Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006 Directie Arbeidsmarktbeleid, nr. AM/ESM/06/100794, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds ter verwezenlijking van de doelstelling ‘Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid’ (Subsidieregeling ESF 2007–2013)

Subsidieregeling ESF 2007–2013

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Overwegende dat het noodzakelijk is dat met betrekking tot de besteding van de gelden die voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 uit het Europees Sociaal Fonds aan Nederland worden toegewezen ter verwezenlijking van de doelstelling Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PbEU 2006, L210), nadere regels worden gesteld in het verlengde van en met inachtneming van die verordening, alsmede verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 (PbEU 2006, L210), en Commission regulation setting out rules for the implementation of Council Regulation (EC) no. 1083/2006 laying down general provisions on the European Regional Development Fund, the European Social Fund and the Cohesion Fund and of Regulation (EC) No. 1080/2006 of the European Parliament and of the Council on the European Regional development Fund;

Besluit:

Hoofdstuk

1

Inleidende bepalingen

Artikel

1.1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel

1.2

Doel van de regeling

Artikel

1.3

Subsidieplafond

Artikel

1.4

Verdeling maximaal beschikbaar bedrag Actie A, doelgroep artikel 2.1.1, onder b, Actie C, voor zover sprake is van een eerste verlening op grond van deze regeling en Actie D, voor zover sprake is van een subsidieaanvraag die is ingediend op of na 1 januari 2009

Artikel

1.5

Verdeling maximaal beschikbaar bedrag Actie A, doelgroep artikel 2.1.1, onder a en c, Actie C, voor zover geen sprake is van een eerste verlening op grond van deze regeling, Actie D, voor zover sprake is van een subsidieaanvraag die is ingediend voor 1 januari 2009, en Actie E

Artikel

1.6

Aanwijzing van autoriteiten

Hoofdstuk

2

Subsidiabele projecten

Paragraaf

1

Projecten in het kader van Actie A

Artikel

2.1.1

Doel projecten Actie A

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, heeft tot doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing te vergroten van personen die behoren tot de volgende doelgroepen:

  • a.

    niet-uitkeringsontvangers;

  • b.

    arbeidsbelemmerden, dan wel gedeeltelijk-arbeidsgeschikten met een aanvullende WWB-uitkering, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV, alsmede personen met een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80%; of

  • c.

    55-plussers met een WWB-uitkering, een IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV.

Artikel

2.1.2

Eisen ten aanzien van projecten Actie A

Artikel

2.1.3

Nadere eisen projecten Actie A

Onverminderd artikel 2.1.2 komt een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, waarvoor een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds als subsidieaanvrager optreedt, slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    dat Opleidings- en Ontwikkelingsfonds door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager is erkend, en

  • b.

    dat Opleidings- en Ontwikkelingsfonds bij de uitvoering van het project op basis van een overeenkomst, die voor de feitelijke aanvang van het project aan de minister is overgelegd, samenwerkt met een college van burgemeester en wethouders, dan wel met colleges van burgemeester en wethouders of met het UWV.

Artikel

2.1.5

Prioritering projecten Actie A – doelgroep artikel 2.1.1, onder a

Artikel

2.1.6

Prioritering projecten Actie A – doelgroep artikel 2.1.1, onder c

Paragraaf

2

Projecten in het kader van Actie B

Artikel

2.2.1

Doel projecten Actie B

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, heeft tot doel gedetineerden van 15 jaar of ouder of civielrechtelijk in Jeugdinrichtingen verblijvende jongeren, een startkwalificatie te doen verwerven, of anderszins voor te bereiden op een functie op de reguliere arbeidsmarkt en na afloop van hun detentie, dan wel hun civielrechtelijk verblijf in een Jeugdinrichting, op een reguliere arbeidsplaats te doen plaatsen.

