Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nr. 5563896/Justis/08, houdende aanwijzing tot het toekennen van de geweldsbevoegdheid op grond van artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993, aan buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf Utrecht
De directeur van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf Utrecht stelt in overleg met de toezichthouder en de direct toezichthouder een instructie op, gebaseerd op de artikelen 17 en 18 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar. De instructie dient aan iedere buitengewoon opsporingsambtenaar ter hand te worden gesteld. Over iedere melding betreffende geweldgebruik worden de toezichthouder en de direct toezichthouder zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Artikel
4
De directeur van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf Utrecht verstrekt de toezichthouder en de direct toezichthouder overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar alle door hen gewenste informatie en voert zo nodig en desgevraagd periodiek overleg met hen.
Artikel
5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 december 2010.
Artikel
6
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toekenning geweldsbevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar Gemeentelijk Vervoersbedrijf Utrecht 2009.
Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst.