Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 december 2006, nr. KvI2006327794, houdende regels voor de subsidiëring van nieuwe gemeentelijke en provinciale projecten, gericht op CO2-reductie (Vervolgsubsidieregeling BANS klimaatconvenant 2007)

Vervolgsubsidieregeling BANS klimaatconvenant 2007

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Besluit:

Artikel

1

Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    uitvoeringskosten: kosten voor personeel, onderzoek en communicatie;

  • b.

    Prestatiekaart gemeenten: het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen overzicht van thema's en doelstellingen, onderscheiden in een actief, voorlopend en innovatief niveau, die zijn gericht op CO2-reductie;

  • c.

    Prestatiekaart provincies: het in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen overzicht van thema's en doelstellingen, onderscheiden naar niveaus, die zijn gericht op CO2-reductie;

  • d.

    basispakket: pakket van ten minste twee, door de gemeente of provincie aan de Prestatiekaart gemeenten onderscheidenlijk de Prestatiekaart provincies ontleende doelstellingen of ten minste twee door de gemeente of de provincie zelf gedefiniëerde doelstellingen met daarbij behorende projecten, ter uitvoering van het gemeentelijk onderscheidenlijk provinciaal klimaatbeleid;

  • e.

    pluspakket: pakket van ten minste vier, door de gemeente of provincie aan de Prestatiekaart gemeenten onderscheidenlijk de Prestatiekaart provincies ontleende doelstellingen of ten minste vier door de gemeente of de provincie zelf gedefiniëerde doelstellingen met daarbij behorende projecten, ter uitvoering van het gemeentelijk onderscheidenlijk provinciaal klimaatbeleid;

  • f.

    grondoppervlak: oppervlakte aan land dat binnen de gemeente- of provinciegrenzen valt, met uitzondering van buitenwater;

  • g.

    Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Artikel

2

Doel

Deze regeling heeft als doel de uitvoering van het gemeentelijk en provinciaal klimaatbeleid verder te stimuleren, opdat gemeenten en provincies die reeds subsidie hebben ontvangen op grond van de Subsidieregeling BANS klimaatconvenant, gedurende een jaar hun bijdrage aan de reductie van de CO2 uitstoot in Nederland intensiveren.

Artikel

3

Beoordelingscriteria

Een gemeente of een provincie komt voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het basis- of pluspakket, waarvoor subsidie wordt gevraagd, geen doelstellingen of projecten omvat waar de gemeente of provincie op grond van de Subsidieregeling BANS Klimaatconvenant of uit anderen hoofde subsidie voor heeft ontvangen;

  • b.

    de aanvraag tot subsidieverlening vergezeld gaat van een plan van aanpak, opgesteld volgens een door de Minister beschikbaar gesteld model.

Artikel

4

Subsidiabele kosten

Artikel

5

Hoogte van de subsidie

Artikel

6

Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    het plan van aanpak, waarvoor subsidie is verleend, uit te voeren binnen één jaar na de datum van verlening van subsidie voor dat plan;

  • b.

    het verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit milieusubsidies binnen zes maanden na uitvoering van het plan van aanpak aan de Minister te verstrekken aan de hand van een door de Minister voorgeschreven model.

Artikel

7

Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor 2007 bedraagt: € 6.000.000,–.

Artikel

8

Aanvraag tot subsidieverlening en subsidievaststelling

Artikel

9

Voorschotten

Aan een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, waaraan subsidie is verleend, worden voorschotten ter beschikking gesteld ter grootte van:

  • a.

    50% van het verleende subsidiebedrag en wel binnen vier weken na de dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening, en

  • b.

    45% van het verleende subsidiebedrag en wel binnen twee weken, nadat zes maanden zijn verstreken na de dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel

11

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 2 januari 2007.

Artikel

12

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Vervolgsubsidieregeling BANS klimaatconvenant 2007.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,P.L.B.A. vanGeel

Bijlage

1

Prestatiekaart gemeenten

A. Gemeentelijke gebouwen en voorzieningen

Nieuwbouw

– Toepassen van een met 4–8% verscherpte Energie Prestatiecoëfficiënt (EPC).

– Toepassen van een met 8–12% verscherpte EPC.

– Toepassen van een met >12% verscherpte EPC.

– Realiseren van tenminste 1 innovatief voorbeeldproject.

Bestaande gebouwen

– Energiebeheer (met uitvoering zorgplicht) is ingevoerd voor alle gemeentelijke gebouwen.

– Bij renovaties uitvoeren van alle vaste en kostenneutrale energiemaatregelen uit het nationale pakket duurzame utiliteitsbouw.

– Een actief inkoopbeleid inzake energie (w.o. aandacht voor de herkomst).

– Minimaal 15% van het eigen gemeentelijk elektriciteitsverbruik is afkomstig van duurzame energiebronnen.

Extra t.o.v. actief:

– Bij renovaties uitvoeren van 30% van de variabele (niet-kostenneutrale) energiemaatregelen uit het nationale pakket duurzame utiliteitsbouw.

Extra t.o.v. voorlopend:

– Minimaal 40% van het eigen gemeentelijk elektriciteitsverbruik is afkomstig van duurzame energiebronnen.

Infrastructurele voorzieningen en installaties

– Bij renovaties uitvoeren van alle energiemaatregelen met een terugverdientijd van < 5 jaar.

Extra t.o.v. actief:

– Bij renovaties uitvoeren van alle energiemaatregelen met een terugverdientijd van < 10 jaar.

– Minimaal 15% van het elektriciteitsgebruik is afkomstig van duurzame energiebronnen.

Extra t.o.v. voorlopend:

– Een jaarlijkse efficiencyverbetering van 4% op het totale energiegebruik van alle voorzieningen en installaties.

– Minimaal 40% van het elektriciteitsgebruik is afkomstig van duurzame energiebronnen.

B. Woningbouw

Nieuwbouw

– Toepassen van een EPL van 6,8 tot 7,2 in woningbouwprojecten met meer dan 250 woningen.

– De inspanningsverplichting om bij nieuwbouw een verscherping van de EPC met 5–10% te bereiken.

– Toepassen van een EPL van 7,2 tot 8,0 in woningbouwprojecten met meer dan 250 woningen.

– De inspanningsverplichting om bij nieuwbouw een verscherping van de EPC met 10–15% te bereiken.

– De inspanningsverplichting dat alle nieuwe woningen worden uitgerust met een lage temperatuur verwarmings-systeem.

Extra t.o.v. voorlopend:

– Toepassen van een EPL van 8,0 tot 10 in woningbouwprojecten met meer dan 250 woningen.

– De inspanningsverplichting om bij nieuwbouw een verscherping van de EPC met 15–20% te bereiken.

– Realiseren van tenminste 1 innovatief voorbeeldproject.

Bestaande bouw

– Toepassen van een EPL van minimaal 6,0 bij renovatie- en herstructureringsprojecten met meer dan 250 woningen.

– Plan van Aanpak opgesteld voor uitvoering van EPA voor particuliere en huur-woningen.

– Minimaal 30% van de bestaande woningen is voorzien van een EPA.

Extra t.o.v. actief:

– Toepassen van een EPL van minimaal 6,5 bij renovatie- en herstructureringsprojecten met meer dan 250 woningen.

– Minimaal 40% van de bestaande woningen is voorzien van een EPA en 50% daarvan heeft subsidie aangevraagd voor maatregelen.

Extra t.o.v. voorlopend:

– Toepassen van een EPL van minimaal 7,0 bij renovatie- en herstructureringsprojecten met meer dan 250 woningen.

– Minimaal 50% van de bestaande woningen is voorzien van een EPA en 50% daarvan heeft subsidie aangevraagd voor maatregelen.

– Minimaal 30% van de woningeigenaren en -gebruikers is actief geïnformeerd m.b.t. het toepassen van energiebesparende maatregelen en het vertonen van energiebesparend gedrag.

– Realisering van minimaal 2 randvoorwaarden voor verbeteren toepassing duurzame energiebronnen.

– Minimaal 40% van de woningeigenaren en -gebruikers is actief geïnformeerd m.b.t. het toepassen van energiebesparende maatregelen en het vertonen van energiebesparend gedrag.

– In minimaal 5% van de woningen (huur en/of eigendom) worden energiebesparende maatregelen toegepast en/of wordt energiebesparend gedrag vertoond.

– Minimaal 50% van de woningeigenaren en -gebruikers is actief geïnformeerd m.b.t. het toepassen van energiebesparende maatregelen en het vertonen van energiebesparend gedrag.

– In minimaal 10% van de woningen (huur en/of eigendom) worden energiebesparende maatregelen toegepast en/of energiebesparend gedrag vertoond.

– Realisering van minimaal 1 extra randvoorwaarde voor verbeteren toepassing duurzame energiebronnen.

C. Bedrijven

– Bestaand instrumentarium gemeente getoetst op mogelijkheden voor stimulering van duurzame bedrijventerreinen (met energievoorziening als belangrijk

Extra t.o.v. actief:

– Minimaal 10% van de bedrijven heeft een EE- en DE-scan uitgevoerd en 50% daarvan heeft maatregelen getroffen.

Extra t.o.v. voorlopend:

– De gemeente legt als doel vast en bevordert dat het energiegebruik van bedrijven op nieuw te realiseren

item) en plan van aanpak in uitvoering genomen.

– Actief overleg en informatie-uitwisseling met lokaal bedrijfsleven over energiebesparing en duurzame energie.

– Voorlichtingstraject voor EE- en DE-scan uitgevoerd.

– Actieve rol bij uitvoering van de MJA-2.

– Ruimte gereserveerd voor energiebesparing en DE bij planontwikkeling bedrijven-terreinen op basis van een Energievisie.

– De gemeente legt als doel vast en bevordert dat het energiegebruik van bedrijven op nieuw te realiseren of te revitaliseren bedrijventerreinen voor minimaal 5% is gebaseerd op duurzame energiebronnen.

of te revitaliseren bedrijventerreinen voor minimaal 10% is gebaseerd op duurzame energiebronnen.

– Tenminste 1 innovatief project is uitgevoerd

D. Agrarische sector

– Actief overleg met standsorganisaties en uitvoering voorlichtingstraject over mogelijkheden energiebesparing en duurzame energie (EE- en DE-scan).

– Actieve rol bij uitvoering van het Glami-convenant (Glastuinbouw en milieu).

Extra t.o.v. actief:

– Minimaal 10% van de bedrijven heeft een EE- en DE-scan uitgevoerd en 50% daarvan heeft maatregelen getroffen.

– Uitvoeren van een plan van aanpak met als doel dat 5% van het agrarische energiegebruik is gebaseerd op duurzame energiebronnen.

Extra t.o.v. voorlopend:

– Uitvoeren van een plan van aanpak met als doel dat van het agrarische energiegebruik 10% is gebaseerd op duurzame energiebronnen.

– Tenminste 1 innovatief project uitgevoerd.

– In bestemmingsplannen is (waar relevant) ruimte gereserveerd voor bosaanplant.

E. Verkeer en Vervoer

Vervoer eigen organisatie

– Opstellen vervoersplan(nen).

– Energiebesparing is een criterium bij toetsen varianten voor vervanging eigen wagenpark.

– Aanschaffen nieuwe personenauto’s uitsluitend uit de klassen A en B van de Energie-etikettering.

Extra t.o.v. actief:

– Uitvoeren vervoersplan(nen) gericht op 25–50% verschuiving potentiële modal shift en/of verlaging potentiële autoratio.

– Op basis van een Milieu-efficiency scan (MES) van het eigen wagenpark wordt een

Extra t.o.v. voorlopend:

– Uitvoeren vervoersplan(en) gericht op 50-100% verschuiving potentiële modal shift en/of verlaging potentiële autoratio.

– Het actieplan gebaseerd op een Milieu-efficiency scan (MES) van het eigen wagenpark, wordt

actieplan opgesteld voor energiebesparing.

uitgevoerd.

– De CO2-uitstoot van dienstreizen wordt gecompenseerd door binnenlandse bosaanplant.

Automobiliteit, Langzaam verkeer (LV), Collectief vervoer (CV) en Openbaar vervoer (OV)

– Energiebesparing is aandachtspunt bij aanbesteding CV en OV.

– Vergroten inzicht in LV, CV (o.a. gedeeld autogebruik) en OV mogelijkheden.

– In beeld brengen automobiliteit

Extra t.o.v. actief:

– Inzet van Instrument Milieueisen bij openbaar vervoer (IMOVA) en vertaling daarvan in concrete milieu-eisen in de concessieverlening.

Extra t.o.v. voorlopend:

– Project ketenmobiliteit uitgevoerd.

– Bijdragen aan ontwikkeling en/of toepassing innovatieve vervoerssystemen.

en samenhangende milieuknelpunten.

– Vastleggen van prestatieafspraken ter verbetering van voorzieningen LV/OV/CV.

– Gezamenlijk vervoersmanagement voor bedrijventerreinen ingevoerd.

Ruimtelijke Ordening

– Uitvoeren VPL-studie bij (her)inrichting woonwijk of woningbouwprojecten met meer dan 500 woningen.

– Toepassen van minimaal 1 verkeer en vervoermaatregel uit het nationaal pakket duurzame stedenbouw.

Extra t.o.v. actief:

– Implementatie van de energiezuinige variant uit de VPL-studie.

– Uitvoeren haalbaarheidsonderzoek naar gecombineerde toepassing van duurzame energie bij infrastructuur (bijv. zon-pv op geluidschermen).

Extra t.o.v. voorlopend:

– Implementatie meest energiezuinige variant uit de VPL-studie.

F. Duurzame energie

– DE-scan is uitgevoerd.

– Bij uitbreidingsplannen is sprake van minimaal 70% zongerichte verkaveling.

– In bestemmingsplannen worden (indien relevant) locaties voor windenergie bestemd die voortvloeien uit het provinciaal beleid dan wel het BLOW.

Extra t.o.v. actief:

– Plan van aanpak wordt uitgevoerd met als doel dat van het totale energiegebruik in de gemeente 5% is gebaseerd op duurzame energiebronnen.

Extra t.o.v. voorlopend:

– Plan van aanpak wordt uitgevoerd met als doel dat van het totale energiegebruik in de gemeente 10% is gebaseerd op duurzame energiebronnen.

– De gemeente voert actief beleid voor inzameling en ter beschikking stellen van biomassa-reststromen voor energieopwekking.

Bijlage

2

Prestatiekaart provincies

Energie in provinciale gebouwen

Nieuwbouw

– Het toepassen van een met 4–8% verscherpte Energie Prestatiecoëfficient (EPC) en energiebeheer (met uitvoering zorgplicht) invoeren.

– Het toepassen van een met 8–12% verscherpte Energie Prestatiecoëfficient (EPC).

– Het realiseren van een landelijke voorbeeldfunctie of innovatief voorbeeldproject (minimum niveau >12% verscherpte Energie Prestatiecoëfficient (EPC) of bijvoorbeeld een ‘nul-energiegebouw’).

Bestaande bouw

– Bij renovaties uitvoeren van alle vaste en kostenneutrale energiemaatregelen uit het Nationaal Pakket Duurzame Utiliteitsbouw en energiebeheer (met uitvoering zorgplicht) invoeren in alle provinciale gebouwen.

– Bij renovaties uitvoeren van 30% van de variabele (niet kostenneutrale) energiemaatregelen uit het Nationaal Pakket Duurzame Utiliteitsbouw.

– Minimaal 50% van het energiegebruik van alle provinciale

– Het totale energiegebruik (100%) van alle provinciale gebouwen is afkomstig van duurzame energiebronnen.

– Ten minste 20% van het energiegebruik van het provinciegebouw zelf opwekken met

– Duurzame energiehuishouding als hard criterium meenemen bij het inkoopbeleid, waarbij minimaal 10% van het energiegebruik van alle provinciale gebouwen afkomstig is van duurzame energiebronnen.

gebouwen is afkomstig van duurzame energiebronnen

duurzame energiebronnen.

Energie en duurzaam ondernemen

Bedrijven

– Opstellen en uitvoeren van een actieplan voor het implementeren van de verbredingsthema’s duurzame energie en energiezuinige productontwikkeling1. De verbredingsthema’s zijn:– duurzame energie: bijvoorbeeld zon, wind, warmte, koude-warmte opslag, biomassa,– energiezuinige productontwikkeling: duurzame producten, optimalisatie van transport, logistiek en ketens, duurzame bedrijventerreinen bij minimaal 20% van de energie-

– Stimuleren en implementeren van duurzaam ondernemen bij de inrichtingen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, waarvoor de provincie bevoegd gezag is via een actieplan.

– De provincie is vooruitstrevend op het gebied van duurzaam ondernemen, bijvoorbeeld door provinciale pilotprojecten met een vernieuwend karakter, gebiedsgerichte uitwerking van

extensieve inrichtingen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer2Onder energie-extensieve inrichtingen wordt verstaan de inrichtingen met een energiegebruik tussen 0,001 en 0,01 PJ en inrichtingen die niet meedoen met het Convenant Benchmarking energie-efficiency en de Meerjarenafspraken energie-efficiency., waarvoor de provincie bevoegd gezag is.

– Organiseren en faciliteren van een actieplan van gemeenten en bedrijven voor energiedoorlichting- en, adviezen en invoering van maatregelen bij bedrijven, waarvoor de gemeente bevoegd gezag is.

– Organiseren en faciliteren van een implementatieplan van duurzaam ondernemen bij grote bedrijven en Midden- en kleinbedrijf - ondernemingen waar gemeente bevoegd gezag is.

grootschalige energie-uitwisseling of verdergaande afspraken met het bedrijfsleven.

Bedrijventerreinen

– Organiseren en faciliteren van een actieplan of projecten van gemeenten en bedrijfsleven om duurzame energiehuishouding op locatieniveau te implementeren op bedrijventerreinen (nieuw, bestaand en renovatie).

– Organiseren dat bij planvor-

– Bijdrage leveren aan het realiseren van bedrijventerreinen met een duurzame energiehuishouding door faciliteren of organiseren van de procesbegeleiding of implementatie, bijv. door de inzet van deskundige menskracht of via afspraken.

– Organiseren en faciliteren van het realiseren van de opzet en inrichting van een nul-energie bedrijventerrein door gemeenten en bedrijfsleven.

ming en beoordeling van plannen voor de ontwikkeling of revitalisering van (duurzame) bedrijventerreinen duurzame energiehuishouding expliciet als ontwerp- en inrichtingscriterium worden meegenomen.

– Bij het toetsen van ontwerp- en inrichtingsplannen en bestemmingsplannen die gericht zijn op de ontwikkeling of revitalisering van duurzame bedrijventerreinen duurzame energiehuishouding als criterium meenemen.

Energie in verkeer en vervoer

Organisatie, infrastructuur en voorzieningen

– Opstellen en uitvoeren van een vervoersactieplan voor provinciale medewerkers en het wagenpark (huur en eigendom) gericht op 10–25% verschuiving potentiële modal shift en een efficiencyverbetering van 5%

– Uitvoeren van een vervoersactieplan gericht op 25–50% verschuiving potentiële modal shift, verlaging potentiële autoratio en een efficiencyverbetering van 10%.

– Uitvoeren van vervoersactieplan gericht op 50–100% verschuiving potentiële modal shift, verlaging potentiële autoratio en een efficiencyverbetering van 15%.

– Opstellen en implementeren van een uitvoeringsplan energiebesparing en duurzame energie voor provinciale infrastructuur en voorzieningen (nieuw, bestaand en renovatie), waarbij ten minste alle energiemaatregelen met een terugverdientijd van < 5 jaar moeten worden uitgevoerd.

