Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)

Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Hoofdstuk

1

Regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Paragraaf

1

Aanwijzingen

Artikel

1

Aangewezen werknemers

Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen:

  • a.

    de personen die in de Generale regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt;

  • b.

    de bestuurders van vennootschappen als bedoeld in artikel 132, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van de directeur-grootaandeelhouder;

  • c.

    de ambtsdragers behorende tot het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten;

  • d.

    de predikanten die een pensioenovereenkomst hebben gesloten met de Stichting voor de predikantspensioenen;

  • e.

    personen die zijn aangesteld als officieren door het Kerkgenootschap Leger des Heils in Nederland.

Artikel

3

Aangewezen verenigingen

Vervallen

Paragraaf

1a

Tijdelijke regeling pensioenknip

3a

Gelijkstelling met pensioen

Vervallen

3b

De tijdelijke uitkering

Vervallen

3c

De levenslange uitkering

Vervallen

3d

Resterend kapitaal

Vervallen

3e

Verplichting pensioenuitvoerder

Vervallen

Paragraaf

2

Consistentie verzekeraars en de voorwaardelijkheidsverklaring

Artikel

4

Vaststelling toeslagenlabel

Vervallen

Artikel

4a

Fictieve dekkingsgraden continuïteitsanalyse

Vervallen

Artikel

4b

Rekeninstrument verzekeraars

Vervallen

Artikel

4c

Gebruik toeslagenlabel

Vervallen

Artikel

4d

Vormvereisten toeslagenlabel

Vervallen

Artikel

5

Consistentie verzekeraars

Paragraaf

3

Reële dekkingsgraad

Artikel

7

Reële dekkingsgraad

De reële dekkingsgraad, bedoeld in artikel 133b van de Pensioenwet dan wel artikel 128b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is gelijk aan de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de beleidsdekkingsgraad die ingevolge artikel 137, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 132, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is vereist voor voorwaardelijke toeslagverlening ter hoogte van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Paragraaf

4

Vrijstellingsregeling

Artikel

8

Vrijstelling termijn tien jaar en aantal van zes

Artikel

9

Eisen aan de toelichting bij de begroting

Vervallen

Artikel

10

Eisen aan de gewijzigde of aanvullende begroting

Vervallen

Artikel

11

Indienen van jaarverslag en jaarrekening of verantwoording

Vervallen

Artikel

12

Eisen aan jaarrekening of verantwoording

Vervallen

Artikel

13

Eisen aan het jaarverslag

Vervallen

Hoofdstuk

2

Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Paragraaf

1

Communicatiebepalingen

Artikel

14

Informatie over de pensioenregeling

Vervallen

Artikel

14a

Rekenmethodiek weergave in scenario’s

Artikel

14b

Uitvoering rekenmethodiek

Artikel

14c

Berekeningen generieke rekenmethode

Artikel

14d

Berekeningen generieke methode uitkeringsovereenkomsten

Artikel

14e

Berekeningen generieke methode premieovereenkomsten

Artikel

14f

Uitgangspunten berekening rekenmethode 1

Artikel

14g

Berekeningen rekenmethode 1

Artikel

14h

Uitgangspunten berekening rekenmethode 2

Vervallen

Artikel

14i

Berekeningen rekenmethode 2

Vervallen

Artikel

14j

Normen rekenmethodiek

Paragraaf

1a

Maatstaven risicohouding

Artikel

15

Berekenen risicoblootstelling maatstaven

Paragraaf

2

Waardeoverdracht

Artikel

16

Bepaling rente

Artikel

18

Het standaardtarief

Artikel

19

Berekening pensioenaanspraken

Artikel

20

Afwijking standaardtarief

Vervallen

Paragraaf

2a

Standaardregel

Artikel

21

Standaardregel

Paragraaf

3

Betrouwbaarheid

Artikel

23

Vaststelling verschuldigd bedrag kosten

Vervallen

Hoofdstuk

3

Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen

Paragraaf

1

Vaststelling vereist eigen vermogen

Artikel

24

Standaardmodel

Artikel

25

Correlaties

Artikel

26

Partiële interne modellen

Artikel

27

Vereenvoudigd model

Vervallen

Artikel

28

Intern model

Artikel

29

Overgangsregeling

Paragraaf

2

Haalbaarheidstoets

Artikel

30

Haalbaarheidstoets

Artikel

30a

Uitvoering haalbaarheidstoets

Artikel

30b

Berekeningen haalbaarheidstoets

Artikel

30c

Normen haalbaarheidstoets

Hoofdstuk

4

Overgangsrecht

Artikel

31

Overgangsrecht Wet toekomst pensioenen

Hoofdstuk

5

Wijziging overige Ministeriele regelingen

Artikel

32

Wijzigt de Regeling voor berekening in geval van waarde-overdracht.

