Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 13 december 2009, nr. WJZ/9178621, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van internationaal excelleren (Subsidieregeling internationaal excelleren)

Subsidieregeling internationaal excelleren

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • DAC-land: land dat voorkomt op de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling vastgestelde lijst van ontvangers van officiële ontwikkelingshulp (DAC Lijst);

  • doelland: land waarop de internationaliseringsstrategie gericht is;

  • eerste wezenlijke toeleverancier: directe leverancier van producten, halfproducten of grondstoffen die voor het productieproces dat het subsidieproject beoogt op te zetten van substantiële betekenis zijn;

  • internationaliseringsstrategie: een strategie ten behoeve van een samenwerkingsverband die gericht is op positionering in een buitenlandse markt, waarin de kansen, risico’s en knelpunten die zich voordoen op de buitenlandse markt worden beschreven en wordt aangegeven welke activiteiten zullen worden uitgevoerd en welke niet-financiële ondersteuning van de overheid nodig is, om de doelstellingen van de strategie te realiseren;

  • kinder- of dwangarbeid: elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29, Stb. 1933, 236), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C105, Trb. 1957, 210), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973 (C138, Trb. 1974, 71) of het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999 (C182, Trb. 2000, 152);

  • MKB-onderneming: een onderneming behorende tot de bedrijfssector als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen 1Pb. 2003, L 124 met een vestiging of filiaal in Nederland op het tijdstip waarop een aanvraag om subsidie krachtens deze regeling wordt gedaan;

  • ontwikkelingsrelevant: een positieve bijdrage leverend aan minimaal één van de volgende aspecten, waarbij geldt dat de score op ten minste één van deze aspecten positief moet zijn en de score op de overige aspecten ten minste neutraal:

    • 1.

      Groei van de lokale werkgelegenheid;

    • 2.

      Duurzame overdracht van kennis en vaardigheden, technologie en innovatie;

    • 3.

      Het verbeteren van de lokale productiekracht van de betrokken onderneming;

  • lage- en middeninkomenslanden: de landen opgenomen in de bijlage bij deze regeling;

  • fragiele staten: de landen als zodanig aangeduid in de bijlage bij deze regeling;

  • tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun: Mededeling van de Commissie – Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (PbEU 22 januari 2009, C 16/1).

Artikel

1.2

Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.

Artikel

1.3

Aanvragers om subsidie op grond van deze regeling maken gebruik van het daartoe door de minister via internet beschikbaar gestelde formulier.

Artikel

1.4

Subsidie op grond van deze regeling kan uitsluitend binnen het raam van een subsidieplafond worden verstrekt.

Artikel

1.5

Hoofdstuk

2

Basismodule 2getthere

Artikel

2.1

Artikel

2.2

Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste acht niet in een groep verbonden in Nederland gevestigde ondernemers.

Artikel

2.3

Artikel

2.4

Artikel

2.5

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel

2.6

Artikel

2.7

Artikel

2.8

Vervallen

Artikel

2.9

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a.

    subsidieverstrekking niet is toegestaan onder toepassing van de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatsteun, de algemene groepsvrijstellingsverordening of de verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379);

  • b.

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de politieke haalbaarheid van de activiteiten in het doelland;

  • c.

    er onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;

  • d.

    indien de activiteiten in strijd zijn met de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling vastgestelde Richtlijnen voor multinationale ondernemingen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen of met de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en Rechten op het Werk;

  • e.

    bij een investeringsproject in een DAC-land sprake is van het gebruik van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waar het project wordt uitgevoerd of de eerste wezenlijke toeleverancier;

  • f.

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de wijze waarop systematisch wordt gecontroleerd en geborgd dat in het kader van de uitvoering van een investeringsproject in een DAC-land geen gebruik wordt gemaakt van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waar het project wordt uitgevoerd of de eerste wezenlijke toeleverancier;

  • g.

    er bij de posten in het doelland, in de betreffende sector in het doelland of door een of meer deelnemers in het samenwerkingsverband te veel internationaliseringsstrategieën worden uitgevoerd, waardoor er onvoldoende capaciteit is om de activiteiten uit te voeren;

  • h.

    de internationaliseringsstrategie niet ziet op de verwezenlijking van ten minste twee van de volgende doelen:

    • 1°.

      starten van commerciële activiteiten op een voor het samenwerkingsverband nieuwe markt;

    • 2°.

      substantieel vergroten van het bestaande marktaandeel op een markt;

    • 3°.

      aantrekken van kenniswerkers en hoogwaardige investeringen vanuit die markt ten behoeve van het samenwerkingsverband;

    • 4°.

      starten of intensiveren van een samenwerking tussen deelnemers in het samenwerkingsverband en lokale partijen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en productie;

  • i.

    het samenwerkingsverband onvoldoende onderscheidend is in de betreffende sector of nichemarkt.

Artikel

2.9a

De beschikking tot subsidieverlening kan de bepaling bevatten dat subsidie voor in latere jaarwerkplannen te identificeren projectactiviteiten wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat het betreffende jaarwerkplan – indien het bij de aanvraag zou zijn ingediend – niet zou hebben geleid tot afwijzing van de aanvraag.

Artikel

2.10

In afwijking van artikel 38, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies voert de subsidie-ontvanger een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:

  • a.

    de aard, inhoud en voortgang van de verrichte werkzaamheden;

  • b.

    de specifiek ten behoeve van de activiteiten gemaakte en betaalde kosten.

Artikel

2.11

Binnen twee maanden na de subsidieverlening wordt een afschrift verstrekt van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld.

Artikel

2.12

Artikel

2.12a

Artikel

2.12b

Een subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de activiteiten ter uitvoering van een investeringsproject voldoen aan de in het doelland geldende wetgeving gericht op de bescherming van mensenrechten, milieu en consumentenrechten, wetgeving gericht op het tegengaan van corruptie en wetgeving op het gebied van arbeidsverhoudingen en tewerkstelling.

Artikel

2.13

Vervallen

Hoofdstuk

3

Demonstratieprojecten

§

1

Demonstratieprojecten algemeen

Artikel

3.1

Vervallen

Artikel

3.2

Vervallen

Artikel

3.3

Vervallen

Artikel

3.4

Vervallen

Artikel

3.5

Vervallen

Artikel

3.6

Vervallen

Artikel

3.7

Vervallen

Artikel

3.8

Vervallen

Artikel

3.9

Vervallen

Artikel

3.9a

Vervallen

Artikel

3.10

Vervallen

§

2

Ontwikkelingsrelevante demonstratieprojecten

Artikel

3.11

Vervallen

Hoofdstuk

4

Haalbaarheidsstudie

§

1

Haalbaarheidsstudie algemeen

Artikel

4.1

Vervallen

Artikel

4.2

Vervallen

Artikel

4.3

Vervallen

Artikel

4.4

Vervallen

Artikel

4.5

Vervallen

Artikel

4.6

Vervallen

Artikel

4.7

Vervallen

Artikel

4.8

Vervallen

Artikel

4.9

Vervallen

Artikel

4.9a

Vervallen

§

2

Ontwikkelingsrelevante haalbaarheidsstudie

Artikel

4.10

Vervallen

Hoofdstuk

5

Opkomende markten

§

1

Definities

Artikel

5.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • lening: een geldlening aan een ondernemer ter financiering van nieuwe activiteiten in daartoe aangewezen landen;

  • externe deskundige: een deskundige die niet is verbonden aan een onderneming van de subsidieaanvrager noch aan een onderneming die tot dezelfde groep als de subsidieaanvrager behoort;

  • verstrekken van financiering: verstrekken van geld in contanten in de vorm van storting op aandelen of een lening.

§

2

Financiering van nieuwe activiteiten in opkomende markten

Artikel

5.2

Artikel

5.3

Aan de subsidie wordt ten minste de voorwaarde verbonden, dat

  • a.

    binnen zes maanden na dagtekening van de beschikking is gebleken dat de subsidie-ontvanger

    • i.

      met een of meer partijen waaronder ten minste één financier, of

    • ii.

      door middel van eigen financiering en met ten minste één financier overeenkomsten heeft gesloten op basis waarvan hem door partijen ten behoeve van de nieuwe activiteiten financiering wordt verstrekt ter grootte van een bedrag in contanten dat zich verhoudt tot het subsidiebedrag als ten minste 65 staat tot 35, en

  • b.

    uit de financieringsovereenkomsten blijkt dat de Minister op de punten looptijd van de financiering, de eventuele zekerheden en mogelijke preferentie of achterstelling ten opzichte van andere financiering geen groter financieel risico loopt dan de financier of de overige verstrekkers van financiering, ieder voor zich, en

  • c.

    binnen een maand na het sluiten van de in onderdeel a genoemde overeenkomsten gegevens worden aangeleverd waaruit blijkt dat voldaan is aan de in onderdelen a en b genoemde voorwaarden en dat de bij de beschikking behorende uitvoeringsovereenkomst door de subsidieaanvrager ondertekend is geretourneerd.

Artikel

5.4

Vervallen

Artikel

5.5

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien

  • a.

    en voor zover de totale subsidie, krachtens deze paragraaf aan de subsidie-ontvanger verstrekt, meer bedraagt dan € 875.000 per land;

  • b.

    de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de subsidie-ontvanger niet bevredigend zijn;

  • c.

    de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de nieuwe activiteiten van de subsidie-ontvanger in het betrokken land niet bevredigend zijn;

  • d.

    in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de ondernemer onttrokken zijn dan een redelijk te achten bedrijfsvoering meebrengt dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan;

  • e.

    de financiering, bedoeld in artikel 5.3, onderdeel a, niet geheel wordt verstrekt in geld;

  • f.

    de financiering kan leiden tot de gehele of gedeeltelijke afwenteling van bestaande risico’s op de Staat;

  • g.

    de activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed of andere activa zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten;

  • h.

    de subsidie-ontvanger het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent of een participatiemaatschappij heeft;

  • i.

    onvoldoende aannemelijk is dat de subsidie zal bijdragen aan expansie van de in Nederland gevestigde ondernemingen van de subsidie-ontvanger;

  • j.

    indien de subsidie-ontvanger een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert zoals bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • k.

    de subsidie-ontvanger handelt in strijd met de door de OESO vastgestelde Richtlijnen voor multinationale ondernemingen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen of de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en rechten op het Werk;

  • l.

    in verband met de nieuwe activiteiten sprake is van het gebruik van kinder- of dwangarbeid door de subsidie-ontvanger, in de onderneming waarin de nieuwe activiteiten worden verricht of in enige onderneming van de ondernemer of de eerste wezenlijke toeleverancier voor de nieuwe activiteiten;

  • m.

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de wijze waarop systematisch wordt gecontroleerd en geborgd dat in verband met de nieuwe activiteiten geen gebruik wordt gemaakt van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waarin de nieuwe activiteiten worden verricht of in enige onderneming van de ondernemer of de eerste wezenlijke toeleverancier voor de nieuwe activiteiten;

  • n.

    de subsidie-ontvanger ook een financiering heeft met een garantie krachtens hoofdstuk 3, titel 3.12 (Groeifaciliteit) van de Regeling nationale EZ subsidies, indien het risicoprofiel van deze garantie toeneemt door verstrekking van de aangevraagde subsidie.

Artikel

5.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien

  • a.

    de subsidie-ontvanger niet heeft aangetoond dat de verstrekker van financiering of, indien er meerdere verstrekkers van financiering zijn, de verstrekker van de meeste financiering binnen de groep verstrekkers van financiering, financier is, gevestigd in de Europese Unie, en dat zijn deskundigheid, betrouwbaarheid, financiële draagkracht en stabiliteit voldoende zijn gewaarborgd;

  • b.

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de betrouwbaarheid en stabiliteit van een of meer van de overige verstrekkers van financiering.

Artikel

5.6a

Vervallen

Artikel

5.7

Artikel

5.8

De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de nieuwe activiteiten voldoen aan de in het betrokken land geldende wetgeving gericht op de bescherming van mensenrechten, milieu en consumenten, wetgeving gericht op het tegengaan van corruptie en wetgeving op het gebied van arbeidsverhoudingen en tewerkstelling.

Artikel

5.10

Vervallen

§

3

Investeringsprojecten

Artikel

5.11

Vervallen

Artikel

5.12

Vervallen

Artikel

5.13

Vervallen

Artikel

5.14

Vervallen

Artikel

5.15

Vervallen

Artikel

5.16

Vervallen

Artikel

5.16a

Vervallen

Artikel

5.16b

Vervallen

Artikel

5.17

Vervallen

Artikel

5.18

Vervallen

§

4

Kennisverwerving

Artikel

5.19

Vervallen

Artikel

5.20

Vervallen

Artikel

5.21

Vervallen

Artikel

5.22

Vervallen

Artikel

5.23

Vervallen

Artikel

5.24

Vervallen

Artikel

5.25

Vervallen

§

5

Ontwikkelingsrelevante kennisverwerving

Artikel

5.26

Vervallen

Hoofdstuk

6

Slotbepalingen

Artikel

6.1

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en vervalt met ingang van 1 juli 2017.

Artikel

6.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling internationaal excelleren.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Economische Zaken, F.Heemskerk

Bijlage

Landenlijst

Landen met de aanduiding ‘F’ gelden voor de toepassing van deze regeling als fragiele staat.

Afghanistan (F)

Albanië

Algerije

Angola

Armenië

Bangladesh

Benin

Bhutan

Bolivia

Bosnië Herzegovina (F)

Burkina Faso

Burundi (F)

Cambodja

Colombia

Congo, Democratische Republiek (F)

Djibouti

Egypte

Eritrea (F)

Ethiopië

Filipijnen

Gambia

Georgië

Ghana

Guatemala

Guinee

India

Indonesië

Jemen (F)

Jordanië

Kaapverdië

Kenia

Kosovo (F)

Laos

Liberia

Libië (F)

Macedonië

Madagaskar (F)

Malawi (F)

Maldiven

Mali (F)

Marokko

Moldavië

Mongolië

Mozambique

Myanmar (F)

Nepal (F)

Nicaragua

Niger

Nigeria

Pakistan

Palestijnse Gebieden (F)

Peru

Rwanda

Sao Tomé

Senegal

Sierra Leone (F)

Somalië (F)

Sri Lanka

Suriname

Tanzania

Thailand

Tunesië

Uganda

Vietnam

Zambia

Zimbabwe (F)

Zuid-Afrika

Zuid-Sudan (F)