Artikel
1
In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:
-
a.
minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
-
b.
werkgeversorganisaties: Actiz en Branchebelang Thuiszorg Nederland;
-
c.
werknemersorganisaties: ABVAKABO FNV, CNV Publieke Zaak en Unie Zorg en Welzijn;
-
d.
huishoudelijke verzorging: huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
-
e.
thuiszorginstelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die op basis van overeenkomsten of onderaannemingsovereenkomsten met gemeenten huishoudelijke verzorging levert in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
-
f.
moederinstelling: een rechtspersoon die in een of meer thuiszorginstellingen afzonderlijk 25% of meer van het kapitaal of het stemrecht heeft;
-
g.
groep van thuiszorginstellingen:
-
1°
een moederinstelling met inbegrip van alle thuiszorginstellingen waarin zij 25% of meer van het kapitaal of het stemrecht heeft;
-
2°
een thuiszorginstelling met inbegrip van al haar moederinstellingen, of
-
3°
een groep bestaande uit een combinatie van 1° en 2°;
-
1°
-
h.
medewerker in de huishoudelijke verzorging: een persoon die op basis van een reguliere betaalde betrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964 daadwerkelijk huishoudelijke verzorging verricht ten behoeve van natuurlijke personen die overeenkomstig de Wet maatschappelijke ondersteuning aanspraak hebben op huishoudelijke verzorging;
-
i.
algemene opleiding: een opleiding die bestaat in onderricht dat niet uitsluitend of hoofdzakelijk op de huidige of toekomstige functie van de medewerker in de huishoudelijke verzorging bij de thuiszorginstelling is gericht, maar door middel waarvan bekwaamheden worden verkregen die in ruime mate naar andere ondernemingen of andere werkgebieden overdraagbaar zijn, zodat de inzetbaarheid van de medewerker in de huishoudelijke verzorging op de arbeidsmarkt wordt verbeterd.
-
j.
opleidende instantie: een instantie die algemene opleidingen aanbiedt, zijnde een instantie binnen de subsidieaanvragende thuiszorginstelling, een instantie binnen de groep van thuiszorginstellingen waartoe de subsidieaanvrager behoort of welke andere opleidende instantie dan ook; en
-
k.
personeelskosten: de loonkosten die de subsidieaanvrager maakt ten behoeve medewerker in de huishoudelijke verzorging die een opleiding volgt, bestaande uit het brutoloon voor belasting, alsmede de verplichte bijdragen zoals sociale zekerheidsbijdragen en de kosten voor kinderopvang en algemene indirecte kosten, zoals administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten, die maximaal gelijk zijn aan de te subsidiëren kosten.