Keuringsreglement COKZ Boerenkaas 2006

Keuringsreglement COKZ Boerenkaas 2006

Het bestuur van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (bij afkorting: COKZ),
Gelet op artikel 10, eerste lid, onder e, van de Landbouwkwaliteitswet (Stb. 1971, 371), artikel 6 van de Landbouwkwaliteitsregeling kaas 2006, alsmede artikel 36, tweede lid, van de statuten van genoemde Stichting (Stcrt. 1992, 63);
Heeft op 29 december 2005 vastgesteld het navolgende reglement:

Hoofdstuk

1

Terminologie

Artikel

1

In dit reglement wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de terminologie van de Landbouwkwaliteitsregeling kaas overgenomen en wordt voorts verstaan onder:

regeling: Landbouwkwaliteitsregeling kaas 2006;

boerenkaas: boerenkaas die is voorzien van een rijkskaasmerk of is bestemd om te worden voorzien van een rijkskaasmerk;

rijkskaasmerk: het rijkskaasmerk als bedoeld in artikel 3 van de regeling;

productdossier: productdossier als bedoeld in artikel 14, tweede lid van de regeling;

bereider: producent van boerenkaas;

afleveren: afleveren van kaas na de verplichte bewaartermijn van de desbetreffende kaas;

directeur: directeur van het COKZ;

directeur Industrie en Handel: directeur Industrie en Handel van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

bestuur: bestuur van het COKZ.

Hoofdstuk

2

Voorschriften inzake rijkskaasmerken

Artikel

2

Rijkskaasmerken in de vorm van caseïneplaatjes

Artikel

3

Rijkskaasmerken in de vorm van etiketten of rechtstreeks aangebracht op de verpakking

Artikel

4

Artikel

5

Hoofdstuk

3

Voorschriften inzake boerenkaas

Administratieve voorschriften met betrekking tot boerenkaas

Artikel

6

Artikel

7

Voorschriften inzake de keuring van boerenkaas

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Het resultaat van de in artikel 8, derde lid, bedoelde onderdelen van de keuring wordt door middel van één of meer keuringsformulieren, houdende de bemonsteringsgegevens en de analyse- en/of keuringsresultaten aan de bereider van de boerenkaas bekend gemaakt.

Artikel

11

Artikel

12

Hoofdstuk

4

Methoden voor monsterneming en onderzoek

Artikel

13

Voor de vaststelling of boerenkaas voldoet aan het bij het besluit of bij de regeling bepaalde moet worden gebruik gemaakt van de in bijlage 1 vermelde methoden van monsterneming en onderzoek. Indien voor een bepaald doel een methode ontbreekt, moet een door het bestuur goedgekeurde en gevalideerde methode worden toegepast.

Hoofdstuk

5

Voorschriften inzake het maken van bezwaar tegen monsterneming en keuringsuitslagen

Het maken van bezwaar tegen de monsterneming

Artikel

14

Het maken van bezwaar tegen de keuringsuitslag

Artikel

15

Het inwinnen van advies

Artikel

16

Hoofdstuk

6

Algemene en slotbepalingen

Artikel

17

Aangeslotenen zijn verplicht alle plaatsen, waar bereidingshandelingen plaatsvinden in het kader van de Landbouwkwaliteitsregeling kaas, onverwijld ter kennis te brengen van het COKZ, onder opgave van het adres en de plaats van vestiging.

Artikel

18

Dit reglement kan worden aangehaald als ‘Keuringsreglement COKZ boerenkaas 2006’, en treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Het bestuur van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel.

Bijlage

1

Methoden van monsterneming en onderzoek

Indien in het navolgende wordt verwezen naar elders gepubliceerde methoden van monsterneming en onderzoek is de versie waarnaar hier wordt verwezen van toepassing, tenzij anders is bepaald.

In het geval van grensreacties is bij de desbetreffende methode aangegeven het aantal malen (n) dat een in de eis vermelde hoeveelheid analysemonster moet worden onderzocht en het maximum aantal malen dat een positief resultaat wordt toegelaten (a).

