Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 november 2007, nr. TRCJZ/2007/3756, houdende openstelling subsidieaanvragen en vaststelling subsidieplafonds (Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008)
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
richtlijn 92/43/EEG: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna (PbEG L 206);
verordening (EG) nr. 1782/2003: verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001;
–
Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenen-, of konijnenhouderij.
2
De aanvragen worden ingediend:
–
voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de periode van 1 mei tot en met 15 juni 2008;
–
voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
de bedrijfseconomische gevolgen van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
b.
de markt- en afzetperspectieven voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
c.
de implementatie van de regelgeving voor de biologische productiemethode in de bedrijfsvoering;
d.
de aanpassingen in het bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode;
e.
de financieringsmogelijkheden van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode benodigde investeringen;
f.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of
g.
het verwerven van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden ingediend voor zover de activiteit door ten minste 8 en ten hoogste 20 personen werkzaam op een landbouwonderneming wordt gevolgd of bijgewoond.
3
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan slechts door één van de aan de bijeenkomst deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 september 2008 tot en met 1 december 2008.
4
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan slechts door één van de aan de bijeenkomst deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 september 2008 tot en met 15 oktober 2008.
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen in de periode van 1 mei tot en met 1 juni 2008 worden ingediend door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 1782/2003 ontvangen.
Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag per drie jaar worden ingediend.
Artikel
13
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel
14
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies, met dien verstande dat de subsidie ten minste € 250 bedraagt.
Artikel
15
Het subsidieplafond bedraagt: € 1.300.000.
Titel
3
Kennisverspreiding
§
1
Praktijknetwerken
Artikel
16
1
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de veehouderijsector.
De aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
Artikel
17
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 16 advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
1.
het gekozen thema en de gekozen aanpak zowel inhoudelijk als procesmatig meer perspectief bieden;
2.
de probleemstelling concreter is;
3.
er meer gebruik wordt gemaakt van een vernieuwende aanpak, zowel inhoudelijk als procesmatig;
4.
het aangetoonde gezamenlijk belang van de deelnemers groter is;
5.
de verhouding tussen de kosten en de kwaliteit van het project beter is ten opzichte van andere projecten;
6.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid, of
7.
het netwerk breder is samengesteld.
Artikel
18
De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 25.000 bedraagt.
De aanvragen kunnen worden ingediend voor projecten die betrekking hebben op het thema biologische landbouw als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel a, van de regeling en voor zover de projecten gericht zijn op:
a.
demonstratie van de biologische bedrijfsvoering of elementen hieruit voor gangbare ondernemers waarbij ervaringen over innovaties in de biologische en gangbare landbouw worden uitgewisseld met als doel verduurzaming van de landbouw;
b.
demonstratie van wijzen van communicatie met en verkoop aan de eindconsument;
c.
demonstratie van productie, verwerking of verkoop van biologische producten waarbij kostprijsverlaging of verbetering van de kwaliteit van het eindproduct wordt bereikt, of
d.
het verwerven van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
2
De aanvragen kunnen tevens worden ingediend voor projecten die:
a.
betrekking hebben op het in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel g, van de regeling genoemde thema, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden werkzaam in de bloembollen- of paddestoelenteelt of de glastuinbouw;
b.
betrekking hebben op alle in artikel 2:15, eerste lid, van de regeling genoemde thema’s, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden, werkzaam in de varkens-, de konijnen- of de pluimveehouderij, inclusief de eenden- en kalkoenenhouderij, of,
c.
betrekking hebben op alle in artikel 2:15, eerste lid, van de regeling genoemde thema’s, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen werkzaam in de melkveehouderij.
Artikel
22
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a.
in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, eerste lid;
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008 door landbouwondernemingen:
1.
werkzaam in de melkveehouderij of samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen met ondernemingen bedoeld in het tweede lid;
2.
werkzaam in de varkens-, konijnen-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen met ondernemingen bedoeld in het eerste lid.
Artikel
28
1
Aanvragen als bedoeld in artikel 27 hebben meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:28, onderdeel a, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s.
2
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 27, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Artikel
29
1
Het subsidieplafond bedraagt € 900.000 voor projecten als bedoeld in artikel 27, eerste lid.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 1.200.000 voor projecten als bedoeld in artikel 27, tweede lid.
Artikel
30
Per landbouwonderneming kan slechts een aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend
§
2
Samenwerking bij Innovatieprojecten
Artikel
31
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008 door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de: melkvee-, varkens-, konijnen-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij.
2
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen tevens worden ingediend in de periode van 1 februari tot en met 15 maart 2008 door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de: bijenhouderij, glastuinbouw, paddestoelenteelt, akkerbouw, opengrondstuinbouw, biologische landbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
Artikel
32
1
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 31, eerste en tweede lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Projecten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
Artikel
33
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
Artikel
34
De subsidie bedraagt 35% van de subsidieabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Artikel
35
1
Het subsidieplafond bedraagt:
a.
€ 1.200.000 voor subsidieaanvragen uit de melkveehouderij;
b.
€ 2.200.000 voor subsidieaanvragen uit de varkens-, de konijnen-, de pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij;
c.
€ 3.000.000 voor subsidieaanvragen van glastuinbouwondernemingen en ondernemingen die zich richten op paddestoelenteelt, inclusief subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op uitgangsmateriaal voor de hiervoor in dit onderdeel genoemde typen ondernemingen;
d.
€ 1.200.000 voor subsidieaanvragen van akkerbouw- of opengrondtuinbouwondernemingen, inclusief subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op uitgangsmateriaal voor de hiervoor in dit onderdeel genoemde typen ondernemingen, en voor subsidieaanvragen uit de bijenhouderij;
e.
€ 420.000 voor subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op biologische landbouw.
2
Indien verstrekking van subsidies niet leidt tot overschrijding van een of meerdere van de in het eerste lid bedoelde subsidieplafonds, kunnen overgebleven bedragen worden verdeeld over in dat lid genoemde subsidiecategorieën waarbij wel sprake is van overschrijding van het subsidieplafond.
Titel
5
Bedrijfsmodernisering
§
1
Investeringen op het terrein van energiebesparing
Artikel
36
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in:
De subsidie voor de in artikel 36, eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
2
De volledige aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening ingediend.
Artikel
39
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, bedraagt: € 5.500.000.
in de periode van 1 februari tot en met 15 maart 2008
b.
In de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
Artikel
44
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of -ondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 41 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel
45
1
De subsidie voor de in artikel 43, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten.
2
De subsidie voor de in artikel 43, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt ten hoogste € 2.000.000 per aanvraag.
Artikel
46
In zoverre in afwijking van artikel 40, eerste lid, en artikel 43, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel
47
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, en 43, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:
–
meer bijdraagt aan energieneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van fossiele brandstoffen en een zolaag mogelijke CO2-uitstoot;
–
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
–
een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of economisch inpasbare systemen.
Indien verstrekking van subsidies niet leidt tot overschrijding van een of meerdere van de in de artikelen 39, 42 of 48 bedoelde subsidieplafonds, kunnen overgebleven bedragen worden verdeeld over de in die artikelen genoemde subsidiecategorieën waarbij wel sprake is van overschrijding van het subsidieplafond.
bij de landbouwonderneming een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) op of na het bijbehorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden en, deze onderneming als prioritaire landbouwonderneming is genoemd of aangeduid in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van die wet (4 punten);
b.
de landbouwonderneming waarin veehouderij wordt beoefend ten hoogste 1000 meter is verwijderd van een gebied als omschreven in bijlage 3 bij dit besluit (2 punten), en
c.
de aanvrager een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft aangevraagd voor één of meer gecombineerde luchtwassystemen (1 punt).
2
Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het eerste lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en daardoor niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.
Artikel
55
1
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 50 bedraagt: € 4.000.000.
2
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
a.
€ 1.500.000,– voor landbouwondernemingen gevestigd in Noord-Brabant;
b.
€ 555.000,– voor landbouwondernemingen gevestigd in Limburg.
§
4
Jonge landbouwers
Artikel
56
1
Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot 26 september 2008.
2
Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Artikel
57
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 26 september 2010.
vanwege overschrijding van de subsidieplafonds in die jaren niet voor subsidieverlening in aanmerking kwamen en opnieuw voor subsidie in aanmerking willen komen op grond van de regeling, en
Na verlening van de aanvragen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt de toewijzing van de aanvragen waarvan de onderneming zijn hoofdvestiging heeft in de provincies die een additioneel subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld.
§
5
Investeringen op het terrein van integraal duurzame stallen en houderijsystemen
Artikel
62
1
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in integraal duurzame stallen en houderijsystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt B, van de regeling, voor zover het betreft landbouwondernemingen op het gebied van de varkenshouderij, pluimveehouderij of melkveehouderij.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008.
Artikel
63
1
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 62, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
2
Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate:
a.
het project meer economisch of technisch perspectief heeft;
b.
er voor het project een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn, en
c.
er voor het project een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden.
Artikel
64
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 200.000 bedraagt.
Artikel
65
Het subsidieplafond bedraagt: € 2.500.000.
Artikel
66
De extra kosten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 1 december 2008.
2
De beschikking omtrent subsidieverlening wordt gegeven binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag doch niet eerder dan 10 november 2008.
Artikel
70
Het subsidieplafond bedraagt: € 500.000.
Artikel
71
Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Titel
7
Tegemoetkoming vorstschade fruitteeltsector 2005
Artikel
71a
1
Aanvragen voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:68, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei 2008 tot en met 30 mei 2008.
Aanvragen voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:69 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 april 2008 tot en met 29 april 2008.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden ingediend van 1 juli 2008 tot en met 31 juli 2008.
Artikel
73
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 72, bedraagt het subsidieplafond:
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 76, bedraagt het subsidieplafond € 2.250.000,–.
Artikel
78
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 3, kunnen worden ingediend van 1 april 2008 tot en met 31 mei 2008.
