Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 september 2005, nr. PG-2.611.880, houdende de regels inzake de verstrekking van subsidies op het terrein van de publieke gezondheid (Subsidieregeling publieke gezondheid)

Subsidieregeling publieke gezondheid

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Besluit:

Hoofdstuk

I

Algemene subsidiebepalingen

§

1

Begrippen en algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b.

    instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld;

  • c.

    instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling voor de kosten van haar structurele activiteiten, of een gedeelte van die kosten;

  • d.

    accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • e.

    projectsubsidie: een subsidie voor activiteiten aan een instelling die anders dan als instellingssubsidie wordt verstrekt;

  • f.

    uitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel

2

Deze regeling is van toepassing op de subsidies, bedoeld in Hoofdstuk II.

Artikel

3

§

2

Berekeningswijze

Artikel

4

Een subsidie of een uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt, bestaat uit een door de minister vast te stellen bedrag voor overeenkomstig een door de minister goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.

Artikel

5

Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Voorzover hierin lasten zijn begrepen van materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa berekend.

Artikel

6

Vervallen

§

3

Berekeningswijze projectsubsidies

Artikel

7

Vervallen

§

4

Modellen en formulieren

Artikel

8

De minister kan de volgende modellen en formulieren vaststellen:

  • a.

    een formulier voor de aanvraag van subsidie;

  • b.

    een model voor de begroting;

  • c.

    een model voor het activiteitenplan;

  • d.

    een model voor het activiteitenverslag;

  • e.

    een model controleverklaring;

  • f.

    een model voor het rapport feitelijke bevindingen;

  • g.

    een model assurancerapport;

  • h.

    een formulier voor de aanvraag van de vaststelling van de subsidie.

§

5

Aanvraag van een instellingssubsidie

Artikel

9

Artikel

10

§

6

Aanvraag van een projectsubsidie

Artikel

11

Vervallen

Artikel

12

Vervallen

Artikel

13

Vervallen

§

7

Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel

14

De minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel

15

Artikel

16

Vervallen

§

8

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel

17

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:

  • a.

    de doeleinden, gesteld in het activiteitenplan, op doelmatige wijze worden nagestreefd;

  • b.

    de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; en

  • c.

    de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.

Artikel

18

De subsidieontvanger zorgt er voorts voor:

  • a.

    dat de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd;

  • b.

    dat de administratie een juist, volledig en actueel beeld geeft van het functioneren van de instelling; en

  • c.

    dat van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken aanwezig zijn waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen of van de verrichte diensten duidelijk blijken.

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

20a

Vervallen

Artikel

21

Artikel

22

De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de in het activiteitenplan voorgenomen activiteiten.

Artikel

23

Artikel

24

Op de balans worden de voorzieningen, gesplitst naar hun aard, en de reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen en reservering toegelicht.

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn. De minister kan ook andere gevallen aanwijzen waarin de bepaling niet geldt.

Artikel

30

Artikel

31

Indien bij de minister het vermoeden is gerezen dat artikel 28 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen.

§

9

De aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel

32

Artikel

33

De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de instelling en geeft de nodige informatie om de subsidie vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen tussen declaratie en begroting worden toegelicht. In de subsidiedeclaratie van instellingssubsidies wordt de aansluiting tussen de subsidiedeclaratie en de jaarrekening toegelicht.

Artikel

34

Artikel

35

§

10

De vaststelling van de subsidie

Artikel

36

Binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 32, geeft de minister een beschikking tot vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk

II

Specifieke subsidiebepalingen

§

1

Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

Artikel

37

Vervallen

Artikel

38

Vervallen

Artikel

39

Vervallen

Artikel

40

Vervallen

§

2

Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel

41

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    screeningsorganisatie: Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland;

  • b.

    screeningslaboratorium: een laboratorium dat in opdracht van een screeningsorganisatie vaginaal materiaal onderzoekt;

  • c.

    primair uitstrijkje: het naar aanleiding van een uitnodiging in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker in de huisartsenpraktijk afnemen van vaginaal materiaal van een vrouw, dat in een screeningslaboratorium wordt getest op hrHPV en waarop in geval van een positieve hrHPV-test vervolgens ook een cytologische beoordeling plaatsvindt;

  • d.

    hrHPV: hoogrisico Humaan Papilloma Virus;

  • e.

    hrHPV-test: een test op hoogrisico Humaan Papilloma Virus;

  • f.

    cytologische beoordeling: een microscopisch onderzoek van vaginaal materiaal op afwijkende cellen;

  • g.

