Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 24 februari 2006, nr. SAS2005209115, houdende mandateringen en machtigingen van bevoegdheden krachtens de Kernenergiewet (Regeling mandaat en machtiging vergunningen, ontheffingen en goedkeuringen Kernenergiewet 2005)

Regeling mandaat en machtiging vergunningen, ontheffingen en goedkeuringen Kernenergiewet 2005

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, alsmede, voor zover het mede aan hen toekomende bevoegdheden betreft, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Besluiten:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet, voor het bereiden, vervoeren, voorhanden hebben, toepassen, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen, dan wel zich ontdoen van radioactieve stoffen.

Artikel

4

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 34 van de wet juncto artikel 23 Besluit stralingsbescherming, voor het verrichten van handelingen met ioniserende stralen uitzendende toestellen.

Artikel

5

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen toestemming te geven voor overdracht van een vergunning als bedoeld in artikel 70, derde lid, van de wet.

Artikel

6

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen ontheffingen te verlenen krachtens de artikelen 31, derde lid en 123 van het Besluit stralingsbescherming, van de controle- en administratieplicht voor aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen zijn toegevoegd en van de in paragraaf 3.3 van het Besluit stralingsbescherming genoemde voorschriften voor toestellen en radioactieve stoffen en van de administratieplicht voor en de eisen aan de administratie van handelingen met radioactieve stoffen en ioniserende straling uitzendende toestellen.

Artikel

7

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen een oordeel te vormen als bedoeld in artikel 45, onder c en d van het Besluit stralingsbescherming, dat het belang van de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren, en indien al eerder vergunning voor een toestel van hetzelfde type met betrekking tot dezelfde plaats is verleend, niet te verwachten is dat door gebruikmaking van de gevraagde vergunning meer schade kan ontstaan dan bij de eerder verleende vergunning in aanmerking is genomen.

Artikel

11

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen ontheffingen te verlenen als bedoeld in artikel 8, derde lid, artikel 10, derde lid, artikel 11, artikel 12, artikel 14, tweede lid, artikel 16, tweede lid, artikel 19, tweede lid, en artikel 22, tweede lid, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen Kernenergiewet, van het VSG (Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen), het VBG (Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen), het VLG (Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen) en bijlage 18 van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerlijke luchtvaart en de daarbij behorende technische voorschriften.

Artikel

12

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen richtlijnen vast te stellen inzake de inhoud van een milieueffectrapport als bedoeld in artikel 7.15 van de Wet milieubeheer, indien een dergelijk rapport ter voorbereiding van een besluit op grond van de wet wordt gemaakt.

Artikel

13

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen ontheffingen te verlenen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Regeling detectie radioactief besmet schroot, van de voorschriften met betrekking tot detectieapparatuur, de wijze van meten en de omstandigheden waaronder de metingen worden verricht en van de voorschriften met betrekking tot de registratie van meetgegevens.

Artikel

14

Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen mededelingen te doen als bedoeld in artikel 15 van het Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981, welke bijdrage betrokkene is verschuldigd, op welke wijze betaling van de bijdrage kan plaatsvinden en binnen welke termijn deze dient te geschieden.

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

19

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

20

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling mandaat en machtiging vergunningen, ontheffingen en goedkeuringen Kernenergiewet 2005.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. vanGeel
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H.A.L. vanHoof
De Minister van Economische Zaken, L.J.Brinkhorst
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.F.Hoogervorst
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, M.H.Schultz van Haegen
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.P.Veerman