Besluit van de Minister van Justitie van 24 juni 2009, nr. 5596792/Justis/09, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren van politie bij de Rijksrecherche
Onder de buitengewoon opsporingsambtenaar wordt in de besluit verstaan:
De ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Politiewet 1993, van de Rijksrecherche, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar van politie.
Artikel
2
1
De buitengewoon opsporingsambtenaar, genoemd in artikel 1 is bevoegd tot de opsporing van:
a.
alle strafbare feiten, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken;
b.
andere strafbare feiten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast voor de duur van dat onderzoek;
c.
feiten strafbaar gesteld bij verordeningen voor zover hij daarvoor door het bevoegd bestuursorgaan is aangewezen.
2
De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van geheel Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
3
De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen de functie waarin hij is aangesteld.
Artikel
3
Op grond van dit besluit kunnen maximaal 25 personen als buitengewoon opsporingsambtenaar beëdigd.
Artikel
4
1
Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van het Landelijk Parket.
2
Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de korpschef van het Korps Landelijke Politiediensten.
Artikel
5
De directeur van de Rijksrecherche brengt jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, aan de Minister van Justitie verslag uit over:
a.
het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij de Rijksrecherche;
b.
de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte opsporingsactiviteiten;
c.
de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd.
Artikel
6
De op naam gestelde individuele akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden van de bij de Rijksrecherche in dienst zijnde buitengewoon opsporingsambtenaren, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van het onderhavige besluit.
Artikel
7
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Artikel
8
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Rijksrecherche 2009.
Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.