Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 2009, nr. BV/P&O/2009/13121, houdende vaststelling van een regeling inzake de verstrekking en het gebruik van dienstauto’s SZW (Regeling Dienstauto’s SZW 2009)
het bevoegd gezag: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
dienstauto: een primair voor dienstgebruik voor langere tijd aan een individuele medewerker beschikbaar gestelde auto;
c.
dienstreis: een naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijke verplaatsing van een betrokkene tot het verrichten van dienst buiten de plaats van tewerkstelling, alsmede het hiermee verband houdende verblijf buiten deze plaats;
d.
gezinsleden: degenen met wie de medewerker een gezamenlijke huishouding voert;
e.
kilometervergoeding: de vergoeding voor dienstgebruik van de eigen auto zoals bedoeld in het Reisbesluit Binnenland;
f.
de medewerker: degene die bij het ministerie is aangesteld op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op een andere titel werkzaam is bij het ministerie;
g.
het ministerie: het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
h.
wagenparkbeheerder: degene die in opdracht van het ministerie de aanschaf en het beheer, zowel technisch als administratief, uitvoert.
Artikel
2
Beschikbaarstelling dienstauto
1
Het bevoegd gezag bepaalt welke medewerker dienstreizen met een dienstauto dient uit te voeren, en welke dienstauto daarvoor wordt gebruikt.
2
In afwijking van het eerste lid wordt aan de medewerker van de Arbeidsinspectie die in aanmerking komt voor een dienstauto en die voor 1 april 2004 in dienst is getreden, toestemming gegeven om de privé-auto voor dienstreizen te gebruiken.
3
Het tweede lid is niet van toepassing indien aan de medewerker, bedoeld in het tweede lid, op diens verzoek een dienstauto beschikbaar is gesteld.
Artikel
3
Privé-gebruik dienstauto
1
Een dienstauto mag ook voor privé-doeleinden worden gebruikt door de medewerker en diens gezinsleden. De dienstauto mag in de privé-sfeer slechts door anderen dan de medewerker of diens gezinsleden worden bereden indien de medewerker of een gezinslid passagier is. Behoudens in situaties van overmacht kan hiervan slechts worden afgeweken met voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag.
2
Zakelijk gebruik anders dan ten behoeve van het ministerie en verhuur van de dienstauto is niet toegestaan.
Als privé-kilometers worden aangemerkt alle door de betrokkene met de dienstauto verreden kilometers verminderd met:
a.
het aantal kilometers tijdens dienstreizen; en
b.
het aantal woon/werkkilometers.
Artikel
5
Beschikbare auto’s
1
De medewerker die in aanmerking komt voor een dienstauto krijgt een door de dienst aan te wijzen auto ter beschikking.
2
De medewerker kan met de wagenparkbeheerder een overeenkomst sluiten waarin aan de auto extra voorzieningen (accessoires) worden aangebracht en/of een auto met een hogere km-kostprijs ter beschikking wordt gesteld. De meerkosten die hieraan verbonden zijn komen volledig ten laste van de desbetreffende medewerker.
Artikel
6
In rekening te brengen meerkosten
De meerkosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, worden in een overeenkomst tussen de medewerker en het bevoegd gezag vastgelegd. In de in de vorige volzin bedoelde overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd dat de meerkosten voor accessoires en de meerkosten die verbonden zijn aan een auto die afwijkt van de door SZW aangeboden uitvoering bij aankoop direct door de medewerker aan de wagenparkbeheerder moeten worden betaald.
Artikel
7
Voorschot en afrekening
1
Voor alle ten laste van de medewerker komende kosten van gebruik van de dienstauto wordt maandelijks een voorschot op het salaris ingehouden. De hoogte van dit voorschot wordt vastgesteld op basis van de tussen het bevoegd gezag en medewerker afgesloten overeenkomst.
2
Afrekening van alle ten laste van de medewerker komende kosten vindt éénmaal per kalenderjaar plaats, onder aftrek van de voor het betrokken kalenderjaar ingehouden voorschotten.
Artikel
8
Fiscale consequenties
1
Fiscale consequenties van het privé-gebruik van de dienstauto blijven voor rekening van de medewerker.
2
Indien het uitsluitend voor de dienst gebruiken van een dienstauto leidt tot fiscale heffing op grond van de autokostenfictie, zal het bevoegd gezag de medewerker ondersteunen bij het weerleggen daarvan. Indien de ondersteuning niet tot het gewenste resultaat leidt, zullen de gevolgen voor rekening van het ministerie komen in het geval de medewerker een sluitende kilometerregistratie heeft overgelegd.
Artikel
9
Kilometerregistratie
1
Uit een zorgvuldige kilometerregistratie moet het aantal dienstkilometers verantwoord kunnen worden. Het bevoegd gezag bepaalt hoe deze registratie en verantwoording zal plaatsvinden.
2
Kilometers die niet als dienstkilometer verantwoord zijn, worden ook niet als zodanig aangemerkt.
Artikel
10
Gebruik van de dienstauto
1
Bij het gebruik van een dienstauto moet de gebruikelijke zorgvuldigheid in acht worden genomen. De bij aanvang van het gebruik terzake gegeven richtlijnen dienen te worden opgevolgd.
2
Bij gebruik van de auto door anderen dan de medewerker blijft de betrokken medewerker verantwoordelijk voor een zorgvuldig gebruik en het opvolgen van de bedoelde richtlijnen.
3
Extra kosten, voortvloeiend uit het niet opvolgen van richtlijnen, ook door anderen dan de medewerker, kunnen aan de betrokken medewerker worden doorberekend.
Artikel
11
Bijkomende kosten
1
Bij dienstgebruik van de dienstauto worden onder meer betaalde parkeer-, veer- en tolgelden op declaratiebasis vergoed.
2
Bij privé-gebruik blijven alle bijkomende kosten voor rekening van de medewerker.
3
Boetes en bekeuringen worden niet vergoed.
Artikel
12
Einde beschikbaarstelling
1
De beschikbaarstelling van een dienstauto wordt beëindigd:
a.
zodra de functionele noodzaak tot individuele beschikbaarheid van een auto ophoudt te bestaan, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag;
b.
bij langdurige, onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
2
Bij beëindiging van de beschikbaarstelling van een dienstauto dient de medewerker de dienstauto in te leveren op een moment en een wijze die door het bevoegd gezag wordt bepaald.
Artikel
13
Kosten tussentijdse beëindiging
Eventuele kosten, verbonden aan tussentijdse beëindiging van beschikbaarstelling van een dienstauto, kunnen op de betrokken medewerker worden verhaald indien de beëindiging een gevolg is van aan oorzaken of omstandigheden die de medewerker zijn toe te rekenen.
Artikel
14
Hardheidsclausule
Indien naleving van deze regeling leidt tot onbillijke situaties, kan het bevoegd gezag in afwijking of in aanvulling van deze regeling besluiten.
Artikel
15
Intrekking
De Regeling Dienstauto’s SZW 1994 wordt ingetrokken.
Artikel
16
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst.
Artikel
17
Citeertitel
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling Dienstauto’s SZW 2009.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.