A. Geheel of gedeeltelijk ontroomde melk, room en kaasmelk

1. Monsterneming: volgens de methoden beschreven in annex 1

2. Voorbehandeling voor fysisch en chemisch onderzoek: volgens NEN 3742: 1994

3. Bepaling van de zuurtegraad: volgens NEN 913: 1963, met dien verstande dat het resultaat wordt uitgedrukt in mmol NaOH per liter. In geval van room wordt de werkwijze toegepast zoals voor melk is beschreven in NEN 913: 1963, met dien verstande dat:

  • 10 g room tot op 10 mg wordt gewogen en met 10 ml koolzuurvrij demiwater wordt gemengd;

  • voor de standaardkleur aan de blanco 1 ml van de standaard kleurstofoplossing wordt toegevoegd;

  • aan de te titreren vloeistof 1 ml indikatoroplossing wordt toegevoegd;

  • het resultaat uitgedrukt in mmol NaOH per 100 g vetvrije waar, wordt berekend door vermenigvuldiging van de uitkomst met 100/(100 – F), waarin F het vetgehalte in % (m/m) is. Om het resultaat uit te drukken in de vetvrije waar wordt het vetgehalte in melk bepaald volgens IDF 1D:1996 en in room volgens IDF 16C: 1987.

4. Bepaling van het lactaatgehalte: volgens de methode beschreven in annex 2. Monsters met een lactaatgehalte hoger dan 80 mg per 100 g vetvrije droge stof worden onderzocht volgens IDF 69B: 1987, met dien verstande dat 10 g monster wordt ingewogen. Om het resultaat uit te drukken in vetvrije droge stof wordt het vetgehalte in melk bepaald volgens IDF 1D: 1996, en het drogestofgehalte volgens de methode vermeld onder A.8.

B. Kaaskorstbehandelingsmiddelen

1. Monsterneming: volgens de methode beschreven in annex 6.

C. Kaas

1. Monsterneming: volgens de methode beschreven in annex 14.

2. Voorbehandeling voor fysisch en chemisch onderzoek: volgens NEN 3752: 1979.

3. Bepaling van het vochtgehalte;

referentiemethode: volgens NEN 3754: 1981;

routinemethode: volgens ontwerp-NEN 3755: 1997, toepasbaar op kaas die niet ouder is dan vier weken.

4. Bepaling van het vetgehalte:

referentiemethode: volgens NEN 3757: 1979;

routinemethode: volgens NEN 3758: 1980, toepasbaar op kaas die niet ouder is dan een half jaar.

5. Bepaling van het nitraat- en nitrietgehalte: volgens IDF 189-2:2001.

6. Bepaling van de fosfatase-activiteit in kaas: volgens NEN 3774: 1978.

7. Bepaling van de pH van kaas: volgens NEN 3775: 1979.

8. Bepaling van het natriumgehalte in kaas die niet meer dan 1 g natrium per kg bevat: volgens NEN 3771: 1979

9. Bepaling van het natamycinegehalte in kaas(korst): volgens IDF 140A: 1992.

10. Aantonen bijmenging koemelk in geiten- of schapenkaas: volgens de methode beschreven in Verordening (EG) Nr. 1081/96 van de Commissie van 14 juni 1996.

11. Organoleptische keuring: volgens de methode beschreven in annex 19.

12. Bepaling van het aantal lactobacillen: volgens NEN 6815: 2001.

13. Bepaling van het aantal coli-achtige micro-organismen: volgens ISO 4832:2006

14. Bepaling van het aantal Escherichia coli: volgens IDF 170B: 1998.

15. Bepaling van het aantal Staphylococcus aureus: volgens ISO 6888.

16. Onderzoek naar afwezigheid van Listeria ssp. in 1 of 25 g volgens screeningmethode COKZ-A 348 en bevestiging van aanwezigheid van Listeria monocytogenes volgens ISO 11290-1 (1996), met dien verstande:

  • dat kaasschmier wordt onderzocht zoals voor kaas in de methode is beschreven;

  • dat watermonsters worden onderzocht zoals voor melk in de methode is beschreven;

  • dat kruiden worden onderzocht na bereiding van een suspensie, waarbij aan het monster een negenvoudige hoeveelheid van het tot ca. 37 °C opgewarmde ophopingsmedium wordt toegevoegd waarna het monster 3 min wordt gesuspendeerd met een suspendeertoestel;

  • dat swaps worden onderzocht nadat de inhoud van het swapbuisje inclusief de swap is toegevoegd aan ca. 45 ml van het tot ca. 37 °C opgewarmde ophopingsmedium;

  • dat veegdoekjes worden onderzocht nadat 225 ml van het tot ca. 37 °C opgewarmde ophopingsmedium aan het veegdoekje is toegevoegd.

17. Onderzoek naar afwezigheid van Salmonella in 5 x 25 g: volgens screeningmethode COKZ–A 349 en bevestiging van aanwezigheid van Salmonella volgens IDF 93B: 1995.