Regeling van De Nederlandsche Bank NV van 11 december 2007, nr. Juza/2007/00450/CLR, tot vaststelling van de voorwaarden waaronder hybride instrumenten gelijk kunnen worden gesteld met vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit prudentiële regels Wft, en tot intrekking van de Regeling innovatieve financiële instrumenten en immateriële activa (Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen)

Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen

De Nederlandsche Bank NV,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Definities

Artikel

1:1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

  • b.

    cumulatief preferent aandeel: aandeel dat recht geeft op een vast jaarlijks dividend, ook over de periode dat de dividenduitkeringen op dat aandeel waren opgeschort;

  • c.

    directe uitgifte: de uitgifte van een hybride instrument door de financiële onderneming die dat hybride instrument als één van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit, in aanmerking neemt of zal nemen;

  • d.

    DNB: De Nederlandsche Bank NV;

  • e.

    financiële onderneming: bank, beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten, beleggingsonderneming, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 90 van het Besluit respectievelijk verzekeraar als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van het Besluit;

  • f.

    hybride instrument:

    • 1°.

      een innovatief financieel instrument; of

    • 2°.

      een niet-innovatief financieel instrument;

  • g.

    indirecte uitgifte: de uitgifte van een hybride instrument door een andere entiteit dan de financiële onderneming die dat hybride instrument als één van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit, in aanmerking neemt of zal nemen, mits de financiële onderneming en die entiteit samen een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vormen;

  • h.

    innovatief financieel instrument: een financieel instrument dat vanwege zijn kenmerken materieel in voldoende mate gelijk kan worden gesteld met een vermogensbestanddeel als bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit, maar waaraan één of meer voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan;

  • i.

    niet-cumulatief preferent aandeel: aandeel dat recht geeft op een vast jaarlijks dividend, met uitzondering van de periode waarover de dividenduitkeringen op dat aandeel opgeschort zijn geweest;

  • j.

    niet-innovatief financieel instrument: een financieel instrument dat vanwege zijn kenmerken materieel in voldoende mate gelijk kan worden gesteld met een vermogensbestanddeel als bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit, en waaraan geen voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan; en

  • k.

    trigger-moment:

    • 1°.

      het moment waarop het aanwezige toetsingsvermogen, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling zakt onder de minimumomvang, bedoeld in artikel 60, eerste lid van het Besluit;

    • 2°.

      het moment waarop het aanwezige toetsingsvermogen, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten zakt onder de minimumomvang, bedoeld in artikel 63, eerste lid, van het Besluit;

    • 3°.

      het moment waarop het aanwezige toetsingsvermogen, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een elektronischgeldinstelling zakt onder de minimumomvang, bedoeld in artikel 64 van het Besluit; of

    • 4°.

      het moment waarop de aanwezige solvabiliteitsmarge, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een verzekeraar daalt onder het minimumbedrag, bedoeld in artikel 65, 66, 67 respectievelijk 68 van het Besluit.

Hoofdstuk

2

Gelijkstelling kernkapitaal

§

2.1

Algemene bepalingen betreffende hybride instrumenten

Artikel

2:1

Artikel

2:2

Hybride instrumenten kunnen uitsluitend voor de berekening, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, als vermogenbestanddeel in aanmerking worden genomen indien:

  • a.

    het aan de hybride instrumenten verbonden kapitaal op permanente basis door derden is verstrekt;

  • b.

    zij zijn geplaatst en volgestort;

  • c.

    zij de financiële onderneming de mogelijkheid verschaffen om verliezen op te vangen, terwijl de financiële onderneming haar werkzaamheden kan voortzetten;

  • d.

    de financiële onderneming volledige zeggenschap heeft over de omvang en het tijdstip van de uitkeringen op de hybride instrumenten;

  • e.

    de daaraan verbonden vorderingen van crediteuren volledig achtergesteld zijn bij die van andere crediteuren, daaronder in ieder geval begrepen de crediteuren, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 1°, van het Besluit respectievelijk artikel 96, onderdeel b, van het Besluit, zonder dat de financiële onderneming of een daarmee verbonden partij de feitelijke mogelijkheid of contractuele bevoegdheid heeft om de rangorde van de aan de hybride instrumenten verbonden vorderingen jegens die andere crediteuren te verbeteren;

  • f.

    daaraan geen cumulatieve preferenties zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele bevoegdheid of elke feitelijke mogelijkheid die aan de houders de bevoegdheid verleent om een gepasseerde of opgeschorte dividend- of couponbetaling op de hybride instrumenten op een later tijdstip in te halen; en

  • g.

    daaraan geen calloptie zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele of feitelijke mogelijkheid tot verwerving van hybride instrumenten door een entiteit die met de financiële onderneming in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is verbonden.

