Artikel
1:1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
a.
Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;
-
b.
cumulatief preferent aandeel: aandeel dat recht geeft op een vast jaarlijks dividend, ook over de periode dat de dividenduitkeringen op dat aandeel waren opgeschort;
-
c.
directe uitgifte: de uitgifte van een hybride instrument door de financiële onderneming die dat hybride instrument als één van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit, in aanmerking neemt of zal nemen;
-
d.
DNB: De Nederlandsche Bank NV;
-
e.
financiële onderneming: bank, beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten, beleggingsonderneming, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 90 van het Besluit respectievelijk verzekeraar als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van het Besluit;
-
f.
hybride instrument:
-
1°.
een innovatief financieel instrument; of
-
2°.
een niet-innovatief financieel instrument;
-
1°.
-
g.
indirecte uitgifte: de uitgifte van een hybride instrument door een andere entiteit dan de financiële onderneming die dat hybride instrument als één van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit, in aanmerking neemt of zal nemen, mits de financiële onderneming en die entiteit samen een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vormen;
-
h.
innovatief financieel instrument: een financieel instrument dat vanwege zijn kenmerken materieel in voldoende mate gelijk kan worden gesteld met een vermogensbestanddeel als bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit, maar waaraan één of meer voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan;
-
i.
niet-cumulatief preferent aandeel: aandeel dat recht geeft op een vast jaarlijks dividend, met uitzondering van de periode waarover de dividenduitkeringen op dat aandeel opgeschort zijn geweest;
-
j.
niet-innovatief financieel instrument: een financieel instrument dat vanwege zijn kenmerken materieel in voldoende mate gelijk kan worden gesteld met een vermogensbestanddeel als bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit, en waaraan geen voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan; en
-
k.
trigger-moment:
-
1°.
het moment waarop het aanwezige toetsingsvermogen, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling zakt onder de minimumomvang, bedoeld in artikel 60, eerste lid van het Besluit;
-
2°.
het moment waarop het aanwezige toetsingsvermogen, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten zakt onder de minimumomvang, bedoeld in artikel 63, eerste lid, van het Besluit;
-
3°.
het moment waarop het aanwezige toetsingsvermogen, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een elektronischgeldinstelling zakt onder de minimumomvang, bedoeld in artikel 64 van het Besluit; of
-
4°.
het moment waarop de aanwezige solvabiliteitsmarge, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een verzekeraar daalt onder het minimumbedrag, bedoeld in artikel 65, 66, 67 respectievelijk 68 van het Besluit.
-
1°.