    zelfafnameset (ZAS): een afnameset waarmee de vrouw in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker zelf vaginaal materiaal afneemt en opstuurt naar een screeningslaboratorium, dat dit test op hrHPV;

  • h.

    controle-uitstrijkje: het, indien het onderzoek van vaginaal materiaal afgenomen door een primair uitstrijkje of zelfafnameset resulteert in een positieve hrHPV-test en een negatieve cytologische beoordeling, in de huisartsenpraktijk twaalf maanden later afnemen van vaginaal materiaal van de desbetreffende vrouw, waarop in een screeningslaboratorium een cytologische beoordeling plaatsvindt;

  • i.

    uitstrijkje na hrHPV-positieve ZAS: het, indien het vaginaal materiaal uit een ZAS resulteert in een positieve hrHPV-test, in de huisartsenpraktijk afnemen van vaginaal materiaal van de desbetreffende vrouw, waarop in een screeningslaboratorium een cytologische beoordeling plaatsvindt;

  • j.

    overige organisatiekosten: de overige indirecte kosten die de screeningsorganisatie maakt in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker en die niet direct aan de onderzoeken bedoeld in onderdeel c, f, g, h en i te koppelen zijn.

Artikel

42

Artikel

43

Vervallen

Artikel

44

De screeningsorganisatie draagt er voor zorg dat de verhouding tussen de bij de uitvoering van het bevolkingsonderzoek betrokken partijen is geregeld in een samenwerkingsovereenkomst, waarin ten minste zijn opgenomen de afbakening van het werkgebied, de organisatorische vormgeving en de daarbij behorende financiële afspraken.

Artikel

45

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 42, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

  • a.

    de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker;

  • b.

    het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker ten behoeve van de proces- en effect-evaluatie;

Artikel

46

Artikel

46a

Vervallen

Artikel

47

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van de som van het aantal Qpu en Qzas, bedoeld in artikel 46, van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

Artikel

47a

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker als bedoeld in artikel 42 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

§

3

Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel

48

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    screeningsorganisatie: Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland;

  • b.

    onderzoek: het in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker maken van een borstfoto door een laborant en beoordeling van deze foto door twee radiologen;

  • c.

    screeningseenheid: al dan niet mobiele accommodatie ingericht voor het maken van een borstfoto in het kader van een onderzoek.

Artikel

49

Voor de uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar borstkanker kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de screeningsorganisatie.

Artikel

50

Subsidie als bedoeld in artikel 49 wordt slechts verstrekt:

  • a.

    voor bevolkingsonderzoek naar borstkanker bij vrouwen in de leeftijdsgroep van 50 tot en met 75 jaar, alsmede transmannelijke en genderdiverse personen in de leeftijdsgroep van 50 tot en met 75 jaar met borstweefsel die geen borst verwijderende operatie hebben ondergaan en zich hebben aangemeld bij de screeningsorganisatie in de leeftijdsgroep 50 tot en met 75 jaar;

  • b.

    voor zover van de personen, bedoeld onder a, geen betalingen worden verlangd voor deelname aan het onderzoek;

  • c.

    voor zover de screeningsorganisatie met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 52b.

Artikel

51

Artikel

52

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 49, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

  • a.

    de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker;

  • b.

    het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker ten behoeve van de proces- en effect-evaluatie;

  • c.

    een wijze van uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker die bijdraagt aan de versterking van de infrastructuur van de kankerscreening.

Artikel

52a

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van het aantal onderzoeken naar borstkanker van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

Artikel

52b

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar borstkanker als bedoeld in artikel 49 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

§

4

Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel

53

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    onderzoek: het in het kader van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker beoordelen van bloed in ontlasting door een laborant met eventuele doorverwijzing voor coloscopie voor aanvullend diagnostisch onderzoek;

  • b.

    screeningsorganisatie: Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland.

Artikel

54

Voor de uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de screeningsorganisatie.

Artikel

55

Subsidie als bedoeld in artikel 54 wordt slechts verstrekt:

  • a.

    voor onderzoek bij alle personen in de leeftijdsgroep 55 tot en met 75 jaar;

  • b.

    voor zover van de personen, bedoeld onder a, geen betalingen worden verlangd voor deelname aan het onderzoek;

  • c.

    voor zover de screeningsorganisatie met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 59.

Artikel

56

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 54, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

  • a.

    de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker;

  • b.

    de verwijzing ten behoeve van nadere diagnostiek;

  • c.

    het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker en over de nadere diagnostiek naar darmkanker, een en ander ten behoeve van de proces- en effectevaluatie;

  • d.

    een wijze van uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker die bijdraagt aan de versterking van de infrastructuur van de kankerscreening.

Artikel

57

Artikel

58

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van het aantal onderzoeken naar darmkanker van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

Artikel

59

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar darmkanker als bedoeld in artikel 54 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel

59a

Vervallen

§

5

Nationaal programma grieppreventie

Artikel

60

Voor de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht.

Artikel

61

De subsidie, bedoeld in artikel 60, wordt verstrekt voor griepvaccinaties die in de periode van 1 september van enig jaar tot en met 30 april van het daarop volgende jaar worden toegediend door:

  • a.

    huisartsen aan:

    • 1°.

      patiënten met afwijkingen en functiestoornissen van de luchtwegen en longen;

    • 2°.

      patiënten met een chronische stoornis van de hartfunctie;

    • 3°.

      patiënten met diabetes mellitus;

    • 4°.

      patiënten met chronische nierinsufficiëntie;

    • 5°.

      patiënten die recent een beenmergtransplantatie hebben ondergaan;

    • 6°.

      personen geïnfecteerd met hiv;

    • 7°.

      kinderen en adolescenten in de leeftijd van 6 maanden tot 18 jaar die langdurig salicylaten gebruiken;

    • 8°.

      personen vanaf 60 jaar, inclusief personen die voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarvoor subsidie wordt verstrekt 60 jaar worden;

    • 9°.

      personen met verminderde weerstand tegen infecties;

    • 10°.

      personen met morbide obesitas en een body mass index van 40 of hoger;

    • 11°.

      personen onder de 60 jaar met dementie;

    • 12°.

      personen met cochleaire implantaten; of

    • 13°

      personen met een verstandelijke beperking die niet verblijven in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen;

  • b.

    artsen aan personen als bedoeld onder a die verblijven in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen.

Artikel

62

In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 60, van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daarop volgende jaar.

Artikel

63

In het boekjaar van 1 mei 2025 tot en met 30 april 2026 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 60, uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

Qt x Pt + U

waarbij wordt verstaan onder:

Qt. het aantal griepvaccins, bedoeld in artikel 61, onderdeel a, dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt in het kader van het Nationaal Programma Grieppreventie wordt toegediend;

Pt. een bedrag van € 15,62;

U. het verschil tussen de overige baten en lasten van de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie, voor zover opgenomen in een door de minister goedgekeurde begroting, tot ten hoogste € 700.000.

Artikel

64

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 60, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot de kwaliteit van het Nationaal Programma Grieppreventie.

Artikel

65

In afwijking van artikel 23 bedraagt het totaal van de in artikel 23, eerste lid, bedoelde reservering van de overschotten van de instellingssubsidies, bedoeld in artikel 60 en 67a, ten hoogste € 275.000.

Artikel

67

De stichting, genoemd in artikel 60:

  • a.

    verleent medewerking aan de publieksvoorlichting over het Nationaal Programma Grieppreventie en aan de evaluatie van het Nationaal Programma Grieppreventie, die door de minister of door andere organisaties in opdracht van de minister worden uitgevoerd;

  • b.

    draagt er zorg voor dat de huisartsen die deelnemen aan de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie, zich verplichten hun medewerking te verlenen aan de evaluatie bedoeld onder a.

§

5a

Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel

67a

Voor de uitvoering van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht.

Artikel

67b

De subsidie, bedoeld in artikel 67a, wordt verstrekt voor vaccinaties tegen de pneumokokkenziekte die in de periode van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daaropvolgende jaar worden toegediend door:

Artikel

67c

In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 67a, van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daaropvolgende jaar.

Artikel

67d

Artikel

67e

Vervallen

Artikel

67f

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 67a, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot de kwaliteit van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte.

Artikel

67g

Vervallen

Artikel

67h

De stichting, genoemd in artikel 67a, draagt er zorg voor dat huisartsen, bedoeld in artikel 67b, de gevaccineerden registreren en deze registratie gedurende ten minste twintig jaren bewaren.

Artikel

67i

De stichting, genoemd in artikel 67a:

  • a.

    verleent medewerking aan de publieksvoorlichting over de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte en aan de evaluatie hiervan, die door de minister of door andere organisaties in opdracht van de minister worden uitgevoerd;

  • b.

    draagt er zorg voor dat huisartsen die deelnemen aan de uitvoering van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte, zich verplichten hun medewerking te verlenen aan de evaluatie bedoeld onder a.

§

5b

Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel

67j

Vervallen

Artikel

67k

Vervallen

Artikel

67ka

Vervallen

Artikel

67l

Vervallen

Artikel

67la

Vervallen

Artikel

67m

Vervallen

Artikel

67n

Vervallen

Artikel

67o

Vervallen

Artikel

67p

Vervallen

§

5c

Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel

67q

Vervallen

Artikel

67r

Vervallen

Artikel

67s

Vervallen

Artikel

67t

Vervallen

Artikel

67u

Vervallen

Artikel

67v

Vervallen

Artikel

67w

Vervallen

§

6

Seksuele gezondheid

§

6.1

Algemeen

§

6.2

Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

Artikel

72

Vervallen

Artikel

73

Vervallen

Artikel

74

Vervallen

Artikel

76**

Vervallen

§

6.3

Soa-onderzoek tot en met eerste helft van 2007

Artikel

75a

Vervallen

§

6.4

Artikel

75b

Vervallen

Artikel

75c

Vervallen

Artikel

75d

Vervallen

Artikel

75e

Vervallen

Artikel

75f

Vervallen

Artikel

75g

Vervallen

Artikel

75h

Vervallen

Artikel

75i

Vervallen

§

6.5

Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Artikel

75j

Vervallen

Artikel

75k

Vervallen

Artikel

75l

Vervallen

Artikel

75m

Vervallen

Artikel

75n

Vervallen

Artikel

75o

Vervallen

Artikel

75p

Vervallen

§

7

Medicamenteuze zwangerschapsafbreking via de huisarts

Artikel

75q

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    medicamenteuze zwangerschapsafbreking: medicamenteuze afbreking van de zwangerschap die voldoet aan artikel 6a van de Wet afbreking zwangerschap;

  • b.

    terhandstelling van medicatie voor zwangerschapsafbreking: de terhandstelling van medicatie voor de zwangerschapsafbreking door apothekers, inclusief het indienen van de bijbehorende declaratie bij de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie;

  • c.

    voorschrijvend consult voor medicamenteuze zwangerschapsafbreking: het consult waarin de medicatie voor de zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven door een huisarts als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Wet afbreking zwangerschap, inclusief de bijbehorende verplichte registratie bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en het indienen van de declaratie bij de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie.

Artikel

75r

De minister kan jaarlijks een instellingssubsidie verstrekken aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht voor:

  • a.

    het verstrekken van vergoedingen aan huisartsen voor de voorschrijvende consulten voor medicamenteuze zwangerschapsafbrekingen aan personen die overeenkomstig de Wet langdurige zorg zijn verzekerd;

  • b.

    het verstrekken van vergoedingen aan apothekers voor terhandstellingen van medicatie voor zwangerschapsafbreking aan personen die overeenkomstig de Wet langdurige zorg zijn verzekerd; en

  • c.

    ondersteunende activiteiten ten behoeve van het zorgdragen voor het verstrekken van de vergoedingen bedoeld onder a en b.

Artikel

75t

In afwijking van artikel 4 wordt de hoogte van de te verlenen subsidie, bedoeld in artikel 75r, eerste lid, per boekjaar berekend overeenkomstig de volgende formule:

(Qh * Ph) + (Qa1 * Pa1) + (Qa2 * Pa2) + (Qa3 * Pa3) + U

waarbij wordt verstaan onder:

Qh. het verwachte aantal declaraties van voorschrijvende consulten voor medicamenteuze zwangerschapsafbreking dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verleend wordt ingediend bij de stichting;

Ph. een bedrag van € 135,20 per voorschrijvend consult;

Qa1. het verwachte aantal declaraties van terhandstellingen van mifepriston en vier tabletten misoprostol dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verleend, wordt ingediend bij de stichting;

Pa1. een bedrag van € 79,05 per terhandstelling van mifepriston en vier tabletten misoprostol;

Qa2. het verwachte aantal terhandstellingen van vier tabletten misoprostol dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verleend wordt ingediend bij de stichting;

Pa2. een bedrag van € 24,00 per terhandstelling van vier tabletten misoprostol;

Qa3. het verwachte aantal terhandstellingen van mifepriston en acht tabletten misoprostol dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verleend, wordt ingediend bij de stichting;

Pa3. een bedrag van € 87,05 per terhandstelling van mifepriston en acht tabletten misoprostol;

U. de verwachte kosten van de ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 75r, eerste lid, onderdeel c, voor zover opgenomen in een door de minister goedgekeurde begroting, tot ten hoogste € 150.000.

Artikel

75v

Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte kosten in het boekjaar waarvoor de subsidie is verleend, met betrekking tot:

Hoofdstuk

III

Slotbepalingen

Artikel

76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel

77

Vervallen

Artikel

78

Artikel

79

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling publieke gezondheid.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.F.Hoogervorst