Artikel
79
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 78, bedraagt het subsidieplafond € 215.000,–.
lengte over alles: lengte als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (PbEG L 274);
–
dag: aaneengesloten tijdvak van 24 uur waarin een vissersvaartuig niet in de haven ligt;
Na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, kan het aangevraagde subsidiebedrag als bedoeld in artikel 4:3 van de regeling niet worden gewijzigd.
het vissersvaartuig behoort tot het segment MFL 1 en hiervoor een contingent schol of tong is toegekend;
b.
het vissersvaartuig een lengte over alles van meer dan 15 meter heeft en een tonnage van minder dan 1.200 BT;
c.
het vissersvaartuig op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening meer dan tien jaar oud is;
d.
het vissersvaartuig in elk van de twee aan de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening voorafgaande perioden van twaalf maanden ten minste 75 dagen is gebruikt voor een visserijactiviteit, en
Het forfaitaire subsidiebedrag per brutoton en het aanvullende bedrag, bedoeld in artikel 4:7 van de regeling, zijn:
a.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van minder dan 10 BT: € 11.121,– per brutoton en € 2.022,–;
b.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 10 BT of meer, en minder dan 25 BT: € 5.055,– per brutoton en € 62.682,–;
c.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 25 BT of meer, en minder dan 100 BT: € 4.246,– per brutoton en € 82.902,–;
d.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 100 BT of meer, en minder dan 300 BT: € 2.730,– per brutoton en € 234.552,–;
e.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 300 BT of meer, en minder dan 500 BT: € 2.224,– per brutoton en € 386.202,–, of
f.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 500 BT of meer: € 1.213,– per brutoton en € 891.702,–.
2
Indien het vaartuig, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, tussen 16 en 29 jaar oud is, wordt het maximale subsidiebedrag, bedoeld in artikel 4:7, verlaagd met 1,5% per jaar dat het vaartuig ouder is dan 15 jaar.
3
Indien het vaartuig, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, 30 jaar of ouder is, wordt het maximale subsidiebedrag, bedoeld in artikel 4:7, verlaagd met 22,5%.
4
Voor de toepassing van dit artikel is de leeftijd van een vissersvaartuig een geheel getal dat het verschil aangeeft tussen het jaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend en het jaar van inbedrijfstelling in de zin van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (PbEG L 274).
5
Voor de toepassing van dit artikel is het aantal brutoton dat een vissersvaartuig meet, het aantal brutoton dat het vaartuig meet volgens de opgave in de meetbrief.
Artikel
91
1
De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd indien de aanvrager de aan het vissersvaartuig verleende garnalenvergunning, de vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde of, geheel of gedeeltelijk, een aan het vissersvaartuig toegekend contingent in de periode tussen 23 juli 2007 en de datum van subsidieverlening overeenkomstig de Regeling contingentering zeevis of de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren:
a.
heeft overgedragen, of
b.
binnen zijn onderneming heeft toegewezen aan een ander vissersvaartuig.
2
De subsidieverlening wordt tevens in ieder geval geweigerd indien de aanvrager in de periode tussen 23 juli 2007 en de datum van subsidieverlening overeenkomstig de Regeling contingentering zeevis een verzoek heeft gedaan tot aanhouding van de toekenning van een contingent, een garnalenvergunning, een vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde.
Artikel
92
1
Subsidie wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2
De beslissing tot verlening van subsidie kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor deze regeling of het uitblijven daarvan.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 4:9, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door een aanvrager die:
ten minste een jaar zijn beroepsactiviteit als visser heeft uitgeoefend;
c.
een cursus volgt of gaat volgen die gericht is op verbetering van zijn beroepsvaardigheden als visser, en
d.
binnen twaalf maanden na de aanvraag tot verlening van de subsidie aanvangt met de cursus.
2
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 4:9, onderdeel d, van de regeling kunnen worden ingediend door een aanvrager:
a.
van wie de arbeids- of maatschapsovereenkomst is geëindigd of zal eindigen, of van wie de tijdelijke overeenkomst niet is verlengd of verlengd zal worden, op een datum gelegen na 26 november 2007;
b.
die op 1 januari 2008 de leeftijd van 58 jaar maar nog niet van 65 jaar heeft bereikt;
c.
die ten minste tien jaar zijn beroepsactiviteit als visser heeft uitgeoefend;
d.
die ten minste twaalf maanden voorafgaand aan de datum, bedoeld in onderdeel a, zonder onderbreking werkzaam is geweest op een vissersvaartuig dat wordt gebruikt voor de zeevisserij;
e.
die met de in onderdeel d bedoelde werkzaamheden in de betrokken periode de helft van zijn in artikel 3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde inkomen uit werk en woning heeft verdiend;
f.
die zijn beroepsactiviteit als visser definitief heeft beëindigd of zal beëindigen, en
g.
in voorkomend geval,
1°
ten aanzien van wie de maatschapsovereenkomst bepaalt dat de eigenaar van het vissersvaartuig niet gehouden is een bijdrage aan de visser te verstrekken wanneer hij het vissersvaartuig uit de maatschap terugtrekt, of
2°
ten aanzien van wie uit de maatschapsovereenkomst voortvloeit dat de visser geen invloed heeft op de beslissing van de eigenaar van het vissersvaartuig dit uit de maatschap terug te trekken.
voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, onderdeel d, van de regeling: € 500,– voor iedere kalendermaand gedurende de periode die aanvangt op de eerste dag van de maand waarin de arbeids- of maatschapsovereenkomst is beëindigd en die eindigt op de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
2
De totale kosten van deelname aan de cursus, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, omvatten uitsluitend de kosten van inschrijving van de cursus en de kosten van het lesmateriaal dat verplicht is voorgeschreven door de instelling die de cursus aanbiedt.
een kopie van een arbeids- of maatschapsovereenkomst, waaruit in elk geval blijkt de naam van de werkgever onderscheidenlijk de maat-eigenaar en het letterteken en nummer van het vissersvaartuig waarop de aanvrager werkzaam is of werkzaam is geweest,
b.
bescheiden waaruit de kosten van de cursus blijken, en
een kopie van de arbeids- of maatschapsovereenkomst, waaruit in elk geval blijkt de naam van de werkgever onderscheidenlijk de maat-eigenaar en het letterteken en nummer van het vissersvaartuig waarop de aanvrager werkzaam is of was, en
werkzaam waren op een vaartuig waarvan de visserijactiviteiten definitief zijn beëindigd en de eigenaar voor deze definitieve beëindiging, naar aanleiding van een aanvraag, ingediend in de periode van 26 november 2007 tot en met 10 december 2007, een beschikking tot subsidieverlening heeft verkregen op grond van artikel 4:2 van de regeling, en
b.
op het moment van de aanvraag, bedoeld in onderdeel a, hun beroepsactiviteit als visser op dat vissersvaartuig uitoefenden.
Artikel
92g
De begunstigde van subsidie als bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, van de regeling verstrekt de Minister jaarlijks voor 31 maart op een daartoe door de Minister vastgesteld formulier een overzicht van zijn inkomsten uit werk en woning of sociale zekerheidsuitkeringen.
Artikel
92h
Er worden geen voorschotten verleend.
Titel
2
Investeringen
§
1
Garantstelling
Artikel
93
1
Aanvragen tot verstrekking van een garantstelling als bedoeld in artikel 4:53 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:34 van de regeling kunnen worden ingediend voor het moderniseren van en het aanbrengen van voorzieningen aan boord van een vissersvaartuig ten behoeve van de visserij met een pulskorvistuig.
2
Een pulskorvistuig als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.
de maximale elektrische stroom in kW bedraagt voor elke boomkor niet meer dan de lengte in meter vermenigvuldigd met 1,25;
b.
het werkelijke voltage tussen de elektroden bedraagt ten hoogste 15 Volt;
c.
een computergestuurd beheerssysteem aan boord van het vaartuig registreert de maximale stroom per boom en het werkelijke voltage tussen de elektroden van ten minste de laatste 100 trekken.
d.
alleen de kapitein van het vaartuig of diens gemachtigde heeft toegang tot het computergestuurde systeem om er wijzigingen in aan te brengen;
e.
aan het vistuig zijn geen wekkerkettingen bevestigd.
3
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:34 van de regeling kunnen tevens worden ingediend voor het moderniseren van en het aanbrengen van voorzieningen aan boord van een vissersvaartuig ten behoeve van de omschakeling naar een meer selectieve visserijmethode.
Artikel
93b
1
De aanvragen, bedoeld in artikel 93a, eerste lid, kunnen worden ingediend door eigenaren van vissersvaartuigen indien:
het motorvermogen van het vaartuig meer dan 735 kW is;
c.
het vaartuig in de periode van twaalf maanden voor het moment van indienen van de aanvraag gedurende ten minste de helft van het maximumaantal dagen dat het vaartuig op grond van Europese wetgeving aanwezig mag zijn in het Skagerrak, Kattegat en in ICES-zone IV, VIa, VIIa, VIId en de EG-wateren van ICES-zone IIa, de platvisvisserij heeft uitgeoefend met een boomkor, en
e.
voor het vaartuig contingenten tong en schol zijn toegekend.
2
De aanvragen, bedoeld in artikel 93a, derde lid, kunnen worden ingediend door eigenaren van vissersvaartuigen, indien:
met het vaartuig volgens bij de Minister bekende gegevens in het jaar 2002 meer dan 80.000 kg van de vissoorten kabeljauw, wijting of schelvis is gevangen en aangeland;
c.
voor het vaartuig contingenten kabeljauw of wijting waren toegekend in het jaar 2002;
d.
met het vaartuig in het jaar 2002 niet met de boomkor is gevist.
Artikel
93c
1
Aanvragen als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 17 april 2008 tot en met 2 mei 2008.
2
Het subsidieplafond voor subsidie als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, bedraagt € 880.000,–.
3
Aanvragen als bedoeld in artikel 93a, derde lid, kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2008 tot en met 30 augustus 2008.
4
Het subsidieplafond voor subsidie als bedoeld in artikel 93a, derde lid, bedraagt € 400.000,–.
offertes of prijsopgaven voor de aan te schaffen apparatuur, de werkzaamheden ten behoeve van de installatie en de werkzaamheden ten behoeve van de noodzakelijke aanpassingen aan het vissersvaartuig;
c.
een ondernemingsplan, waarin de visie van de subsidieaanvrager op de huidige en toekomstige wijze van exploitatie van zijn visserijbedrijf is opgenomen;
d.
een opgave van de visserijgebieden waar met het vaartuig doorgaans de visserij wordt uitgeoefend.
2
De aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 93b, derde lid, gaat vergezeld van:
a.
een financieringsplan voor de investering;
b.
offertes of prijsopgaven voor de aan te schaffen apparatuur, de werkzaamheden ten behoeve van de installatie of de werkzaamheden ten behoeve van de noodzakelijke aanpassingen aan het vissersvaartuig;
c.
een beschrijving van hoe de subsidieaanvrager in de toekomst met zijn vissersvaartuig de visserij uit zal oefenen, waarin ten minste het type visserij en de doelsoorten zijn opgenomen.
Artikel
93e
1
Bij de behandeling van aanvragen als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, selecteert de Minister, in afwijking van artikel 4:36 van de regeling, de aanvragen voor subsidieverlening zodanig, dat de pulskorvistuigen waarvoor subsidie wordt verleend, in zo veel mogelijk verschillende praktijksituaties worden gebruikt.
2
De selectie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van:
a.
het motorvermogen van het vissersvaartuig van de aanvrager, en
b.
de visserijgebieden waar de aanvrager de visserij uitoefent.
3
Indien de selectie van aanvragen op basis van het eerste lid zou leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond, maakt de Minister overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling een rangschikking van de aanvragen die in gelijke mate voldoen aan de in het tweede lid bedoelde selectiecriteria.
4
De Minister rangschikt een aanvraag als bedoeld in het derde lid hoger, naarmate naar het oordeel van de Minister:
a.
het bedrijf van de aanvrager meer gericht is op duurzame en economisch rendabele visserij, blijkens het door de aanvrager ingediende ondernemingsplan;
b.
de aanvrager meer visserijervaring met relevante vistuigen en visserijmethodes heeft , blijkens de bij het ministerie ter beschikking staande gegevens inzake de uitoefening van de visserij.
5
De Minister kan een beoordelingscommissie instellen die advies geeft over de selectie en rangschikking van aanvragen als bedoeld in het eerste en derde lid.
Artikel
93f
1
De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, bedraagt 40% van de subsidiabele kosten.
2
De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 176.000,–.
3
De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93a, derde lid, bedraagt 30% van de subsidiabele kosten.
4
De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93a, derde lid, bedraagt ten hoogste € 120.000,–.
Artikel
93g
1
In elk van de twee opeenvolgende perioden van twaalf maanden na het moment van subsidievaststelling, oefent de ontvanger van subsidie, als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, de visserij uit met het pulskorvistuig gedurende ten minste de helft van het maximumaantal dagen dat het vaartuig op grond van Europese wetgeving aanwezig mag zijn in het Skagerrak, Kattegat en in ICES-zone IV, VIa, VIIa, VIId en de EG-wateren van ICES-zone IIa.
2
Tijdens de perioden, bedoeld in het eerste lid, neemt de subsidieontvanger of de schipper van het vaartuig waarop het pulskorvistuig is geïnstalleerd overeenkomstig de in dat kader gestelde voorwaarden deel aan een door de Minister opgerichte kennis- en demonstratiekring van vissers die de visserij uitoefenen met een pulskorvistuig, teneinde de opgedane kennis over de visserij met het pulskorvistuig zo veel mogelijk te delen en toegankelijk te maken voor andere vissers.
Artikel
93h
1
De aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, gaat vergezeld van:
a.
facturen en betaalbewijzen van de ten behoeve van de investering gemaakte kosten;
een bewijs van deelname aan de kennis- en demonstratiekring, bedoeld in artikel 93g, tweede lid.
2
De aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 93a, derde lid, gaat vergezeld van facturen en betaalbewijzen van de ten behoeve van de investering gemaakte kosten.
Artikel
93i
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Artikel
93j
1
De subsidie op grond van artikel 93a, eerste lid, wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2
De beslissing tot verlening van subsidie kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor deze regeling of het uitblijven daarvan.
§
3
Investeringen in aquacultuur
Artikel
93k
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:40, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 september 2008 tot en met 26 september 2008.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 4.000.000,–.
Artikel
93l
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Titel
3
Maatregelen van gemeenschappelijk belang
§
1
Innovatieprojecten
Artikel
93m
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2008 tot en met 30 augustus 2008.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000,–.
Artikel
93n
1
De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten.
2
De subsidie bedraagt ten hoogste € 350.000,–.
Artikel
93o
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
§
2
Collectieve acties
Artikel
93p
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2008 tot en met 30 augustus 2008.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000,–.
Artikel
93q
In aanvulling op artikel 4:23 van de regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 93p, eerste lid, hoger gerangschikt naarmate het project waarop de aanvraag betrekking heeft, naar het oordeel van de Minister:
a.
meer bijdraagt aan de verbetering van kwaliteit van visserijproducten en de toevoeging van waarde aan een visserijproduct in de keten, en
b.
meer bijdraagt aan de traceerbaarheid van visserijproducten.
Als formulier waarmee aanvragen tot subsidievaststelling als bedoeld in de artikelen 71a, eerste lid, en 71b, eerste lid, worden ingediend, zijn vastgesteld de formulieren die overeenkomen met de desbetreffende modellen die zijn opgenomen in Bijlage 5 bij dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel 96 in werking treedt met ingang van 18 januari 2008.
Artikel
98
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008.
Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.Verburg
Bijlage
1
Hoogte van het subsidiepercentage en de subsidiabele kosten bij Investeringen op het terrein van energiebesparing als bedoeld in artikel 36, eerste lid.
Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of verduisteringsschermen (artikel 36, onderdeel a):
Bij uitbesteden materieel en installatie
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,70
€ 67.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,00
€ 250.000,–
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,00
€ 3,70
€ 67.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 1,30
€ 3,70
€ 250.000,–
Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of verduisteringsschermen (artikel 36, onderdeel b):
Bij uitbesteden materieel en installatie
Energie-extensieve of energie- intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,70
€ 67.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,00
€ 250.000,–
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,00
€ 3,70
€ 67.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie ........... bedraagt.
Deel 1. Kasklimaatwensen en kasuitrusting
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
1
Gesloten kas fractie
%
50
n.v.t.
50
2
Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem)
groente
groente
groente
3
Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple)
enkelglas
enkelglas
enkelglas
4
Stooktemperatuur dag
°C
18
18
18
5
Stooktemperatuur nacht
°C
17
17
17
6
Koel- of ventilatietemperatuur
°C
27
27
27
7
Pband ventilatie/koeling
°C
2
2
2
8
Maximale ventilatie met buitenlucht
m3/(m2 hr)
0
n.v.t.
n.v.t.
9
Toegestane RV in de kas
%
85
85
85
10
Deksproeiers (kies ja of nee)
nee
nee
nee
11
Minimumbuistemperatuur
°C
40
40
40
12
VO van het minimumbuisnet
m2 buis/m2
0,2
0,2
0,2
13
Streefwaarde CO2
ppm
900
900
900
14
Maximale doseercapaciteit
kg/(ha hr)
120
180
180
15
Stralingscrit. voor schaduwscherm
W/m2
1000
1000
1000
16
Schaduwfactor schaduwscherm
%
30
30
30
17
Buitentemp sluiten energiescherm
°C
12
12
12
18
Besparingspercentage v.h. scherm
%
45
45
45
19
Belichtingsintensiteit
Wel/m2
0
0
0
20
Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3)
2
2
2
Belichtingsschema’s
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
[Schema1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
1
DagnrStartBel
280
(→ dit is 6 oktober)
2
DagnrStopBel
80
(→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 2 uur uit)
5
SavondsAan
22
uur
[Schema2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
1
DagnrStartBel
260
(→ dit is 16 september)
2
DagnrStopBel
91
(→ dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
22
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
2
uur
[Schema3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
1
DagnrStartBel
330
(→ dit is 25 november)
2
DagnrStopBel
300
(→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
24
uur
Deel 2. Ketelhuis
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
Nieuw of vernieuwd ketelhuis
1
Kasoppervlak
1
ha
Geconditioneerd oppervlak
0,5
ha
Niet geconditioneerd opp.
0,5ha
2
Buffercapaciteit
200
m3
200
m3/ha
3
Thermisch warmtepompvermogen
700
kW th
700
kW/ha
4
Efficientie v.d. warmtepomp
45
%
5
Capaciteit aquifer
200
m3/uur
400
m3/ha gecond. kas per uur
6
Temp verlies scheidingswisselaar
1
°C
7
Bufferinhoud koudebuffer
1500
m3
3000
m3/ha gecond. kas
8
Koude bron laden op
8
°C
9
WK-vermogen
60
kW el.
60
kW/ha
10
elektrisch WK-rendement
42
%
11
thermisch WK-rendement
55
%
12
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
ja
13
Zomerse WK-warmte oversch. in aquif.
nee
Referentie ketelhuis
14
Kasoppervlak
1
ha
15
Buffercapaciteit
100
m3
100
m3/ha
16
WK-vermogen
0
kW el.
0
kW/ha
17
elektrisch WK-rendement
42
%
18
thermisch WK-rendement
55
%
19
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
nee
Deel 3. Koel- en verwarmkarakteristieken
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Koelen
Lege Velden
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt.
Benchmark punten v.d. Koelunit
0
1
Koelvermogen[kW]
20
kW
0
2
Watertemp in [°C]
12
°C
17
0
3
Watertemp uit [°C]
22
°C
0
0
4
Luchttemperatuur in [°C]
26
°C
21
0
5
Luchttemperatuur uit [°C]
16
°C
0
0
6
Koelvermogen geldt bij een RV van
85
%
0
7
Maximaal luchtdebiet [m3/uur]
2000
m3/uur
0
8
Electr.gebr.vent bij max luchtdeb.
0,3
kW
0
9
Waterzijdige drukval
1,2
bar
0
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Verwarmen
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
–1,00
0,00
0,00
0,20
0,10
1,36
32,57
2,42
0,15
1,67
48,86
3,06
0,20
1,92
65,14
3,52
0,25
2,15
81,43
3,87
0,30
2,36
97,71
4,14
0,35
2,55
114,00
4,36
0,40
2,72
130,29
4,53
0,45
2,89
146,57
4,67
0,50
3,04
162,86
4,77
0,55
3,19
179,14
4,85
0,60
3,33
195,43
4,91
0,65
3,47
211,71
4,95
0,70
3,60
228,00
4,97
0,75
3,60
244,29
4,98
0,80
3,60
260,57
4,98
0,85
3,60
276,86
4,96
0,90
3,60
293,14
4,93
0,95
3,60
309,43
4,90
1,00
3,60
325,71
4,85
100,00
3,60
800,00
19,90
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Deel 4. Overzicht van de resultaten
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.
Resultaten teelt
Gem. teelttemperatuur winterperiode
°C
17,9
17,8
Gem. teelttemperatuur zomerperiode
°C
0,0
0,0
Gem. CO2 concentratie zomerperiode
ppm
677
405
Jaarlijkse CO2-gift
kg/m2
25
37
Jaarlijks aantal energieschermuren
uur
2291
2291
Jaarlijks aantal schaduwschermuren
uur
0
0
Jaarlijks aantal belichtingsuren
uur
0
0
Resultaten warmte, koude en elektra
Jaarlijkse warmtevraag
MJ/m2
1486
1542
Jaarlijkse laagwaardige warmte naar Aquifer
MJ/m2
372
n.v.t.
Gemiddelde temperatuur naar warme bron
°C
22,3
Jaarlijkse laagwaardige warmte uit Aquifer
MJ/m2
361
n.v.t.
Hoogwaardig warmte-overschot
MJ/m2
0
0
Elektriciteit voor belichting
kWh/m2
0
0
Electriciteit voor koeling en verwarming
kWh/m2
12
n.v.t.
Elektriciteitsgebruik Warmtepomp
kWh/m2
45
n.v.t.
Effectieve COP Warmtepomp
–
2,9
n.v.t.
Resultaten gas en Elektra
Gasinkoop
m3/m2
35
49
Elektra inkoop
kWh/m2
27
1
Elektra verkoop
kWh/m2
12
0
Netto elektra inkoop
kWh/m2
15
1
Resultaten CO2 emissie
CO2-emissie Ketel
kg/m2
42
87
CO2-emissie WKK voor eigen gebruik
kg/m2
14
0
CO2-emissie WKK voor netlevering
kg/m2
6
0
kg/m2
62
87
Conclusie CO2 emissiebeperking
29%
Bijlage
3
Gebied als bedoeld in artikel 51, eerste lid, waarvan de kritische depositiewaarde kleiner is dan 2.400 mol N per hectare per jaar.
NL2003001
Aamsveen
1071
NL2003002
Abdij Lilbosch en voormalig Klooster Mariahoop
n.v.t
NL2003003
Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek
779
NL3000044
Alde Feanen
1293
NL2003004
Amerongse Bovenpolder
1693
NL9801004
Bakkeveense Duinen
1071
NL2000002
Bargerveen
1071
NL2003005
Bekendelle
1336
NL9801076
Bemelerberg en Schiepersberg
829
NL2003006
Bennekomse Meent
729
NL2003007
Bergvennen en Brecklenkampse Veld
1071
NL3000040
Biesbosch
1300
NL2003008
Boddenbroek
729
NL2003009
Boetelerveld
736
NL3004001
Boezem van Brakel
1300
NL9801016
Borkeld
1071
NL2003010
Boschhuizerbergen
1071
NL9801044
Botshol
514
NL1000029
Brunssumerheide
1071
NL2003011
Bruuk
736
NL2003012
Bunder- en Elsloerbos
1557
NL9801019
Buurserzand en Haaksbergerveen
1071
NL2003013
Canisvlietse Kreek
n.v.t
NL1000030
Coepelduynen
1193
NL9801021
Dinkelland
1071
NL9801009
Drentsche Aa
1071
NL9803011
Drents-Friese Wold en Leggelerveld
1071
NL2003014
Drouwenerzand
743
NL2003057
Duinen Ameland
771
NL1000009
Duinen Den Helder – Callantsoog
771
NL9801079
Duinen Goeree
771
NL2003058
Duinen Schiermonnikoog
771
NL1000010
Duinen Schoorl
779
NL2003059
Duinen Terschelling
771
NL2003060
Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol
771
NL2003061
Duinen Vlieland
771
NL3000016
Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen
771
NL3000070
Dwingelderveld
1071
NL3004002
Eilandspolder-oost
514
NL2003015
Elperstroom
729
NL1000004
Engbertsdijksvenen
1071
NL9801007
Fochteloërveen en Esmeer
1071
NL1000002
Friese IJsselmeerkust
1129
NL9801024
Gelderse Poort
1300
NL2003016
Geleenbeekdal
1621
NL9801041
Geuldal