Artikel

33

Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981.

Artikel

34

Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995.

Artikel

35

Wijzigt de Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen.

Artikel

36

Wijzigt de Regeling vermogenswaardering Ioaz.

Artikel

37

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Artikel

38

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.J. deGeus

Bijlage

1

als bedoeld in artikel 2

1. Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;

2. het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;

3. het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;

4. het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;

5. het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;

6. de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;

7. de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;

8. de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;

9. de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;

10. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;

11. de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;

12. de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;

13. de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;

14. de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

15. de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;

16. de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;

17. de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;

18. de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;

19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);

20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank;

21. het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie;

22. het Satellietcentrum van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie.

Bijlage

1a

Procedures, formules en symbolen als bedoeld in artikel 15, tweede lid

Artikel

1

De risicomaatstaf

Artikel

2

De verwachtingsmaatstaf

Artikel

3

De lange termijn risicomaatstaf in de uitkeringsfase

De risicoblootstelling behorend bij de lange termijn risicomaatstaf kan op eenzelfde manier worden bepaald als de risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de opbouwfase, waarbij alleen wordt gekeken naar de nog resterende uitkeringen in de uitkeringsfase.

Definieer het gewogen gemiddelde van alle verwachte ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase van deelnemer i berekend op tijdstip t, tijdstip waarop uitkeringsfase in gaat, in een scenario als:

De risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de uitkeringsfase wordt vervolgens als volgt berekend:

Bijlage

1b

Vervallen

Bijlage

2

als bedoeld in de artikelen 18 en 19

Artikel 1

1. De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zevende lid, luiden als volgt:

x < 18

0

0

18 ≤ × < 25

0,01 + 0,07 (x–18)

0,05 + 0,10 (x–18)

25 ≤ × < 30

0,50 + 0,04 (x–25)

0,75 + 0,02 (x–25)

30 ≤ × < 35

0,50 + 0,04 (x–25)

0,85

35 ≤ × < 50

0,90

0,85

50 ≤ × < 68

0,90

0,85 – 0,01 (x–50)

2. In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.

Artikel 2

1. De formules voor de berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, luiden als volgt:

2. De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:

a: de verhouding nabestaandenpensioen/ouderdomspensioen in de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;

β: de verhouding tussen een eventuele andere pensioenvorm en het ouderdomspensioen, zonodig berekend uit de totale aanspraken (zonder overdracht) volgens de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;

OP: ouderdomspensioen;

NP: nabestaandenpensioen;

OV: overige pensioenvormen;

OW: overdrachtswaarde;

kps-OP: de contantewaardefactor voor ouderdomspensioen volgens het standaardtarief;

kps-NP: de contantewaardefactor voor nabestaandenpensioen volgens het standaardtarief;

kps-OV: de contantewaardefactor voor overige pensioenvormen volgens het standaardtarief.

3. Wanneer in het eerste lid aan OP, NP en OV de letters nw zijn toegevoegd, betekent dit dat het pensioenaanspraken in de regeling bij het overnemende uitvoeringsorgaan ondergebracht uit hoofde van de waardeoverdracht betreft.

Bijlage

2a

Formules als bedoeld in artikel 21, tweede lid

Artikel

01

Begripsbepaling

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • ieder individu: iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde;

  • premieovereenkomst: premieovereenkomst of premieregeling;

  • voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal: voor pensioenuitkering bestemd vermogen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling dan wel het kapitaal in de flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling.

Artikel

1

Vaststellen contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten

Artikel

2

Vaststellen contante waarde van de aanpassingskasstromen

Artikel

3

Vaststellen schalingsfactor voor de aanpassingskasstroom

De schalingsfactor x voor de aanpassingskasstroom wordt vastgesteld via de formule

waarbij M gelijk is aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt. Voor zover de waarde P, als bedoeld in artikel 1, tweede of derde lid, niet van toepassing is, is de waarde P in deze formule gelijk aan 0.

