Wet van 23 december 2009 tot wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (instelling van een landelijke huurcommissie)

Wijzigingswet Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (instelling landelijke huurcommissie)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte zodanig te wijzigen dat een landelijke huurcommissie wordt ingesteld;

Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.

Artikel

II

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.

Artikel

III

Wijzigt de Huisvestingswet.

Artikel

IV

Wijzigt de Wet op de huurtoeslag.

Artikel

V

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij een huurcommissie onderscheidenlijk de voorzitter van de huurcommissie aanhangige verzoeken worden, zo nodig in afwijking van artikel 49 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, met toepassing van het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht behandeld door de huurcommissie onderscheidenlijk de voorzitter, bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze wet.

Artikel

VI

Artikel

VII

Artikel

VIIIa

Indien een voorzitter van een huurcommissie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet tot voorzitter, plaatsvervangend voorzitter of zittingsvoorzitter als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze wet, is benoemd en de leeftijd van zestig jaren heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van vijfenzestig jaren, kan hij te kennen geven dat op hem in afwijking van artikel 3e van laatstgenoemde wet de pensioengerechtigde leeftijd van toepassing is, zoals die gold voor de inwerkingtreding van deze wet.

Artikel

X

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

’s-Gravenhage
Beatrix
DeMinistervoorWonen, Wijken en Integratie, E. E. van der Laan
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, G. ter Horst
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin