Regeling van de Minister voor Jeugd en Gezin van 17 december 2009, nr. JZ/LJ-2977004, houdende vaststelling van regels voor de rechtstreekse subsidiëring van het huisvesten, verzorgen en opvoeden van kinderen of pleegkinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten (Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met trekkend/varend bestaan)

Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met trekkend/varend bestaan

De Minister voor Jeugd en Gezin,

Besluit:

Paragraaf

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Artikel

3

Een instellingssubsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een kind:

Paragraaf

2

Instellingssubsidie

Artikel

4

De minister kan aan een exploitant een instellingssubsidie verstrekken:

  • a.

    voor het huisvesten, verzorgen en opvoeden van kinderen in een internaat of in een pleeggezin,

  • b.

    ten behoeve van de kwaliteit van de huisvesting, verzorging en opvoeding van de kinderen en

  • c.

    ten behoeve van het in samenwerking met andere exploitanten opvangen van de personele gevolgen van wijzigingen in de capaciteit voor het huisvesten, verzorgen en opvoeden van kinderen in een internaat.

Artikel

5

Paragraaf

3

Aanvraag

Artikel

6

Voor de aanvraag van een instellingssubsidie wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

Artikel

8

De aanvraag van een instellingssubsidie wordt ingediend voor 1 november van het kalenderjaar voorafgaand aan het boekjaar waarvoor de instellingssubsidie wordt aangevraagd.

Paragraaf

4

Subsidieverplichtingen

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Het belastbare inkomen, bedoeld in de artikelen 9, tweede lid, en 10, tweede lid, is het belastbare inkomen dat is vermeld op de belastingaanslag over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt verstrekt.

Artikel

12

De ouderbijdrage, bedoeld in de artikelen 9 en10, is verschuldigd naar evenredigheid van het aantal maanden van het jaar dat het kind gebruik maakt van de huisvesting, verzorging en opvoeding in een internaat of een pleeggezin.

Artikel

13

De exploitant int de ouderbijdrage, bedoeld in de artikelen 9 en 10.

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

17

De exploitant vormt een egalisatiereserve. In afwijking van artikel 4:72, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht wordt het aan de egalisatiereserve toe te voegen dan wel te onttrekken bedrag berekend door het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende lasten te verminderen het totaal van de met gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten, waaronder de verleende instellingssubsidie. Deze uitkomst wordt vervolgens toegerekend naar de onderlinge verhouding tussen de verleende instellingssubsidie en de begrote eigen bijdrage.

Artikel

18

Artikel

19

Indien bij de minister het vermoeden is gerezen dat artikel 18 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen.

Artikel

20

Voor de aanvraag van de vaststelling van een instellingssubsidie wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

Paragraaf

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

21

Artikel

22

De Subsidieregeling schippersinternaten vervalt met dien verstande dat die regeling van toepassing blijft ten aanzien van subsidies die op grond van die regeling zijn verstrekt.

Artikel

23

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

24

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met trekkend/varend bestaan.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Jeugd en Gezin, A.Rouvoet