Arbeidsbesluit jeugdigen BES

Artikel

1

[vervallen]

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten welke het gevaar met zich brengt dat hij in aanraking komt met stoffen die door chemische of fysische werking een acute beschadiging van de huid of de ogen veroorzaken.

Artikel

5

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten waarbij zonder gehoorbeschermer het geluiddrukniveau in de gehoorgang hoger is dan 90 dB(A).

Artikel

6

Artikel

7

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten, welke meebrengt, dat hij veelvuldig zware lasten moet heffen of dragen, of dat hij gedurende langere tijd achtereen ongunstige werkhoudingen moet aannemen.

Artikel

8

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten, welke door de daarbij gevergde inspanning tot een belastingsgraad leidt die ten aanzien van hem onaanvaardbaar is te achten.

Artikel

9

Een jeugdige mag geen machine-gebonden arbeid verrichten, waaronder begrepen werkzaamheden aan de lopende band, waarbij hij regelmatig terugkerende handelingen moet verrichten op tijdstippen welke door de machine zodanig worden bepaald, dat kennelijk of naar het oordeel van Onze Minister de binding van de jeugdige persoon aan het arbeidsproces schadelijk is voor zijn gezondheid of lichamelijke ontwikkeling.

Artikel

10

Artikel

11

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande in het aanzetten van machines of werktuigen welke bij het in beweging komen gevaar opleveren voor anderen.

Artikel

12

Artikel

13

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande in het bedienen van heftrucks of mechanische schoppen.

Artikel

14

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande in het aan- en afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen aan een trekkend werktuig.

Artikel

15

Artikel

16

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bij het heien of het opstellen, verplaatsen, verstellen of strijken van een heistelling.

Artikel

17

Een jeugdige mag geen sloopwerk verrichten, waarbij gevaar bestaat ernstig gewond te worden door vallend, verschuivend of wegspringend materiaal.

Artikel

18

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten waarbij gevaar bestaat bedolven te worden.

Artikel

19

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande in het aanbrengen of verwijderen van stutten, stempels of ander ondersteuningsmateriaal, dan wel het daaraan verrichten van herstel- of onderhoudswerkzaamheden.

Artikel

20

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande in het besturen of bedienen van grondverzetmachines.

Artikel

21

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande in het besturen van trekkers.

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande uit het zich begeven in silo’s, bunkers, tanks, dubbele bodems, ketels, leidingen, reservoirs of ander ruimten die door hun afgeslotenheid van de buitenwereld of moeilijke toegankelijkheid het uitoefenen van toezicht of het verlenen van hulp bij ongevallen ernstig bemoeilijken.

Artikel

25

Artikel

26

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten:

  • a.

    aan of in de nabijheid van toestellen, leidingen, ketels of reservoirs, waarbij gevaar bestaat dat daarin een explosief mengsel aanwezig is;

  • b.

    op of in de nabijheid van plaatsen waar gevaar bestaat voor het ontstaan van een explosief mengsel;

  • c.

    met of in de nabijheid van stoffen waarbij gevaar bestaat dat zij ten gevolge van, onder invloed van of bij warmte, wrijving, vuur, vonk, slag of stoot een plotselinge chemische reactie geven, waarbij binnen zeer korte tijd grote hoeveelheden gas of warmte vrijkomen;

  • d.

    met stoffen die bij aanraking met water brandgevaar of gas ontwikkelen of die aan zelfontbranding onderhevig zijn;

  • e.

    met oxydatiemiddelen of organische peroxydverbindingen, voor zover bij deze arbeid brand- of explosiegevaar aanwezig is.

Artikel

27

Een jeugdige mag geen arbeid verrichten welke naar het oordeel van Onze Minister een uitgesproken negatieve invloed uitoefent op zijn ontwikkeling door een of meer der volgende omstandigheden;

  • a.

    de eenzijdigheid van de werkzaamheden;

  • b.

    een omstandigheid die visueel, door stank of anderszins weerzin opwekt;

  • c.

    een ongunstige omstandigheid met betrekking tot het binnenklimaat of de verlichting in de ruimte waarin de arbeid wordt verricht;

  • d.

    de eenzaamheid waarin de arbeid wordt verricht;

  • e.

    een niet passend groepsverband;

  • f.

    de aard van het beloningssysteem.

Artikel

28

De bij de artikelen 2 tot en met 26 gestelde verboden gelden niet voor arbeid welke door een jeugdige van 16 jaar of ouder in het kader van een bij of krachtens een wet geregelde beroepsopleiding dan wel van een voor de toepassing van dit besluit door Onze Minister daarmee gelijkgestelde beroepsopleiding wordt verricht, en waarbij een deskundig toezicht op de arbeid ter bescherming tegen gevaar voor de gezondheid of het leven in voldoende mate wordt uitgeoefend.

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Dit besluit wordt aangehaald als: Arbeidsbesluit jeugdigen BES.