Artikel

4

Vaststellen voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal

Bijlage

3

als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel

1

Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico

1 (jaar)

2,05

0,49

1 (jaar)

1,53

0,75

2

1,79

0,56

2

1,40

0,78

3

1,65

0,61

3

1,33

0,81

4

1,55

0,64

4

1,28

0,82

5

1,49

0,67

5

1,25

0,84

6

1,44

0,70

6

1,22

0,85

7

1,40

0,71

7

1,20

0,86

8

1,37

0,73

8

1,19

0,87

9

1,35

0,74

9

1,18

0,87

10

1,34

0,75

10

1,17

0,88

11

1,33

0,75

11

1,17

0,88

12

1,33

0,75

12

1,17

0,88

13

1,33

0,75

13

1,17

0,88

14

1,33

0,75

14

1,17

0,88

15

1,33

0,75

15

1,17

0,88

16

1,32

0,76

16

1,16

0,88

17

1,32

0,76

17

1,16

0,88

18

1,32

0,76

18

1,16

0,88

19

1,32

0,76

19

1,16

0,88

20

1,32

0,76

20

1,16

0,88

21

1,32

0,76

21

1,16

0,88

22

1,32

0,76

22

1,16

0,88

23

1,32

0,76

23

1,16

0,88

24

1,32

0,76

24

1,16

0,88

25

1,32

0,76

25

1,16

0,88

> 25

1,32

0,76

> 25

1,16

0,88

Het scenario voor renterisico wordt bepaald door de rentefactoren in de tabel toe te passen op de rentetermijnstructuur, gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, per looptijd te vermenigvuldigen met hetzij de rentefactoren voor een rentestijging dan wel de rentefactoren voor een rentedaling, afhankelijk wat voor het fonds het meest negatieve scenario is. In het algemeen gaat het dan om een rentedaling. Indien de rente bij looptijd 16 jaar bijvoorbeeld 4% is, moet in de bepaling van de rentegevoeligheid voor deze looptijd rekening gehouden worden met een rentedaling met 0,96%-punt (= (0,76 -1)* 4%) dan wel met een rentestijging met 1,28%-punt (= (1,32 -1)* 4%).

Voor beleggingen die gerelateerd zijn aan de reële rente, zoals inflation linked bonds, worden kleinere renteschokken toegepast (rechts in de tabel). Verondersteld is dat 50% van de nominale renteschok zichtbaar is in een schok in de reële rente en dat de overige 50% toegeschreven kan worden aan een mutatie in de (break-even) inflatie.

Artikel

2

Formules en procedure standaardmodel

Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 wordt als volgt aangeduid:

S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.

S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.

S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.

S4 voor het vereist eigen vermogen voor het grondstoffenrisico.

S5 voor het vereist eigen vermogen voor het kredietrisico.

S6 voor het vereist eigen vermogen voor het verzekeringstechnische risico.

S7 voor het vereist eigen vermogen voor het liquiditeitsrisico.

S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.

S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.

S10 voor het vereist eigen vermogen voor het actief beheer risico.

Het vereist eigen vermogen (VEV) wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:

waarbij ρ1 2 = 0,40 en ρ1 5 = 0,40 indien voor S1 wordt uitgegaan van een rentedaling en nihil indien S1 is gebaseerd op een rentestijging, en ρ2 5 = 0,50.

Het vereist eigen vermogen van het fonds, bedoeld in artikel 132 van de Pensioenwet dan wel artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en beursgenoteerd vastgoedrisico S2 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten, inclusief beursgenoteerd vastgoed (S2A), aandelen opkomende markten (S2B), niet-beursgenoteerde aandelen (S2C) en niet-beursgenoteerd vastgoed (S2D) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S2) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S2A tot en met S2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S2 aan de hand van de formule:

waarbij ρ' = 0,75.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het valutarisico S3 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor valutarisico, (S3), rekening wordt gehouden met een correlatie (ρ) van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; 0,75 tussen valuta in opkomende markten en 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds. Het vereist vermogen voor valutarisico wordt vastgesteld voor enerzijds ontwikkelde markten (S3 A) en anderzijds opkomende markten (S3 B) en gecombineerd aan de hand van de volgende formules:

Het vereist vermogen voor valutarisico (S3) voor de totale portefeuille is gelijk aan de som van het vereist vermogen voor valutarisico van ontwikkelde en opkomende markten, rekening houdend met een correlatie van 0,25:

Waarbij het vereist vermogen voor valutarisico op ontwikkelde markten (S3 A) wordt bepaald als de som van exposures op individuele valuta in ontwikkelde markten, rekening houdend met een correlatie van 0,50 en een daling van deze valuta ten opzichte van de euro met 20%:

Het vereist vermogen voor valutarisico op opkomende markten (S3 B) wordt bepaald als de som van exposures op individuele valuta van opkomende markten, rekening houdend met een correlatie van 0,75 en een daling van deze valuta ten opzichte van de euro met 35%:

Bij de bepaling van het vereist vermogen per individuele valuta wordt rekening gehouden met de ‘net exposure’, dat wil zeggen de gevoeligheid voor een daling in deze valuta ten opzichte van de euro rekening houdend met eventuele valutahedges.

Bijlage

4

Vervallen