– Uitvoeren van het actieplan

energiebesparing en duurzame energie voor provinciale infrastructuur en voorzieningen waarbij ten minste alle energiemaatregelen met een terugverdientijd van < 10 jaar moeten worden uitgevoerd minimaal 15% van het elektriciteitsverbruik van provinciale infrastructuur en voorzieningen afkomstig is van duurzame energiebronnen.

– Opstellen en implementeren van een actieplan gericht op

ketenbenadering bij renovaties van infrastructuur en voorzieningen.

– Een jaarlijkse efficiencyverbetering van 4% op het totale energieverbruik van provinciale infrastructuur en voorzieningen of 40% van het elektriciteitsverbruik van provinciale infrastructuur en voorzieningen is afkomstig van duurzame energiebronnen.

Mobiliteit en ruimtelijke aspecten

– Duurzame energiehuishouding als criterium meenemen bij concessieverlening openbaar (bus)vervoer.

– Stimuleren en faciliteren van de implementatie van energiezuinig rijden, energiezuinig goederenvervoer of vervoersmanagement bij bedrijven.

– Duurzame energiehuishouding als hard criterium meenemen bij concessieverlening openbaar (bus)vervoer.

– Organiseren en faciliteren van een actieplan voor energiezuinig goederenvervoer (transportpreventie, energie-efficiënte stedelijke distributie, hogere beladings-

– Vernieuwer op het gebied van duurzaam vervoer en systeeminnovaties, bijvoorbeeld door een masterplan openbaar vervoer, ketenmobiliteit, experimenten met ondergrondse of innovatieve transportsystemen, stedelijke distributie of implementeren van de meest energiezuinige variant uit

– Stimuleren en faciliteren van gemeenten bij ontwerp en planvorming duurzame mobiliteit of de revitalisering en inrichting van (duurzame) woonwijken en werkgebieden.

graad via groupage, bundeling, overslagplaatsen).

– Organiseren en faciliteren van de uitvoering van regionale of lokale operationele plannen voor duurzame mobiliteit en ontwerp en aanleg van (duurzame) woonwijken en werkgebieden.

de VPR studie.

Energie in het landelijk gebied

Vernieuwing landelijk gebied

– Organiseren en implementeren van energiebesparing en duurzame energie bij planvorming en -uitwerking en uitvoeringsprojecten bij de gebiedsgerichte aanpak, plattelandsvernieuwing of bij de revitalisering van het landelijk gebied.

– Organiseren en faciliteren van het uitvoeren van maatregelen of voorzieningen energiebesparing en duurzame energie via uitvoeringsplannen (zoals teelt van bio-energiegewassen, windenergie, duurzame mestbe- en verwerkingsinstallaties e.d.).

– De provincie is vooruitstrevend bij grootschalige introductie van biomassa en andere duurzame energie-opties in de gebiedsgerichte aanpak of plattelandsvernieuwing.

– De CO2-uitstoot van dienstreizen compenseren door binnenlandse bosaanplant.

Agrarische bedrijven

– Stimuleren en faciliteren van de samenwerking en een projectmatige aanpak:

– Voor de planvorming en projectontwikkeling van nieuwe glastuinbouwvestigingen met een duurzame energiehuishouding.

– Organiseren en faciliteren van het uitvoeren van maatregelen gericht op het verminderen van de energiebehoefte, toepassen duurzame energie en efficiënte energielevering in de glastuinbouw.

– Organiseren en faciliteren van

– Implementeren van een innovatief voorbeeldproject en -locatie: bijvoorbeeld nul-CO2-emmissie glastuinbouw of nul-broeikasgasemissies agrarische bedrijven.

– Voor de mogelijkheden van collectieve energievoorzieningen (warmtenet, CO2- distributie) voor herstructureringsgebieden of -projecten.

