Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 mei 2010, nr. DCB/CZW/WVOB 2010-0000225178, houdende bepalingen betreffende voorzieningen voor hondengeleiders bij de politie (Regeling voorzieningen hondengeleiders politie)

Regeling voorzieningen hondengeleiders politie

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Besluit:

Paragraaf

1

Definitiebepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf

2

Tegemoetkomingen en vergoedingen

Artikel

2

Voor de kosten ten behoeve van het verzorgen van een diensthond heeft de geleider aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming van € 100,– per diensthond.

Artikel

3

Artikel

4

De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, en de compensatie, bedoeld in artikel 3, vierde lid, worden jaarlijks gewijzigd overeenkomstig de door het Centraal Planbureau in het Centraal Economisch Plan gepubliceerde geschoonde consumentenprijsindex.

Artikel

5

De geleider heeft aanspraak op volledige vergoeding van:

  • a.

    dierenartskosten en door een dierenarts voorgeschreven medicatie en voeding;

  • b.

    hondenbelasting, voor zover diensthonden daarvoor niet zijn vrijgesteld in de gemeente waar de geleider woonachtig is;

  • c.

    de kosten voor keuring en herkeuring als bedoeld in de Regeling politiehonden;

  • d.

    de kosten voor het onderbrengen van een diensthond bij een dierenpension;

  • e.

    andere kosten waar naar oordeel van het bevoegd gezag deze regeling niet naar redelijkheid en billijkheid in voorziet.

Artikel

6

Indien een diensthond na verstrijking van de periode dat deze voor inzet in de politiedienst geschikt is, met instemming van het bevoegd gezag, door de geleider als huisdier wordt overgenomen heeft de geleider aanspraak op een afbouwvoorziening. De afbouwvoorziening bestaat uit vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 6, onder a, voor een periode van ten hoogste drie maanden.

Artikel

7

Paragraaf

3

Vervoer van de geleider en de diensthond

Artikel

8

De reizen van de geleider en de diensthond tussen het woonadres van de geleider en zijn plaats van tewerkstelling of oefenterrein, worden per auto afgelegd.

Artikel

9

Paragraaf

4

Uitrusting

Artikel

10

Het bevoegd gezag verstrekt aan de geleider de uitrusting die noodzakelijk is voor de dienstuitoefening, opleiding en training in combinatie met een diensthond.

Artikel

11

Het bevoegd gezag voorziet in een geschikte kennel voor de diensthond op het woonadres van de geleider.

Artikel

12

De uitrusting, bedoeld in de artikelen 9, derde lid en 10, en de kennel, bedoeld in artikel 11, blijven eigendom van het betreffende politiekorps. Indien de geleider zijn functie niet meer vervult, kan het bevoegd gezag bepalen dat de kennel niet wordt teruggevorderd.

Paragraaf

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

13

Deze regeling is niet van toepassing op de geleider die het bevoegd gezag voor 1 juli 2010 schriftelijk heeft verzocht de aanspraak op tegemoetkomingen zoals die voor hem gold op 31 december 2009 op hem van toepassing te verklaren. De wijze van tegemoetkoming, zoals deze gold op 31 december 2009 blijft in dat geval van toepassing voor de duur van ten hoogste zes jaar.

Artikel

14

Artikel

15

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2010.

Artikel

16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voorzieningen hondengeleiders politie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E.M.H.Hirsch Ballin