Artikel
1
In dit besluit wordt bestaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2.
Besluit:
In dit besluit wordt bestaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2.
Maximaal 50 burgerambtenaren, werkzaam bij de Koninklijke marechaussee in de functie van medewerker recherche, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar strekt zich uit tot
alle strafbare feiten, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken en met inachtneming van het gestelde in artikel 6 van de Politiewet 1993;
andere strafbare feiten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast voor de duur van dat onderzoek;
feiten strafbaar gesteld bij verordeningen voor zover hij daarvoor door het bevoegd bestuursorgaan is aangewezen.
De Commandant van de Koninklijke marechaussee brengt jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, aan de Minister van Justitie en aan de toezichthouder verslag uit over:
het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was als medewerker recherche;
de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;
de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen voor dat examen zijn geslaagd.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 31 januari 2009 en vervalt op 31 januari 2014.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar medewerker recherche KMar 2009.
Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.