Artikel

2:3

Aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel d, is voldaan indien:

  • a.

    er geen verplichting tot het doen van uitkeringen op het hybride instrument bestaat, daaronder niet begrepen de verplichting tot uitkering vanwege een daaraan voorafgaande dividendbetaling op het gewone aandelenkapitaal buiten periodes om waarin zich een trigger-moment voordoet;

  • b.

    uitkeringen uitsluitend kunnen plaatsvinden uit de middelen die voor uitkering beschikbaar zijn;

  • c.

    de hoogte van uitkeringen vooraf is vastgelegd en niet kan worden herzien op basis van een wijziging van de kredietwaardigheid van de financiële onderneming; en

  • d.

    niet-uitgekeerde bedragen ter vrije beschikking van de financiële onderneming staan.

Artikel

2:4

Een contractuele bevoegdheid of feitelijke mogelijkheid van de financiële onderneming tot uitgifte van een vermogensbestanddeel, ter voldoening van één of meer opgeschorte dividend- of couponbetalingen op een hybride instrument bij de hervatting van de normale dividend- of couponbetaling, is niet in strijd met artikel 2:2, onderdeel f, indien:

  • a.

    de voldoening plaatsvindt in een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit respectievelijk 95, tweede lid, van het Besluit waaraan geen calloptie verbonden is en dat niet aflosbaar is;

  • b.

    de financiële onderneming vanaf de uitgifte tot en met het einde van de looptijd van het hybride instrument, bedoeld in de aanhef, vermogensbestanddelen ten laste van de vrije emissieruimte afzondert om in deze voldoening te voorzien, waarvan de waarde tenminste gelijk is aan het equivalent van één toekomstige dividend- of couponbetaling, vermeerderd met eventueel eerder onvoldane betalingen, zulks omgerekend naar het vermogensbestanddeel waarmee de voldoening plaatsvindt;

  • c.

    de financiële onderneming de gewone aandeelhouders in kennis stelt van de contractuele bevoegdheid of feitelijke mogelijkheid, bedoeld in de aanhef, en de afzondering, bedoeld in onderdeel b; en

  • d.

    betaling in het vermogensbestanddeel als bedoeld in de vorige onderdelen, indien en voor zover betrekking hebbend op een periode van verplichte opschorting, niet hoger is dan de nominale waarde van de oorspronkelijke coupons of dividenden.

Artikel

2:5

§

2.2

Bijzondere bepalingen betreffende innovatieve financiële instrumenten

Artikel

2:6

Als innovatief financieel instrument wordt in ieder geval aangemerkt elk financieel instrument dat aan de voorwaarden van artikel 2:2 voldoet, en dat is uitgegeven met een renteopstap in de emissievoorwaarden. Een financieel instrument met een renteopstap kan uitsluitend voor de berekening, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, aanhef, in aanmerking worden genomen indien in de emissievoorwaarden van dat instrument is bepaald dat:

  • a.

    van het recht van renteopstap slechts eenmaal gedurende de looptijd van het financieel instrument gebruik kan worden gemaakt;

  • b.

    van een renteopstap niet eerder gebruik kan worden gemaakt dan nadat, gerekend vanaf de uitgiftedatum, minimaal 10 kalenderjaren zijn verstreken; en

  • c.

    de renteopstap ten hoogste 100 basispunten ten opzichte van de initiële rentevergoeding respectievelijk ten hoogste 50% van de initiële kredietrentemarge bedraagt, in beide gevallen gecorrigeerd voor het effect van een verandering van de relevante rentebases.

§

2.3

Bijzondere bepalingen betreffende emissieopbrengsten en verliesabsorptie

Artikel

2:7

Artikel

2:8

Hoofdstuk

3

Gelijkstelling aanvullend kapitaal

Artikel

3:3

Vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 92, derde lid, van het Besluit respectievelijk artikel 96, onderdelen a en b, van het Besluit waaraan een calloptie of een renteopstap is verbonden, voldoen uitsluitend aan de eisen van voornoemde artikelen van het Besluit, indien:

  • a.

    ingeval van een calloptie: de calloptie slechts uitoefenbaar is op initiatief van de financiële onderneming en met toestemming van DNB;

  • b.

    ingeval van een renteopstap: de renteopstap voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:6, met dien verstande dat:

    • 1°.

      het in artikel 2:6, onderdeel b, genoemde aantal verstreken kalenderjaren minimaal vijf is;

    • 2°.

      de in artikel 2:6, onderdeel c, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd;

  • c.

    de verlaging, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 4°, van het Besluit, wordt toegepast uiterlijk vanaf het moment waarop de uitoefening van een calloptie als bedoeld in onderdeel a vrijwel zeker is en de verwachte datum van uitoefening als aflossingsdatum wordt gehanteerd.

Hoofdstuk

4

Procedurele bepalingen

Artikel

4:1

Artikel

4:2

Artikel

4:3

DNB kan ambtshalve aan een financiële onderneming die niet over een in aandelen verdeeld kapitaal beschikt respectievelijk die niet over vrij verhandelbare aandelen beschikt, en die als gevolg daarvan niet zou kunnen voldoen aan de beoogde conversie, bedoeld in artikel 2:7, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, aanvullende compenserende voorwaarden opleggen.

Hoofdstuk

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

5:1

Artikel

5:3

Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 december 2007.

Artikel

5:4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Nederlandsche Bank NV, De Directeur, A.J.Kellermann