829
NL2003017
Gouwzee en kustzone Muiden
n.v.t
NL9801075
Grensmaas
1786
NL4000021
Grevelingen
779
NL2003018
Groot Zandbrink
736
NL2003019
Groote Gat
1557
NL9801036
Groote Heide – De Plateaux
1071
NL1000025
Groote Peel
1071
NL2003020
Groote Wielen
736
NL1000015
Haringvliet
1807
NL9801071
Havelte-oost
1071
NL2003021
Hollands Diep (oeverlanden)
2564
NL2003022
Ijsseluiterwaarden
1300
NL2003023
Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland
514
NL3000401
Kampina en Oisterwijkse Bossen en Vennen
1071
NL1000022
Kempenland
1071
NL1000012
Kennemerland-zuid
771
NL2003024
Kolland en Overlangbroek
1336
NL1000017
Kop van Schouwen
771
NL9801072
Korenburgerveen
779
NL1000021
Krammer-Volkerak
1486
NL2003025
Kunderberg
829
NL3004003
Landgoederen Oldenzaal
1336
NL2003026
Langstraat bij Sprang-Capelle
1129
NL2003027
Lemselermaten
736
NL9803039
Leudal
2400
NL3004005
Leusveld, Voorstonden en Empensche/Tondensche heide
714
NL2003028
Lieftinghsbroek
2164
NL2003029
Lonnekermeer
1071
NL9803030
Loonse en Drunense Duinen, De Brand en de Leemkuilen
1071
NL2003030
Luistenbuul en Koekoeksche Waard
1300
NL1000028
Maasduinen
1071
NL1000020
Manteling van Walcheren
779
NL2003031
Mantingerbos
2007
NL2003032
Mantingerzand
1071
NL1000027
Mariapeel en Deurnese Peel
400
NL1000013
Meijendel en Berkheide
800
NL2000008
Meinweg
1071
NL3000061
Naardermeer
514
NL3000036
Nieuwkoopse Plassen en de Haeck
514
NL2003033
Noorbeemden
1621
NL9801080
Noordhollands Duinreservaat
771
NL2003062
Noordzeekustzone
n.v.t
NL2003034
Norgerholt
2043
NL2003035
Oeffeltermeent
1300
NL2003063
Olde Maten en Veerslootslanden
514
NL2003036
Oostelijke Vechtplassen
514
NL1000018
Oosterschelde
1486
NL2003038
Oudegaasterbrekken, Gouden Bodem en Fluessen
1550
NL2003037
Oude Maas
1557
NL9801055
Ossendrecht
1071
NL2003039
Polder Stein
1536
NL2003040
Polder Westzaan
514
NL9803073
Regte Heide en Riels Laag
1071
NL2003041
Rijswaard en Kil van Hurwenen
1300
NL2003065
Ringselven en Kruispeel
1193
NL2003042
Roerdal
1300
NL9803006
Rottige Meenthe en Brandemeer
514
NL9803015
Sallandse Heuvelrug
1071
NL2003043
Sarsven en de Banen
1193
NL9801040
Savelsbos
1471
NL1000016
Solleveld
800
NL9801064
Springendal en Dal van de Mosbeek
1071
NL2003044
Stelkampsveld (Beekvliet)
1071
NL3004004
St. Jansberg
1786
NL9801025
St. Pietersberg en Jekerdal
1436
NL1000024
Strabrechtse heide en Beuven
1071
NL2003045
Swalmdal
1300
NL2003046
Teeselinkven
1071
NL2003047
Ulvenhoutse Bos
921
NL9801017
Vecht- en Beneden-Regge
1071
NL9801023
Veluwe: NW (incl. enclave)
1071
NL9801023
Veluwe: NO
1071
NL9801023
Veluwe: midden
1071
NL9801023
Veluwe: ZO
1071
NL9801023
Veluwe: zoom
1071
NL9801023
Veluwe: omg Ede
1071
NL2003048
Veluwemeer-Wolderwijd
n.v.t
NL9801049
Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek
729
NL2003049
Vogelkreek
n.v.t
NL4000017
Voordelta
1486
NL9803077
Voornes Duin
771
NL1000001
Waddenzee
771
NL9801013
Weerribben
514
NL9801035
Weerterbos
1964
NL1000014
Westduinpark en Wapendal
800
NL9803061
Westerschelde
1271
NL2003064
Wieden
514
NL9801018
Wierdense veld
1071
NL2003050
Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar
729
NL2003051
Willinks Weust
729
NL2003052
Witte Veen
1071
NL1000003
Witterveld
1071
NL2003053
Wooldse Veen
1071
NL2003054
Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder
514
NL2003055
Zeldersche Driessen
1300
NL3004006
Zouweboezem
n.v.t
NL3004007
Zuider Lingedijk – Diefdijk Zuid
1557
NL2003056
Zwarte Meer
1536
NL1000005
Zwarte Water
1071
NL3000027
Zwin
1007
Bijlage
4
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te Den Haag.
Bijlage
5
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te Den Haag.