Artikel

2.2.2

Eisen ten aanzien van projecten Actie B

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het doel, bedoeld in artikel 2.2.1;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

  • c.

    ten aanzien van de in artikel 2.2.1 genoemde personen de methodiek van individuele trajectbegeleiding wordt toegepast;

  • d.

    reeds tijdens de detentieperiode, dan wel verpleegperiode, over de vorm en inhoud van de individuele trajectbegeleiding contact wordt opgenomen met de gemeente, waar de deelnemer aan het project, naar zijn zeggen, na zijn invrijheidstelling zijn woonplaats als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet werk en bijstand zal hebben;

  • e.

    het project niet mede wordt gefinancierd uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven; en

  • f.

    de projectresultaten om niet beschikbaar worden gesteld aan de minister of door hem aangewezen derden.

Paragraaf

3

Projecten in het kader van Actie C

Artikel

2.3.1

Doel projecten Actie C

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, heeft tot doel leerlingen die staan ingeschreven bij een school voor praktijkonderwijs, dan wel bij een school voor voortgezet speciaal onderwijs, dan wel in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan de start van het project ingeschreven hebben gestaan bij een school voor praktijkonderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs, voor te bereiden op, of toe te geleiden naar een functie op de reguliere arbeidsmarkt, dan wel beschermde arbeidsmarkt, of toe te geleiden naar een vervolgopleiding op MBO-1 niveau of naar het Beroepsbegeleidend onderwijs.

Artikel

2.3.2

Eisen ten aanzien van projecten Actie C

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het doel, bedoeld in artikel 2.3.1;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

  • c.

    het project start na 31 juli van een kalenderjaar;

  • d.

    het project gericht is op deelnemers van 15 jaar of ouder, die naar het oordeel van de school in aanvulling op het reguliere onderwijs ondersteuning nodig hebben ten tijde van de periode dat de deelnemers als leerling voor het praktijkonderwijs staan ingeschreven en begeleiding na het verlaten van de school ten behoeve van arbeidsintegratie, dan wel ondersteuning nodig hebben ten tijde van de periode dat de deelnemers als leerling voor het voortgezet speciaal onderwijs staan ingeschreven en begeleiding na het verlaten van de school ten behoeve van arbeidsintegratie;

  • e.

    de onder d bedoelde deelnemers door de school zijn geregistreerd als deelnemer aan een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c;

  • f.

    het project niet mede wordt gefinancierd uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven;

  • g.

    de projectresultaten om niet beschikbaar worden gesteld aan de minister, of door hem aangewezen derden; en

  • h.

    de subsidie op grond van deze regeling wordt aangewend voor de bekostiging van de navolgende, op de deelnemer gerichte activiteiten:

    • arbeidskundig onderzoek, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 900,– bedragen;

    • leerlingwerkplaatsen in directe samenhang met branches en bedrijven, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de school, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 3000,– bedragen;

    • branchegerichte cursussen met een civiel effect, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 4000,– bedragen;

    • vormgeven en intensivering van begeleiding na het verlaten van de school, niet zijnde stagebegeleiding, op basis van een overeenkomst, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 2000,– bedragen; of

    • ondersteuning van de onder 1° tot en met 4° genoemde activiteiten door netwerkvorming in relatie tot arbeidsintegratie.

Artikel

2.3.3

Prioritering projecten Actie C

Paragraaf

4

Projecten in het kader van Actie D

Artikel

2.4.1

Doel projecten Actie D

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, heeft tot doel de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van werkenden te vergroten.

Artikel

2.4.2

Eisen ten aanzien van projecten Actie D

Artikel

2.4.3

Prioritering projecten Actie D

Paragraaf

5

Projecten in het kader van Actie E

Artikel

2.5.1

Doel projecten Actie E

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, heeft tot doel de arbeidsproductiviteit te verhogen als gevolg van de vernieuwing van de wijze waarop de arbeid is georganiseerd door middel van het innoveren van werkwijzen, werkprocessen en arbeidsverhoudingen en het maximaal benutten van competenties, gericht op het verbeteren van de bedrijfsprestaties en ontplooiing van talent.