– Stimuleren en implementeren van energiebesparing en duurzame energie bij agrarische bedrijven via een implementatieplan.

het uitvoeren van maatregelen gericht op het verminderen van de energiebehoefte, toepassen duurzame energie en efficiënte energielevering bij agrarische bedrijven.

Recreatie

– Samen met de recreatiebedrijven (al dan niet via de koepels) en de gemeenten een actieplan energiebesparing en duurzame energie in de recreatiesector opstellen en implementeren

– Organiseren en faciliteren van een gezamenlijk actieplan van de recreatiebedrijven gericht op invoeren van energiebesparing en duurzame energie in de recreatiesector.

– Organiseren en faciliteren van de inrichting van een camping , hotel of andere recreatievoorziening met landelijke voorbeeldfunctie of innovatief voorbeeldproject in Nederland (bijvoorbeeld nul-energie camping of hotel).

Energie in de bouw

Nieuwbouw

(prioritair thema)

– Implementeren en uitvoeren van een actieplan voor het op regionaal niveau organiseren en faciliteren van de uitvoering van nieuwbouwactiviteiten op het actieve niveau prestatiekaart door (met name kleinere) gemeenten.

– Implementeren en faciliteren van een actieplan voor de uitvoering van projecten (van gemeenten, projectontwikkelaars, woningcorporaties) met een voorlopend niveau prestatiekaart gemeenten.

– Bij het toetsen van alle

– Implementeren en faciliteren van een actieplan voor de uitvoering van projecten (van gemeenten, projectontwikkelaars, woningcorporaties) met een innovatief niveau prestatiekaart gemeenten.

– In het vooroverleg Wet op de Ruimtelijke Ordening principes energiebesparing en duurzame energie inbrengen.

bestemmingsplannen duurzame energiehuishouding als criterium meenemen.

Bestaande bouw

(prioritair thema)

– Implementeren en uitvoeren van een actieplan voor het op regionaal niveau organiseren en faciliteren van de uitvoering van bestaande bouw activiteiten op het actieve niveau prestatiekaart

– Implementeren en faciliteren van een actieplan voor de uitvoering van projecten (van gemeenten, projectontwikkelaars, woningcorporaties) met een voorlopend niveau prestatiekaart gemeenten.

– Bij het toetsen van alle

– Implementeren en faciliteren van een actieplan voor de uitvoering van projecten (van gemeenten, projectontwikkelaars, woningcorporaties) met een innovatief niveau prestatiekaart gemeenten.

door (met name kleinere) gemeenten.

– In het vooroverleg Wet op de Ruimtelijke Ordening principes energiebesparing en duurzame energie inbrengen.

bestemmingsplannen duurzame energiehuishouding als criterium meenemen.

Duurzame energie

(prioritair thema)

– De ruimtelijke randvoorwaarden en mogelijkheden voor duurzame energie en energiebesparing verankeren in de strategische en operationele provinciale plannen (Streekplan, omgevingsplan,… )

– Uitvoeren taakstelling en afspraken BLOW.

– Opstellen en implementeren van een plan van aanpak samen met gemeenten met als doel het realiseren van een aandeel duurzame energie van 5% in 2010 van het totale energiegebruik in de provincie.

– Opstellen en implementeren van een plan van aanpak met als doel het realiseren van een aandeel duurzame energie van 10% in 2010 van het totale energiegebruik in de provincie.

Van de volgende drie activiteiten minimaal één:

Van de volgende twee activiteiten minimaal één:

– Stimuleren en faciliteren van gemeenten en marktpartijen bij de uitvoering van duurzame energieprojecten

– Opstellen en implementeren stimulerings- en uitvoeringsprogramma duurzame energie

gericht op realisatie van marktconforme initiatieven.

– Organiseren en faciliteren van het uitvoeren van een stimulerings- en uitvoeringsprogramma duurzame energie gericht op realisatie van marktconforme en niet marktconforme projecten.

– Organiseren en faciliteren

– Opstellen en implementeren actieplan biomassa met de koers (beleid en uitvoering) voor de komende periode.

van het uitvoeren van een actieplan biomassa.