Artikel
1
In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar, de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienstbetrekking werkzaam bij de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam.
Besluit:
In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar, de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienstbetrekking werkzaam bij de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam.
Maximaal 90 personen werkzaam bij de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam en belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
de artikelen 141, 180, 184, 266, 267, 285, 300, 310, 311, 350, 424, 425 en 435, onder ten vierde, 447e van het Wetboek van Strafrecht.
Algemene plaatselijke verordeningen, voor zover deze verordeningen samenhangen met het vervoer van personen en de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen door het bevoegd gezag;
Andere strafbare feiten, indien en voorzover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar geldt voor het grondgebied waarop het Gemeentelijk Vervoerbedrijf Amsterdam vervoer verricht of lijnverbindingen exploiteert. De uitoefening van de opsporingsbevoegdheid beperkt zich daarbij tot bussen, pontveren, trams, metrotreinen en in en om daarbij behorende stations, haltes, garages en remises. Tevens wordt van de verleende opsporingsbevoegdheid uitsluitend gebruik gemaakt tijdens de uren dat de buitengewoon opsporingsambtenaar daadwerkelijk werkzaam is en overeenkomstig de aanwijzingen van de toezichthouder.
De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, van dit besluit genoemde strafbare feiten, gebruik te maken van de bevoegdheden bedoeld in:
artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993, hij gedraagt zich daarbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn dienst als buitengewoon opsporingsambtenaar gebruik maken van handboeien en een korte wapenstok, beiden van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type.
De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam verstrekt de toezichthouder en de direct toezichthouder overeenkomstig artikel 41, eerste lid van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar alle door hen gewenste informatie en voert zo nodig en desgevraagd periodiek overleg met hen.
De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam stelt in overleg met de toezichthouder op:
Een instructie waarin zo concreet mogelijk beschreven wordt voor welke feiten het opmaken van een proces-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht is toegestaan.
Een procedure voor de afhandeling van door de buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte processen-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam zendt, overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, voor 1 november 2007 aan de Minister van Justitie, aan de toezichthouder en aan de direct toezichthouder een evaluatie over de doeltreffendheid en de effecten van het toekennen van de opsporingsbevoegdheid voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht in de periode vanaf 1 december 2006 tot 1 oktober 2007. Deze evaluatie voldoet aan nader door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.
De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam brengt jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, aan de Minister van Justitie verslag uit over:
het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam.
De door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten.
Het aantal interventies waarbij het gebruik/toepassing van handboeien en/of een korte wapenstok geïndiceerd is geweest;
De stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen voor dat examen zijn geslaagd.
Het ‘Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Ondersteunende Taken van het GVB Amsterdam 2003’ wordt ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam 2007.
Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst.