende GGD jaarlijks een instellingssubsidie verstrekken voor soa-coördinatie en soa-bestrijding in het verzorgingsgebied waar de coördinerende GGD is gevestigd, indien in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt verstrekt:

  • a.

    het totaal aantal soa’s dat in het verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD in het kader van de soa-bestrijding werd geconstateerd, ten minste gelijk is aan het getal dat wordt uitgedrukt met letter E in de formule, bedoeld in artikel 71, eerste lid;

  • b.

    er in het verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD in het kader van de soa-bestrijding in totaal ten minste vier keer zoveel soa-onderzoeken werden verricht dan er soa’s werden geconstateerd.

Artikel

70

De coördinerende GGD draagt er ten behoeve van zijn verzorgingsgebied zorg voor dat in het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt verstrekt:

  • a.

    er gepaste soa-coördinatie en toereikende soa-bestrijding worden uitgevoerd;

  • b.

    de soa-bestrijding is gericht op:

    • 1°.

      personen die behoren tot groepen in de samenleving met een verhoogd risico op een soa,

    • 2°.

      personen die in het kader van de bron- en contactopsporing gewaarschuwd zijn voor een soa,

    • 3°.

      personen met klachten die wijzen op een soa, en

    • 4°.

      personen die bij een soa-onderzoek anoniem wensen te blijven;

  • c.

    van cliënten geen betalingen worden verlangd voor soa-bestrijding;

  • d.

    de soa-bestrijding is afgestemd op de collectieve preventie en de curatieve gezondheidszorg;

  • e.

    de soa-bestrijding wordt uitgevoerd in samenwerking met andere gemeentelijke gezondheidsdiensten binnen het verzorgingsgebied;

  • f.

    de soa-bestrijding van verantwoorde kwaliteit is;

  • g.

    uiterlijk 2 maanden na afloop van ieder kwartaal aan de minister op door hem te bepalen wijze worden verstrekt de gegevens over het aantal soa-onderzoeken en het aantal geconstateerde soa’s, alsmede de door hem te bepalen gegevens ten behoeve van onderzoek naar de ontwikkeling van het voorkomen van soa’s.

Artikel

71

Artikel

72

In afwijking van artikel 71, eerste lid, wordt het aantal soa’s in 2004 en 2005 ontleend aan onderzoeksgegevens van de minister over het voorkomen van soa’s.

Artikel

73

Artikel

74

Artikel

75

De artikelen 23, 24, 32, 33 en 35 zijn niet van toepassing op een instellingssubsidie voor soa-coördinatie en soa-bestrijding.

Hoofdstuk

III

Slotbepalingen

Artikel

76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel

77

Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of vastgesteld is de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet van toepassing zoals deze luidde op het moment dat de subsidie werd verleend of vastgesteld.

Artikel

78

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

79

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling publieke gezondheid.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.F.Hoogervorst