Artikel

2.5.2

Eisen ten aanzien van projecten Actie E

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het doel, bedoeld in artikel 2.5.1;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

  • c.

    het project is gericht op de thema’s, genoemd in het Operationeel Programma;

  • d.

    deelname aan het project slechts openstaat voor werkgevers;

  • e.

    het project wordt gesteund door zowel de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers, als diens werknemers die betrokken zijn bij het project;

  • f.

    de in de subsidieaanvraag begrote subsidiabele kosten van het project ten minste € 67.000,– en ten hoogste € 160.000,– bedragen;

  • g.

    de beoogde resultaten van het project algemeen overdraagbaar zijn;

  • h

    het project bijdraagt aan de implementatie van sociale innovatie;

  • i.

    het project niet mede wordt gefinancierd uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven; en

  • j.

    de projectresultaten om niet beschikbaar worden gesteld aan de minister of door hem aangewezen derden.

Hoofdstuk

3

Subsidiabele kosten/hoogte subsidie

Artikel

3.1

Subsidiabele kosten projecten actie A

Artikel

3.2

Subsidiabele kosten projecten actie B

Artikel

3.3

Subsidiabele kosten projecten actie C

Artikel

3.4

Subsidiabele kosten projecten actie D

Artikel

3.5

Subsidiabele kosten projecten actie E

Artikel

3.6

Niet-subsidiabele kosten

Zo nodig in afwijking van de artikelen 3.1 tot en met 3.5 wordt geen subsidie verleend:

  • a.

    in strijd met de Implementatieverordening;

  • b.

    voor naar het oordeel van de minister onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • c.

    voor kosten gemaakt ter uitvoering van activiteiten, die naar het oordeel van de minister redelijkerwijs niet passen binnen de met het project beoogde doelstelling;

  • d.

    voor kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen;

  • e.

    voor de loonkosten verbonden aan werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen welke zijn aangegaan of bekostigd in het kader van de Wet werk en bijstand;

  • f.

    voor de loonkosten van een persoon die in het kader van de Wet sociale werkvoorziening een dienstverband met de gemeente dan wel met een reguliere werkgever heeft;

  • g.

    voor verletkosten.

Artikel

3.7

Middelen van derden

Indien de subsidieaanvrager voor de financiering van het te subsidiëren project middelen van een derde inzet, geschiedt dit op basis van een schriftelijke overeenkomst met, dan wel een schriftelijke toezegging van die derde. In de schriftelijke overeenkomst, dan wel schriftelijke toezegging wordt de bijdrage die door de derde wordt verschaft vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaronder deze ter beschikking wordt gesteld.

Artikel

3.8

Hoogte subsidie

Artikel

3.9

Maximale subsidie per betrokken college actie A en aanvrager actie D

Hoofdstuk

4

Subsidieaanvrager

Artikel

4.1

Subsidieaanvrager

Artikel

4.2

Erkenning Opleidings- en Ontwikkelingsfonds als subsidieaanvrager

Artikel

4.3

Verplichting erkende subsidieaanvrager

Het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister als subsidieaanvrager is erkend doet onverwijld mededeling aan de minister van omstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de erkenning als subsidieaanvrager.

Artikel

4.4

Intrekking erkenning als subsidieaanvrager

De minister trekt de beschikking tot erkenning als subsidieaanvrager schriftelijk in, indien gebleken is dat het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds niet langer aan een van de onderdelen van artikel 4.2, eerste lid, onder a tot en met f, voldoet.

Hoofdstuk

5

Subsidieaanvraag

Artikel

5.1

Aanvraagtijdvakken

Artikel

5.2

Subsidieaanvraag per project

De subsidieaanvraag heeft betrekking op één project.

Artikel

5.3

Subsidieaanvraag door rechtspersoon

De subsidieaanvraag door een rechtspersoon wordt ingediend door het bestuur.

Artikel

5.4

Aanvraagformulier

De subsidieaanvraag wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.

Artikel

5.5

Subsidie uit anderen hoofde

Indien de subsidieaanvrager voor dezelfde subsidiabele kosten uit andere hoofde dan deze regeling van het rijk, een provincie of een gemeente tevens subsidie heeft aangevraagd of ontvangt, dan wel in verband daarmee van anderen inkomsten verwerft, doet hij daarvan mededeling aan de minister.

Artikel

5.6

Nader te overleggen stukken bij de subsidieaanvraag

Artikel

5.7

Overige nader te overleggen stukken bij de subsidieaanvraag Actie D

Artikel

5.7a

Overige nader te overleggen stukken bij de subsidieaanvraag Actie A

Onverminderd artikel 5.6 wordt bij de subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder a, b of c, desgevraagd een document overgelegd waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager door de andere bij het project betrokken partijen gemachtigd is de subsidie aan te vragen.

Artikel

5.7b

Overige nader te overleggen stukken bij de subsidieaanvraag Actie E

Onverminderd artikel 5.6 wordt bij de subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, desgevraagd overgelegd:

  • a.

    een nadere uitwerking van het thema, genoemd in het Operationeel Programma, waarop het project gericht zal zijn;

  • b.

    een analyse van de sociale innovatiepotentie;

  • c.

    een document waaruit blijkt dat het projectplan voldoende draagvlak heeft bij de betrokken werkgever, dan wel betrokken werkgevers;

  • d.

    een beschrijving van de beoogde aanpak om binnen de projectperiode tot een implementatieplan te komen en de testfase uit te voeren;

  • e.

    een beschrijving van de wijze waarop het implementatieplan bij de betrokken werkgever, dan wel betrokken werkgevers, ingebed en buiten die werkgever, dan wel die werkgevers, verspreid kan worden; of

  • f.

    een document waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager door de andere bij het project betrokken partijen gemachtigd is de subsidie aan te vragen.

Artikel

5.8

Beslissing subsidieaanvraag

Hoofdstuk

6

Afwijzen subsidieaanvraag

Artikel

6.1

Afwijzen subsidieaanvraag

De subsidieaanvraag wordt door de minister afgewezen, indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan in deze regeling gestelde eisen;

  • b.

    subsidieverlening in strijd is met artikel 1.2, eerste lid;

  • c.

    subsidieverlening tot gevolg heeft dat het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 1.3, wordt overschreden;

  • d.

    met het project geen start zal worden gemaakt binnen een tijdsbestek van acht maanden na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag;

  • e.

    de kosten van het project naar het oordeel van de minister niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • f.

    naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;

  • g.

    naar het oordeel van de minister onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden;

  • h.

    naar het oordeel van de minister onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;

  • i.

    het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s; of

  • j.

    naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan artikel 9.1;

  • k.

    deze op grond van artikel 1.5, derde lid, tweede zin, niet meedoet aan de loting, bedoeld in dat lid.

Hoofdstuk

7

Subsidieverlening

Artikel

7.1

Adressant subsidieverlening

De minister verleent de subsidie aan de subsidieaanvrager.

Artikel

7.2

Subsidie uit andere hoofde

Indien de subsidieaanvrager voor dezelfde subsidiabele kosten uit anderen hoofde dan deze regeling van het rijk, een provincie of een gemeente tevens subsidie heeft aangevraagd of ontvangt, dan wel in verband daarmee van anderen inkomsten verwerft, wordt bij de subsidieverlening met die andere subsidies of inkomsten rekening gehouden.

Artikel

7.3

Beschikking tot subsidieverlening

Artikel

7.4

Intrekken beschikking tot subsidieverlening

Hoofdstuk

8

Bevoorschotting

Artikel

8.1

Voorschot

Hoofdstuk

9

Verplichtingen begunstigde

Artikel

9.1

Administratieverplichtingen

Artikel

9.2

Rapportageverplichtingen

Artikel

9.3

Verantwoording

Artikel

9.4

Publiciteit en evaluatie

Hoofdstuk

10

Subsidievaststelling

Artikel

10.1

Subsidievaststelling

Hoofdstuk

11

Terugvordering

Artikel

11.1

Terugvordering

Hoofdstuk

12

Slotbepalingen

Artikel

12.2

Inwerkingtreding

Artikel

12.3

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF 2007–2013

Deze regeling zal met de toelichting en bijlage 2 in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 1, 3 en 4 worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

Den Haag
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H.A.L. vanHoof

Bijlage

1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

Bijlage

2

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

Bijlage

3

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

Bijlage

4

Wordt in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter inzage gelegd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

Bijlage

5

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.